Maandag 14/10/2019

Studentendopen

De studentendoop: wat studenten zo geweldig vinden aan vernederd worden

. Beeld Photo News

Is het onschuldige studentikoze spielerei, of een perverse mix van groepsdruk, machtsspelletjes en zelfs puur sadisme? Waarom studenten zich te allen prijze willen laten dopen en ouderejaars zich onbekommerd op hen uitleven. “Ik wilde graag vrienden maken.”

“Ik zou het geen tweede keer doen.” Zanna*, eerstejaars revalidatiewetenschappen en kinesitherapie aan de KU Leuven, houdt op zijn zachtst gezegd geen geweldig gevoel over aan haar doop. “De schachtenpap die ik moest eten was echt smerig. En oké, wie zich laat dopen moet bereid zijn vuil te worden, maar dat mijn haren twee maanden later nog altijd naar look ruiken als het regent of als ik een douche neem, vind ik niet plezant.”

De doop van Zanna’s studentenvereniging Apolloon vond plaats op een grasplein in Heverlee, waarna ze met haar doopgroep naar de Oude Markt trok. “We moesten door de modder rollen en op onze knieën kruipen terwijl we het schachtenlied zongen: ‘Ik ben niks, ik kan niks, ik ben een vuile schacht’. Als we een gepluimde kip in onze handen kregen, moesten we die omhoog gooien en roepen dat we een kippenschacht waren. Soms waren er grappige momenten, maar tof? Niet echt.”

In het bijzijn van het presidium moest Zanna verschillende opdrachten uitvoeren tegen een andere dopeling. Wie verloor, moest schachtenpap eten. Wie zich niet voegde naar de arbitraire wensen van het presidium, onderging hetzelfde lot. “Ik moest mijn vriendin uitschelden, iemand met mijn schouders tegen de grond duwen en mijn hoofd in een kom water steken, vervolgens in een kom bloem en daarna met mijn mond op zoek gaan naar een wortel. Had je die avond lenzen aan? Pech.”

Zanna is niet bang om zich vuil te maken. Toen ze als tiener op kamp ging met de KSA, stond elk jaar een smerige dag op het programma met gelijkaardige opdrachten. “Maar dat voelt beter aan omdat je de leiding kent en vertrouwt. Als student ben je overgeleverd aan de grillen van ouderejaars, die misschien wraak willen nemen voor hun doop. Als ik zelf ooit studenten zou dopen, dan wil ik degene zijn die snoepjes uitdeelt, zodat de schachten zich veilig voelen.”

Het fenomeen van de studentendoop blijft voor menig buitenstaander een raadsel: waarom zou je je in hemelsnaam vrijwillig inschrijven voor een rondje smeerlapperij en vernedering? Zanna liet zich dopen omdat ze als nieuwkomer in Leuven vrienden wilde maken en contacten wilde leggen met ouderejaars. “Het is handig dat je hen kan vragen hoe proffen examineren en wat je precies moet studeren”, zegt ze. “Ik heb nu het gevoel dat ik erbij hoor en dat ouderejaars ook contact met mij willen.”

‘Echte venten’

Wellicht wilde Sanda D. ook gewoon vrienden maken toen hij zich aanmeldde bij Reuzegom. De student burgerlijk ingenieur aan de KU Leuven bezweek vorige week aan de mensonterende behandelingen die hij moest ondergaan tijdens het doopritueel van de elitaire studentenclub, die zich vooral richt op rijkeluiszoontjes uit Antwerpen. Tijdens een doopweekend moesten de schachten liters vissaus drinken en naakt in een kuil in het bos gaan zitten, waar ze emmers water over zich heen kregen. Opgewarmd werden ze enkel wanneer de ouderejaars op hen urineerden. Toen Sanda op de spoedafdeling belandde, bedroeg zijn lichaamstemperatuur nog slechts 28 graden.

Reuzegom, dat zich in de nasleep van het overlijden ontbond, sleepte een reputatie met zich mee. De club had altijd geweigerd het Leuvense doopcharter, dat dopen reguleert, te ondertekenen. Meer zelfs: Reuzegom ging er prat op zich niet aan de regels te houden. Enkele jaren geleden dook een filmpje op waarin leden een varken ontsmettingsmiddel lieten drinken en het beest daarna een kogel door de kop joegen. Het filmpje werd onder de aandacht gebracht van de KU Leuven, maar het was pas nadat Gaia een klacht indiende dat de bal aan het rollen ging. Drie leden kwamen ervan af met een minnelijke schikking van elk 400 euro.

Reuzegommers zijn het type studenten dat er genoegen in schept aspirant-leden een semester lang een konijn op hun kot te laten verzorgen om hen tijdens de doop te verplichten het dier eigenhandig te slachten. Echte venten, kortom.

Glans en glorie

Hoe komt het dat studenten zich jaar na jaar gewillig onderwerpen aan de grillen van hun dopers? En niet gewoon ‘halt’ roepen als iemand met een drinkbus vol ontsmettingsmiddel komt aandraven? Het antwoord is even simpel als klassiek, zegt Frank Van Overwalle, sociaal psycholoog aan de Vrije Universiteit Brussel. En het is perfect wetenschappelijk te verklaren. “Wat speelt, is de cognitieve-dissonantietheorie, die verklaart waarom onze opvattingen en onze gedragingen niet altijd overeenkomen. We weten dat roken slecht is voor onze gezondheid, maar het is zo verdomd moeilijk om ermee te stoppen. Om onze gedachten in lijn te krijgen met ons gedrag, proberen we er een draai aan te geven door te zeggen dat we de foto’s op de sigarettenpakjes als verzamelobjecten beschouwen.”

Met een doop is het net hetzelfde, legt Van Overwalle uit. “Je wilt lid worden van een studentenvereniging, maar dat is een groep waar je niet zomaar kunt binnenstappen. Om de toegangsnorm hoog te houden, legt de groep een zwaar inwijdingsritueel op. Anders verliest het aan glans en glorie. Je wilt studenten zo ver krijgen dat ze denken: ‘Amai, ik krijg nogal wat op mijn kop, dan moet het wel de moeite waard zijn’.”

Van Overwalle verwijst naar experimenten in de jaren 50 en 60 met discussiegroepen over seks. Sommige panelleden moesten zware elektroshocks ondergaan om aan de groep deel te mogen nemen, anderen kregen lichte shocks toegediend. Degenen met de zwaardere shocks verklaarden achteraf de discussiegroep als aangenamer te hebben ervaren, hoewel in beide groepen exact dezelfde onderwerpen aan bod kwamen.

Dat studenten niet tijdig opstappen als tijdens een doop alle alarmbellen afgaan, is precies waar het bij de cognitieve-dissonantietheorie om draait, aldus Van Overwalle. “Dissonantie begint snel te werken. Studenten die een doop als zwaar ervaren, denken dat ze moeten doorzetten omdat het dan pas aantrekkelijk wordt. Bovendien willen velen afmaken waar ze aan begonnen zijn.”

Voorts speelt het effect van een nieuwe sociale omgeving. “Als schacht weet je niet waar de grenzen liggen. Ouderejaars die gevaarlijke dingen doen, laat je hun gang gaan omdat je uitgaat van een gedeelde verantwoordelijkheid. Schach­ten denken dat er wel zal worden ingegrepen als het onverantwoord wordt. Maar dat klopt niet altijd: psychologische experimenten hebben uitgewezen dat er in grote groep zelden iemand tussenkomt als mensen slagen krijgen. In een kleine groep is dat wel het geval.”

Bovendien hebben mensen lang niet altijd in de gaten wanneer er sprake is van een nood­geval. Als het brandalarm afgaat op het werk, zullen werknemers eerst naar elkaar kijken met het idee dat het wellicht een oefening is. Als niemand opstaat, doet iedereen rustig voort.

“Dat heeft allemaal gespeeld bij het drinken van de vissaus tijdens de doop van Reuzegom”, vermoedt Van Overwalle. “Sommigen hebben blijkbaar een deel van de vissaus over zich heen gegoten, terwijl anderen het echt wilden verdienen, zonder te beseffen dat op dat moment een grens overschreden werd. Maar ja, er was een gedeelde verantwoordelijkheid, dus iedereen deed voort. ‘Leutig, goed bezig!’ Niemand durfde in te grijpen.”

De neoliberale wereldorde

In de Verenigde Staten stierven vorig jaar vier eerstejaars tijdens een doop in hun fraternity (studentenclub). Alle overlijdens waren het gevolg van comazuipen: de slachtoffers waren door ouderejaars verplicht om in korte tijd grote hoeveelheden alcohol te verzetten. Een van de slachtoffers, een student aan de Louisiana State University, had op het moment van zijn over­lijden 4,9 promille alcohol in zijn bloed. Drie promille of meer is al levensbedreigend.

In Nederland overleed in 1997 een eerstejaars na het drinken van een liter jenever. Hij was gestikt na een epilepsieaanval. In 2000 sloegen zelfbenoem­de ‘kampcommandanten’ van het Rotterdamsch Studenten Corps aspirant-leden met hockeysticks en honkbalknuppels. In 2002 kregen Utrechtse eerstejaars uitwerpselen in het haar gesmeerd en moesten ze de schoenen van ouderejaars likken. In 2005 lag een Groningse eerstejaars twee dagen in coma na het drinken van zes liter water. En in 2016 liep een andere student in Groningen een hersenletsel op nadat een ouderejaars op zijn hoofd was gaan staan.

Amerikaanse fraternity-broers en Nederlandse ‘corpsballen’ (leden van een studentenclub) lijken het summum van het studentenleven, maar volgens Thijs Lijster, professor kunst- en cultuurfilosofie aan de Rijksuniversiteit Groningen, leren studentenverenigingen “met hun hiërarchische structuur en sadomasochistische uitspattingen ons ook iets over hoe autoritaire karakters kunnen gedijen in situaties van ongelijkheid en onzekerheid, en over hoe een dergelijke sociale structuur psychologisch en fysiek geweld kan normaliseren”.

Beeld Bas Bogaerts

In een essay in De Groene Amsterdammer omschreef Lijster afgelopen september studentenverenigingen als “een soort microkosmos van de neoliberale wereldorde, waarin de zwakke moet boeten en de sterke moet zegevieren. Het corps is geen anachronisme, maar het voorland van de samenleving, wat misschien ook verklaart waarom oud-corpsleden nog altijd goed vertegenwoordigd zijn in zowel de bestuurlijke als de zakelijke elite.”

Het lijkt alleszins alsof tijdens een doop alle remmen los mogen. Dat linten, petten en besmeurde labojassen een basaal verbindende rite symboliseren en voor een maatschappelijke vrijgeleide zorgen. Bestaat er eigenlijk zoiets als een Lord of the Flies-effect, naar het boek van William Golding? Die beschrijft hoe een groep schooljongens totaal ontspoort nadat ze na een vliegtuigcrash op een onbewoond eiland terechtkomen en er niet in slagen samen te werken. “Met een initiatieritueel zoals een doop plaatsen studenten zich bewust buiten de maatschappij”, geeft Frank Van Overwalle toe. “Maar dat hoeft niet te ontaarden. In de wereldgeschiedenis hebben staten zowel tirannen als democratische leiders voortgebracht. Het kan alle richtingen uitgaan.”

Van Overwalle denkt niet dat er in elk van ons een sadist schuilt, maar het is wel zo dat iedereen tot geweld kan worden aangezet. “Een bekend voorbeeld is dat je in oorlogssituaties sneller overgaat tot geweld tegen burgers. Tijdens de Tweede Wereldoorlog had het verzet bommen gelegd en wilde het leger dat vergelden. Maar omdat het verzet gevlucht was, werden op sommige plekken gewone burgers neergeschoten. Dat doe je zelfs in oorlogstijd niet, maar blijkbaar kan iedereen soms voor zichzelf beslissen om de grens te overschrijden.”

Plezant tijdverlies

Sommigen houden wel degelijk heerlijke herinneringen over aan hun doopinitiatie. Zoals Andreas David, eerstejaarsstudent biomedische wetenschappen aan de KU Leuven. Tijdens de schachtenverkoop werd hij voor zeventig euro verkocht aan ouderejaars van de studentenvereniging Medica. Een gemiddeld bedrag, al ging er die avond een jongen weg voor 270 euro.

Andreas stond acht dagen ter beschikking van zijn kopers. Op de meest onmogelijke tijdstippen moest hij klaarstaan om voor hen eten te gaan halen en mee uit te gaan. Of hij werd uitgestuurd om schelpen te rapen op het strand, uitgedost in een labojas en gewapend met een Hello Kitty-emmertje en twee zwembandjes rond zijn armen. “Achteraf bekeken ben ik daar belachelijk veel tijd mee kwijtgespeeld”, zegt Andreas. “Maar het was wel plezant om te doen.” Hij wist vooraf wat hem te wachten stond: de ouderejaars hadden hem uitvoerig ingelicht.

De doop zelf vond plaats op het Ladeuzeplein, hartje Leuven. Rondjes lopen, op de knieën kruipen, look in het haar gewreven krijgen, schachtenpap eten – een ranzig brouwsel met de meest onmogelijke ingrediënten: Andreas onderging het gedwee. “Je werd vooral vuil. Niets ergs, maar soms waren de opdrachten gênant. Samen met een jongen het uiteinde van een augurk in je mond stoppen en zo rondjes lopen: dan voel je je wel heel ongemakkelijk.”

Het is nooit uit de hand gelopen, aldus Andreas. Dat kon ook moeilijk: de verschillende doopgroepen hadden op voorhand een draaiboek moeten opstellen over het verloop van de avond, dat ze door de doopmeester van Medica moesten laten goedkeuren. Tijdens de doop mocht er geen alcohol gedronken worden en hield de doopmeester een oogje in het zeil om uitspattingen te voorkomen.

“Het is het waard geweest”, zegt Andreas. “Ik heb kennisgemaakt met ouderejaars op wie ik nu kan toestappen als ik vragen heb. Laatst had ik voor een practicum een dissectieset nodig, die ik van een van mijn kopers heb mogen lenen.”

Hij zou zich zo opnieuw laten dopen, verzekert Andreas. “De sfeer is goed, je maakt vrienden en je voelt je verbonden met andere schachten. Ik raad het iedereen aan.”

Kaars in je achterwerk

“Bij kleine, regionale clubs die niet verbonden zijn aan een faculteit, zoals Reuzegom, is het risico dat de boel ontaardt groter dan bij een studentenvereniging die een faculteit vertegenwoordigt”, zegt Sander (*), die als voormalig preses en presidiumlid ervaring heeft met het Leuvense studentenleven. Vandaag bekleedt hij een topfunctie in een van ’s lands grootste banken.

“Als student handelsingenieur was ik lid van een gemengde vereniging, dus bij ons ging het er soft aan toe. Onze dopen waren ludieke spelen op een grasveld. Maar er waren clubs waarbij de dopen elk jaar erger werden, omdat de ouderejaars niet aanvaardden dat iemand zachter werd gedoopt dan zij het jaar voordien.”

En ja, Sander voelde wel dat hij destijds in een machtspositie zat, zeker als preses. “Studenten konden aangeven wanneer ze het te ver vonden gaan, maar ik kan me voorstellen dat daar achteraf over geroddeld werd. Je deed zelf ook weleens zot, bijvoorbeeld een fles whisky ad fundum leegdrinken als je kandidaat was voor een functie. Maar dat werd niet opgelegd, dat was uit vrije wil.”

Het ergste dat Sander ooit heeft meegemaakt, is dat schachten tijdens een cantus als vod werden gebruikt: zichzelf op hun buik voorttrekkend zorgden de eerstejaars ervoor dat de tafels proper bleven. En van vrienden hoorde hij dat er in mannenclubs zoiets bestond als de kandelaar, waarbij schachten op hun buik op een tafel moesten gaan liggen en een kaars in hun ontbloot achterwerk geduwd kregen.

“Omdat wij ook meisjes hadden, deden wij geen naaktopdrachten, maar ik weet dat er clubs waren waar drie naakte mannen op elkaar moesten gaan liggen en het bier langs drie achterwerken werd gegoten, waarna de grootste sukkelaar het onderaan met zijn mond moest opvangen. Toen ik dat hoorde, vond ik dat onze opdrachten niets voorstelden. Wij waren een feestclub, een vereniging waarbij amusement vooropstond, niet de schaamte en de vernedering.”

Geike Smeets, eerstejaars communicatiewetenschappen aan de KU Leuven, is blij dat haar studentenvereniging Politika al lang geen dopen meer organiseert. “De hele dag opdrachten uitvoeren tegen je zin: wat is het nut daarvan?”, vraagt ze zich af. “Een vriendin die na haar doop naar mijn kot kwam, vond het maar vies. Ik moet toegeven dat de verhalen die op voorhand de ronde deden me bang hadden gemaakt. Ik wist niet dat je van te veel water drinken in coma kunt geraken. Je kunt wel neen zeggen tegen opdrachten, maar je wilt niet het mietje van je jaar zijn.

“Politika heeft een peter- en meteravond georganiseerd, waarvoor we in groepjes werden verdeeld. Met mijn groepje spreek ik nu regelmatig of om iets te gaan drinken of te gaan bowlen. Zo heb ik met ouderejaars kennisgemaakt die mij bij Radio Scorpio (de Leuvense studentenradio, SS) geïntroduceerd hebben. Ik heb ook mensen leren kennen, zonder dat ik daarvoor vernederd hoefde te worden.”

(*) Sander en Zanna zijn schuilnamen

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234