Zaterdag 06/03/2021
Inspecteur-generaal van de Onderwijsinspectie Lieven Viaene. ‘Het is verontrustend om zien dat heel wat scholen niet bezig zijn met de vraag of ze kwaliteit leveren.’

InterviewLieven Viaene

‘De tijd van oogluikend middelen toekennen zonder kwaliteitscontrole is gedaan’

Inspecteur-generaal van de Onderwijsinspectie Lieven Viaene. ‘Het is verontrustend om zien dat heel wat scholen niet bezig zijn met de vraag of ze kwaliteit leveren.’Beeld Illias Teirlinck

Scholen die dankzij een slecht financieel beleid ondermaatse kwaliteit leveren, zullen vanaf volgend schooljaar op de radar van de Onderwijsinspectie verschijnen. Inspecteur-generaal Lieven Viaene is blij dat de link tussen kwaliteit en centen gelegd kan worden. ‘Dit is een belangrijk signaal van de overheid.’

Elke zes jaar licht de Onderwijsinspectie scholen door op hun kwaliteitsbeleid. Vanaf volgend schooljaar wil de dienst daarbij de link leggen tussen die kwaliteit en het financieel beleid van een school. Dat gebeurde tot nu toe nog niet. “De verantwoordelijke overheidsdienst Agodi kon tot nu toe enkel op willekeurige plaatsen nagaan of de middelen die ze toekent ook correct uitgegeven worden”, zegt Viaene. “Zij kon niet de vraag stellen: komt die uitgave de onderwijskwaliteit ten goede?”

“Dat is iets dat ikzelf ook altijd een mankement vond”, zegt Viaene, die af en toe het signaal kreeg van inspecteurs dat er een probleem was op een school. Dat er bijvoorbeeld geen deftig schoolbord was om op te schrijven. “Dan vraag je je af wat er met het geld gebeurt”, zegt hij. “Die school krijgt toch evenveel middelen als de school ernaast, waar alles wel voorhanden is? Dat is frustrerend voor inspecteurs, die buitenwandelen met een gevoel van onmacht, omdat het niet onze bevoegdheid was dat te melden.” Ook het Rekenhof stelde die lacune vast. Het moedigde de Onderwijsinspectie aan een instrument te maken om die link tussen kwaliteit en financieel beleid wel te leggen. Dat wordt een zogenaamde ‘financiële radar’.

Lieven Viaene (59)

- Was tussen 1983 en 1993 leerkracht wiskunde in het Klein Seminarie te Roeselare

- Werkte als pedagoog aan de Artevelde Hogeschool tussen 1993 en 1997

- Was directeur in het instituut Spes Nostra in Kuurne tussen 1997 en 2005 en daarna coördinerend directeur van de scholengemeenschap Groeninge te Kortrijk

- Staat sinds 2011 aan het hoofd van de Onderwijsinspectie

Hoe werkt die financiële radar?

Viaene: “Als wij een doorlichting van een school maken, onderzoeken we de kwaliteit van het onderwijs op 37 punten. Enkele daarvan hebben een link met het financieel beleid van een school. Terwijl we controleren op onderwijskwaliteit draait de financiële radar mee op een tweede, onzichtbare niveau.

“Bijvoorbeeld: als blijkt dat de school haar leerkrachten geen kansen tot nascholing biedt, dan stel je je toch de vraag: ‘Daar zijn toch speciale middelen voor, hoe komt het dat die niet gebruikt worden?’ Dan gaat er achterliggend een knipperlichtje branden.”

Wat gebeurt er daarna?

“Die informatie geven we door aan Agodi met de boodschap dat er iets aan de hand kan zijn. Dat moet onderzocht worden omdat de onderwijskwaliteit onder druk staat, mogelijk omdat het financieel beleid te wensen overlaat. Voor alle duidelijkheid: zelf onderzoeken we de boekhouding van een school niet. Dat is niet onze expertise, noch onze taak.”

Hoe definieert de overheid slecht financieel beleid?

“Het gaat over het correct gebruiken van middelen. In Vlaanderen is een grote mate van onderwijsvrijheid: je kan kiezen hoe je je onderwijs organiseert, maar eigenlijk ook hoe je de middelen die je voor onderwijs krijgt, aanwendt. Enkel voor nascholing en ICT bestaan er geoormerkte middelen die specifiek daarvoor gebruikt moeten worden.

“Het enige dat de overheid kan controleren is of geld wel degelijk voor onderwijs gebruikt wordt. Zij kan niet zeggen of een school de juiste handboeken gekocht heeft bijvoorbeeld. Maar Agodi kan wel het verkeerde gebruik van middelen vaststellen. Bijvoorbeeld: een gemeente die beslist dat ze wil investeren in een zwembad of culturele tempel en zegt tegen een gemeenteschool dat ze daartoe moet bijdragen.”

Wat zullen de gevolgen zijn voor scholen die middelen fout gebruiken?

“Dat zal door de administratie aangepakt worden. In de regelgeving staat dat scholen die middelen gebruiken voor verkeerde doeleinden, bestraft kunnen worden.”

Hebt u al vaak zulke signalen van slecht financieel beleid gekregen?

“Ik zou dat niet overroepen, dit is geen gigantisch probleem. We koppelen de financiële radar aan een ondermaatse kwaliteit van het onderwijs. Zo’n ongunstig advies geven we nu in 5 procent van de scholen die we onderzoeken. Zo groot is dat dus niet. Het is ook zeker niet de bedoeling dat hier een heksenjacht rond ontstaat. We vervolledigen enkel het toezichtkader.”

In het verleden kreeg de Inspectie de kritiek dat scholen na een doorlichting niet wisten hoe ze aan de slag moesten met het resultaat van de doorlichting. Is dit instrument bedoeld om scholen aan te moedigen tot verandering?

“Neen. We denken niet dat we hier een zware hefboom hebben die ons veel sterker maakt of die de onderwijskwaliteit die ons allemaal zorgen baart uit het slop kan halen. Het is een dienst die we aan de Vlaamse overheid leveren. Die moet toezicht houden op het financieel beleid van het onderwijs, wij helpen een handje door scholen aan te duiden waar dat toezicht kan beginnen.”

Nu minimaliseert u uw eigen instrument. Het is toch een belangrijke stap dat de Inspectie de link met het financieel beleid kan maken?

“Het is een zeer sterk signaal van de overheid: de tijd van oogluikend middelen toekennen zonder controle van de kwaliteit van wat daarmee gebeurt, is gedaan. Er is wel degelijk een inspectie die langskomt en daar naar kijkt.

“Dat hangt samen met onze bredere visie. De wetgeving zegt heel duidelijk dat de school de eerste verantwoordelijke is om kwaliteit te leveren. Om dat te kunnen doen, heeft die een goed beleid nodig: is de school bij machte om daar zelf iets mee te doen? Die mogelijkheid om beleid te voeren willen we in vraag stellen, niet de specifieke uitwerking van het financieel beleid.”

Lieven Viaene. ‘Je hoort me niet zeggen dat er geen probleem is met de kwaliteit in Vlaanderen. Maar we maken ons ook zorgen om de engheid van het debat dat hierover gevoerd wordt.’ Beeld Illias Teirlinck
Lieven Viaene. ‘Je hoort me niet zeggen dat er geen probleem is met de kwaliteit in Vlaanderen. Maar we maken ons ook zorgen om de engheid van het debat dat hierover gevoerd wordt.’Beeld Illias Teirlinck

Die focus op het beleid van scholen, eerder dan de resultaten van leerlingen leverde de Onderwijsinspectie na het internationaal vergelijkende onderzoek TIMSS (dat toonde dat de resultaten voor wiskunde en wetenschappen in het lager onderwijs dalen) kritiek op. OESO-expert Dirk Van Damme noemde jullie eerder ‘een kritische vriend’ dan een ‘strenge controleur’. Wat denkt u daarvan?

“Vaak steunt die kritiek op gebrekkige kennis van wat het decreet ons toelaat te doen of van de complexe onderwijsrealiteit. Het is wel zo dat we ons al dikwijls de vraag gesteld hebben wat het effect van een inspectie is. Vroeger zei een inspecteur: ‘Het is niet goed, maar ik mag niet zeggen wat je beter kan doen, dat moet je vragen aan de pedagogische begeleidingsdienst van je koepel’, en dan was hij weg. Dat is waanzin. Een doctoraat van de UAntwerpen heeft dat probleem onderstreept. Ook internationaal is heel duidelijk gebleken dat als een inspectie in de school als slagboom fungeert, de effecten minimaal zijn. Als je enkel zegt wat goed of slecht is zonder in dialoog te gaan, begrijpen scholen dat niet en raken ze gefrustreerd. Wat is een school daarmee?

“Dus hebben we onze werking aangepast. Uit internationaal onderzoek is meermaals gebleken dat er belangrijke voorwaarden zijn opdat een doorlichting effect heeft: leerkrachten moeten het waardevol vinden, herkennen wat we zeggen en het nut ervan inzien. Dus gaan we nu meer de dialoog aan met scholen. Een inspecteur komt op een school, vraagt hen naar hun verhaal en luistert daarnaar. Op het einde van het traject geven we wel nog altijd mee wat we denken wat goed en slecht is, natuurlijk, maar een school moet ook weten waar ze aan moet werken, hoe dat kan en welke stappen kunnen helpen. We willen dus geen slagboom zijn, maar een hefboom.”

Ook onderzoekers van UAntwerpen die TIMSS schreven, hadden kritiek. Zij spraken van een discrepantie zit tussen wat TIMSS vaststelde en wat jullie doen.

“Wij hebben gewoon een andere opdracht dan de internationale vergelijkingen die om de zoveel tijd gebeuren. Van onderzoekers verwacht ik dat ze dieper kijken en dat zien. Als wij kwaliteit doorlichten, kijken we naar 37 elementen. Goede resultaten van leerlingen zijn daar maar één aspect van.

“Je hoort me niet zeggen dat er geen probleem is met de kwaliteit in Vlaanderen. TIMSS is een alarmbel die ernstig genomen moet worden. Daar zijn wij het 100 procent mee eens. Maar we maken ons ook zorgen om de engheid van het debat dat hierover gevoerd wordt.”

Wat ontbreekt er dan in het debat?

“Wat mij het meest ongelukkig maakt, is dat de media op basis van internationale toetsen vaak het signaal geven dat er zich een drama afspeelt op vlak van kwaliteit. Maar we beseffen niet goed welke schade we daarmee aanrichten bij de motivatie van leerkrachten, de aantrekkelijkheid van het beroep en de ijver die leerkrachten aan de dag leggen. Is er een probleem met de output? Ja, daar is geen discussie over. Maar we moeten ook focussen op hoe we dat opnieuw goed krijgen.”

Kan de onderwijsinspectie dan niets verweten worden?

“In ons rapport de Onderwijsspiegel maken we elk jaar een foto van hoe het gaat in de scholen. Er zijn bepaalde zaken op de foto waar je ongelukkig van kan worden, maar misschien ben je niet even geshockeerd door onze foto als door de TIMSS-resultaten. De foto is misschien aanvaardbaar, de film niet. Wie de verschillende foto’s achter elkaar legt, ziet wat er door de jaren heen gebeurd is. Dat hebben wij misschien te weinig in kaart gebracht. Jaar na jaar zeggen wij dezelfde zaken. Dat is geen goed signaal.

“Ik zeg leerkrachten altijd: ‘Wij weten dat jullie hard werken, van ’s ochtends tot ’s avonds, maar je stelt jezelf niet de vraag of je effectief bezig bent.’ Als er een internationale toets langskomt, blijkt dat niet zo te zijn. Het is verontrustend om zien dat heel wat scholen niet bezig zijn met die vraag of ze kwaliteit leveren. Zij vragen: ‘Kom het ons maar zeggen.’ Ja maar, zo werkt het niet. Wij vragen scholen net om dat zelf te monitoren. Je ziet dat ook met de toetsen die koepels organiseren. Te veel scholen steken de resultaten daarvan in een lade en bekijken ze zelfs niet. Wat een zonde is dat.”

U bent dus blij dat er gestandaardiseerde toetsen komen?

“Ja. We hebben al vaker aangekaart dat het een leemte is in het opvolgen van de kwaliteit. Wij kijken daar dus naar uit. Zien wij ons daar een rol in spelen? Zeker. In het regeerakkoord staat dat zowel de pedagogische begeleidingsdienst van koepels en netten als de inspectie de resultaten krijgt. Wij willen er zeker mee aan de slag gaan. Het kan ons tonen naar welke scholen we prioritair moeten kijken bijvoorbeeld.

“Al moet het in de eerste plaats een instrument zijn waar scholen zelf mee aan de slag gaan. Ze moeten zich afvragen: ‘Wat kan ik hieruit leren?’ Om dat te kunnen, zal de datageletterdheid van scholen moeten toenemen. Anders zullen ook deze toetsen ongebruikt in een lade verdwijnen.”

Minister Weyts: ‘Normaal dat we toezien op besteding belastinggeld’

De financiële radar past bij het bredere discours van Vlaams minister van Onderwijs Ben Weyts (N-VA) om middelen zoveel mogelijk naar de klasvloer te doen stromen. “We investeren als Vlaamse samenleving gigantisch veel in ons onderwijs. Sinds de start van de regeerperiode zijn de vaste, recurrente middelen gestegen met 10 procent. Het is normaal dat er goed wordt toegezien op de besteding van al dat belastinggeld”, zegt hij.

Volgens de letter van de wet zijn sancties mogelijk voor scholen die middelen foutief aanwenden. Of en hoe die er komen, moet nog bepaald worden. Weyts lijkt er niet happig op. “We zullen zorgen dat er een stok achter de deur is, voor het geval er in een school toch hardnekkige problemen zouden zijn. Maar sancties zijn uitdrukkelijk niet de bedoeling: de Onderwijsinspectie en Agodi zijn geen politieagenten die scholen op de vingers tikken, ze moeten scholen helpen.”

Professor onderwijskunde Martin Valcke (UGent) benadrukt dat scholen niet altijd met foute bedoelingen geld verkeerd besteden, maar verdwalen in de complexiteit van de regels. “Al is de focus op middelen nodig”, zegt zegt. “Veel van het budget voor onderwijs gaat naar lonen van leraren. Voor de dagelijkse werking zijn er te weinig middelen. Normaal moet die verhouding op 80 procent tegenover 20 procent liggen. Dat is scheefgetrokken en dat wil het beleid weer gezonder maken. Om dat te doen, moet je eerst in kaart brengen wat er gebeurt.”

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234