Maandag 18/01/2021

De taal van ritselende bankbriefjes

Onthutsend rusland-beeld van Anna Politskovskaja

Ontluisterend en angstaanjagend. Die indrukken domineren bij het lezen van Het Rusland van Poetin, het nieuwe boek van Ruslands Michael Moore, Anna Politskovskaja. De internationaal gelauwerde journaliste brengt verhalen van Russische burgers. Van criminelen die het tot Oeral-tycoon schoppen, maar bovenal van mannen en vrouwen die meedogenloos door het systeem worden uitgespuwd. Anna Politskovskaja

Het Rusland van Poetin

Oorspronkelijke titel: Putin's Russia

Vertaald door Arie van der Ent

De Geus, Breda, 350 p., 15,90 euro.

nna Politskovskaja is zonder meer Ruslands beroemdste en meest tegendraadse journaliste. Deze redactrice van de onafhankelijke tweewekelijkse Novaya Gazeta profileerde zich als een der enige Russische verslaggevers die zich onpartijdig opstelden en die oog hadden voor het onnoemelijke leed van de Tsjetsjenen, die sinds 1994 al twee oorlogen doormaakten. Over die gruwel schreef Politskovskaja twee boeken: het ook in het Engels vertaalde Vuile oorlog, en later Tweede Tsjetsjeen.

Haar reportages gingen evenwel dermate in tegen de officiële versie van de 'glorieuze oorlog tegen het terrorisme' dat ze zich ook duidelijk vijanden op de hals haalde. Ze werd in februari 2001 gearresteerd in Tsjetsjenië door het Russische leger, dat haar drie dagen in een put vasthield en verkrachtte. Tussen oktober en december van datzelfde jaar moest ze wegens de aanhoudende doodsbedreigingen enige tijd in Wenen verblijven, maar daar voelde ze zich, zo zei ze in 2003 in een interview met deze krant, als een verrader en als een vis op het droge.

Hoewel Politskovskaja geenszins een blinde adept is van de Tsjetsjeense vrijheidsstrijders en ze menigmaal waarschuwde voor een totale 'palestinisering' van het conflict, was het op haar dat de Tsjetsjeense terroristen bij de gijzelingsactie in het theater in Moskou in oktober 2002 een beroep deden als bemiddelaar.

Toen ze bijna twee jaar later, op die onvergetelijke eerste schooldag, hoorde van het drama dat zich in een school in Beslan voltrok, reisde ze er meteen heen. Maar op het vliegtuig werd Politskovskaja vergiftigd en ze zou niet in Beslan wakker worden maar in een ziekenhuisbed. De zaak werd nooit opgehelderd, maar Politskovskaja gelooft dat ze door het FSB werd vergiftigd. Gelukkig was ze tegen eind vorige maand voldoende hersteld om in Stockholm de prestigieuze Olof Palme Prijs in ontvangst te nemen. Eerder werd ze ook al gelauwerd door Amnesty International en door de Russische journalistenbond.

Met haar pas verschenen Het Rusland van Poetin richt Politskovskaja andermaal haar pijlen op het Kremlin. "Dit boek gaat over Poetin", begint ze, "een product van de macaberste inlichtingendienst van het land, een man die er niet in is geslaagd om zijn afkomst te overstijgen en zich niet langer als een luitenant-kolonel van de sovjet KGB te gedragen. Hij blijft de vrijheid de kop indrukken, net zoals hij eerder in zijn carrière had gedaan."

Politskovskaja maakt evenwel geen analyse van Poetins beleid. "Ik ben gewoon maar een mens onder velen, een gezicht in de menigte in Moskou, Tsjetsjenië, Sint-Petersburg en elders. Dit zijn mijn emotionele reacties op schrift gesteld in de kantlijn van het leven zoals dat vandaag de dag in Rusland geleefd wordt."

De verhalen die ze brengt zijn soms enigszins bekend, zoals die over kolonel Boedanov, die bijna wegkwam met het verkrachten en vermoorden van een Tsjetsjeens meisje, of over de theatergijzeling in Moskou en het Beslan-drama vorig jaar.

De details die ze daarover verstrekt, zijn bijzonder interessant. Neem het geval van Nummer Vijf, Jaroslav Fedejev, een vijftienjarige jongen uit Moskou die tijdens het theaterdrama in oktober 2002 door een kogel werd gedood maar niet behoort tot de officiële vier gijzelaars die door de terroristen werden doodgeschoten. De inlichtingendienst FSB houdt vol dat ze geen fouten heeft gemaakt en dus geen gijzelaars heeft doodgeschoten. Wie heeft de jongen dan vermoord? Irina, de onderhand suïcidale moeder van de jongen, komt er met veel moeite achter dat de kogel niet uit een pistool van de terroristen kwam, en dat er gesjoemeld werd met Jaroslavs overlijdensakte. De jongen kan volgens het Kremlin niet aan een kogelwonde zijn overleden, als zijn moeder ze zelf zag in het mortuarium, dan liegt ze. Als Irina dat tegen journalisten vertelt, wordt ze door de openbare aanklager op het matje geroepen. Ze moet een verklaring ondertekenen waarin ze haar uitspraken ontkent, ofwel zullen ze het graf van haar zoon openmaken. Vervolgens gaat de gebroken vrouw in de winterkou bij het graf van haar enige kind waken, en alleen doortastende vrienden kunnen haar uiteindelijk voor een bevriezingsdood behoeden.

Bovendien dienen een aantal nabestaanden van slachtoffers klacht in tegen de overheid wegens de gebrekkigheid van de verzorging en de in sommige gevallen zelfs misdadige nalatigheid. Immers, hoe kan het dat een overheid besluit gif te gebruiken om een einde te maken aan een gijzeling, maar tegengif noch voldoende medische verzorging ter beschikking houdt voor achteraf?

De nabestaanden kunnen op geen greintje begrip rekenen, integendeel, deze gebroken mannen en vrouwen worden door de rechter beledigd en weggehoond. "Zo is onze nieuwe Russische ideologie, Poetins ideologie", meent Politskovskaja: "de verdediging van de belangen van de staat gaat voor die van de belangen van de burgers". En het is in Tsjetsjenië, vindt ze, dat die ideologie voor het eerst is getest. Terwijl het leger geen terroristenkampen maar steden en dorpen bombardeerde en geen terroristen maar gewone mannen, vrouwen en kinderen veroordeelde tot totale en duivelse hopeloosheid, zeiden de burgerlijke en militaire autoriteiten, "stop met zeuren, accepteer gewoon dat de hogere belangen van de oorlog tegen het terrorisme dit gewoon vereisen".

Tegelijk hekelt Politskovskaja de apathie van haar landgenoten. "De Russische maatschappij heeft zich vrijwel doodstil gehouden. De overgrote meerderheid liet dit gedrag in Tsjetsjenië stilzwijgend over haar kant gaan en negeerde de mensen die voorspeld hadden dat het als een boemerang zou terugkomen."

Ook als de nabestaanden van de slachtoffers worden geschoffeerd, reageert de Russische samenleving onverschillig. "Er is niet veel sympathie gekomen, sympathie als politiek significante impuls die de overheid niet zomaar naast zich neer kan leggen. Eigenlijk precies het tegenovergestelde. Een verrotte maatschappij wil pais en vree, en vindt het niet erg als de levens van andere mensen daarvoor de prijs is. Ze lopen weg en geloven liever de hersenspoelmachine dan dat ze de waarheid onder ogen zien."

Politskovskaja's andere verhalen illustreren de maatschappelijke verrotting die haar zo somber stemt. Ze vertelt over Rinat, die als officier van het Regiment Speciale Inlichtingen jarenlang clandestien in Afghanistan vocht, vervolgens in Tadzjiekse gewapende bendes infiltreerde en nadien een aantal van de huidige presidenten van ex-sovjetstaten in het zadel hielp. Zijn borst hangt vol medailles, maar als zijn vrouw overlijdt, is hij met zijn zoontje veroordeeld tot een leven in een armoedige hoek van de kazerne. De jongen wordt evenwel ernstig ziek en Rinat is genoodzaakt zijn dagen in het ziekenhuis door te brengen. Zijn verlofaanvragen verdwijnen, hij wordt als onwettig afwezig opgegeven en van de wachtlijst voor een woning geschrapt. Uiteindelijk moet Rinat als dakloze, armlastige officier vertrekken met zijn zoon. God weet waarheen.

De officieren, zegt Politskovskaja, vallen in twee categorieën uiteen: diegenen die werken en hun levens riskeren en de onderkruiperige klaplopers die door hun goede relaties met hun superieuren alle flats, datsja's en centen inpikken. En aldus krijg je enerzijds oorlogsveteranen die doodvriezen in hun flats en ondervoede kapiteins van nucleaire duikboten die niet langer onderhouden worden, en anderzijds nieuwe rijken die gaan skiën in de Franse Alpen. En ook: mensen zoals Fedoelev, die schatrijk zijn geworden en zelfs politiek verkozen en verscheidene moorden begaan zonder dat een onderzoek wordt ingesteld. Anderen, zoals Zelimchan Nasajev-Romanov, de verpauperde nazaat van de tsaar wiens grootmoeder de fout beging met een Tsjetsjeen te trouwen, worden gemarteld en jarenlang opgesloten voor misdaden die ze niet hebben begaan.

Gewone Russische burgers hoeven in geen enkel opzicht op gerechtigheid of rechtvaardigheid te rekenen: "elke tak van de overheid", schrijft Politskovskaja, "is alleen gevoelig voor de taal van ritselende bankbriefjes". En voor orders van bovenaf, hoe misdadig die ook zijn.

Wie daar tegen ingaat, en fatsoen boven promotie of centen verkiest, wordt aangepakt zoals rechter Olga Vasiljeva: ze werd valselijk beschuldigd en verloor haar werk na elf jaar dienst, ondanks een lange calvarie langs officiële instellingen om haar onschuld te bewijzen.

Olga mag overigens nog van geluk spreken: ze werd niet afgetuigd met ijzeren staven, zoals haar collega Dovgi, die weigerde om maffiakopstukken vrij te laten die hoge politieke bescherming genoten. En ze ging niet dood, zoals Pavel Chlebnikov, de hoofdredacteur van de Russische editie van Forbes Magazine, die over de structuur van het Russische gangsterkapitalisme schreef. Hij stond bekend om zijn steun aan de zwaksten en armsten van het land en was kandidaat voor het burgemeesterschap van zijn geboortestad Vladivostok. Chlebnikov werd op 9 juli van vorig jaar, de dag voor Politskovskaja's boek in Russische editie ter perse ging, voor zijn verkiezingshoofdwartier opgeblazen.

Zijn verhaal is het laatste in een boek dat doet terugdenken aan de dissidentenverslagen uit de jaren zeventig en dat is doordrongen van een onwaarschijnlijke triestheid en moedeloosheid. En toch zegt Politskovskaja: "we moeten het zelf doen, we moeten een einde maken aan de politieke winter in Rusland. Het Westen zal ons niet helpen. Veel dingen schikken het Westen wel - de wodka, de kaviaar, het gas, de olie, de beren, het rare slag mensen. De exotische Russische markt op een bekende locatie. Meer hebben Europa en de wereld ook niet nodig."

Catherine Vuylsteke

Politskovskaja's verhalen illustreren de maatschappelijke verrotting die haar zo somber stemt

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234