Maandag 25/10/2021

De stem waar kinderen bang voor zijn

Lee Hazlewood, de Amerikaanse tegenhanger van Gainsbourg

'These Boots Are Made For Walking', 'Sand', 'Some Velvet Morning': het zijn sixties-hits die iedereen kent. Na een carrière van een halve eeuw is de man achter die liedjes nog altijd een cultfiguur. Hoewel. Op zijn tweeënzeventigste wordt Lee Hazlewood, de excentrieke Amerikaan die ooit duetten zong met Nancy Sinatra en de jonge Phil Spector de knepen van het producersvak bijbracht, door een nieuwe muzikantengeneratie op handen gedragen. Zopas verscheen zijn eerste plaat in vijfentwintig jaar. Een revival is in aantocht.

Dirk Steenhaut / Foto Alex Vanhee

Zijn voornaamste drijfveer is "de angst arm te zijn", zijn enige ambitie "heelhuids door dit leven te komen". Lee Hazlewood is een vreemde vogel, zoveel is zeker. Tijdens het interview zet hij niet één keer zijn honkbalpet en zonnebril af en echt enthousiast wordt hij pas als zijn favoriete onderwerp, geld, ter sprake komt. Maar tegelijk blijft hij verrassend nuchter en bescheiden voor een man die zijn songs vertolkt zag door Elvis Presley, Dusty Springfield, Nick Cave en Lydia Lunch, als producer Frank Sinatra en Dean Martin tot zijn cliënten mocht rekenen en zijn werk verspreid zag op ruim zestig miljoen platen.

Eigenlijk had Hazlewood zich al geruime tijd teruggetrokken, maar sinds zijn muziek opnieuw onder de aandacht werd gebracht door relatief jonge bands als Tindersticks, Lambchop en Calexico zijn alle ogen en oren plots weer op de Amerikaanse Gainsbourg gericht. Op de vooravond van zijn drieënzeventigste verjaardag heeft hij een uitstekende nieuwe cd uit, worden zijn onvindbaar geworden oudere platen geleidelijk heruitgebracht en begint hij zelfs schoorvoetend weer op te treden. Dat pensioen zal dus nog even moeten wachten.

"Ik word vooral door jonge mensen benaderd", vertelt hij met een lijzige Texaanse tongval. "Eigenaardig toch? Wat me het meest frappeert, is dat ze meer belangstelling blijken te hebben voor mijn obscure spullen dan voor mijn hits. Als ik hen vraag hoe het komt dat ze mijn nummers kennen, antwoorden ze steevast: 'Mijn grootmoeder had een van je platen.' Nou, groet je oma van me, jongens! Zelf leefde ik in de overtuiging dat het onbeduidende liedjes waren, waar niemand meer om maalde. Tenslotte had ik ze louter voor mezelf geschreven. Maar blijkbaar zijn ze meer waard dan ik dacht."

"Sinds de vroege jaren negentig kreeg ik op mijn kantoor in L.A. steeds vaker platen opgestuurd van groepjes die mijn songs onder handen namen. 'Da's bizar', dacht ik. Ik begreep het niet goed, al was ik er zeker ook niet boos om. En voor ik het wist was er die hommageplaat, Total Lee! De initiatiefnemers kwamen zelfs speciaal naar Texas gevlogen om ze me te laten horen. De meeste van die nieuwe bands kende ik helemaal niet, maar ik hield wel van hun benadering: hoewel ze trouw bleven aan de geest van de liedjes keerden ze ze binnenstebuiten en voegden ze er iets van zichzelf aan toe. Dat deed me veel plezier. Vaak vond ik hun ideeën zelfs beter dan de mijne."

Hazlewood publiceert binnenkort zijn autobiografie, die, met een titel als The Pope's Daughter, de katholieke gemeenschap gegarandeerd op het verkeerde been zal zetten. "Zo was het niet bedoeld", grinnikt hij. "De paus in kwestie is immers Frank Sinatra en het boek gaat vooral over het frivole leventje dat zijn dochter Nancy en ik leidden tijdens de jaren zestig. Maar enkel de personages zijn echt, al de rest is verzonnen. Ik heb de gebeurtenissen behoorlijk aangedikt, omdat de naakte feiten een veel te saai boek zouden hebben opgeleverd. Ik zie het als luchtige vakantielectuur die, met een beetje geluk, de lezer aan het lachen zal brengen."

In zijn hoesaantekeningen bij Requiem for an Almost Lady, een van zijn onlangs heruitgebrachte platen uit de jaren zeventig, schrijft Lee Hazlewood: "Als je, zoals ik, al zeven decennia in en uit hebt geademd, ben je geneigd te denken dat je wijzer bent geworden. Dat is niet zo. Je bent hooguit voorzichtiger. Maar voorzichtigheid is eigenlijk uit den boze: het doodt alles wat je leven interessant kan maken. Dus probeer ik me er maar niet aan te bezondigen."

"Wie jong is, past niet op zijn tellen omdat hij nog in de waan verkeert dat hij eeuwig zal leven", vertelt Hazlewood. "Anderzijds prenten heel wat oudere mensen zich in dat ze vanaf een bepaalde leeftijd een hoop dingen niet meer kunnen doen. Flauwekul natuurlijk: wie zo behoedzaam door het leven gaat, veroordeelt zichzelf na zijn vijftigste tot een grenzeloos saai bestaan. Ik neem mezelf wel in acht hoor. Zo laat ik me een keer per jaar medisch onderzoeken en tot nu toe blijk ik niets te mankeren. Hout vasthouden dus, want telkens wanneer ik terugkeer naar Texas om er mijn oude vrienden te bezoeken, is er weer eentje dood. Dat is triest, al ben ik tegelijk blij omdat ik er zelf nog altijd ben. Daar staat tegenover dat ik me niet langer haast om dingen gedaan te krijgen. Maar hoeveel kerels van tweeënzeventig ken jij die het nog kunnen opbrengen op een podium te klimmen en te zingen voor een publiek dat haast uitsluitend uit vijfentwintigjarigen bestaat? En ik kom er nog mee weg ook. Altijd fijn te weten dat je je tijd niet staat te verbeuzelen. Het is hard labeur, zeker, maar ik beleef er ook lol aan."

In de vroege jaren zeventig strandde Hazlewood in Zweden en sindsdien heeft hij in minstens zeven Europese landen gewoond. Op een leeftijd waarop de meeste mensen juist geneigd zijn het een beetje kalmer aan te doen, cultiveerde de Amerikaan zowaar de levensstijl van een bohémien.

'Noem me maar een kruising tussen een vagebond en een zigeuner", lacht hij. "Met rusteloosheid heeft het echter niets te maken. Ik trek van de ene plek naar de andere omdat ik het me kan veroorloven. De meeste mensen die ik ken, hebben daar immers het geld niet voor. Kijk, ik beheers slechts één taal, en het voordeel een poosje in een land te wonen waar ze geen Engels spreken is dat je je geest helemaal tot rust kunt laten komen. Het stoort me niet omringd te zijn door mensen die me niet begrijpen: je hebt gezelschap, maar je hoeft geen moeite te doen om met iemand een gesprek aan te knopen. Een jaar in Spanje of Duitsland kan dus best wel deugd doen. Voorts verhuis ik vaak omdat een vreemde omgeving me inspireert, me ideeën bezorgt die ik anders wellicht niet zou krijgen. Niet dat ik me na drie maanden in Andalusië plots op flamenco ga storten of zo, ik bewaar de attitude van een Amerikaan."

Na zijn militaire dienstplicht, die hem de Koreaanse oorlog had ingestuurd, zette Lee Hazlewood in de vroege jaren vijftig zijn eerste stappen in Muziekland als radio-dj in Phoenix. Hij liep er meteen in de kijker met zijn excentrieke stemmenimitaties.

"Voor dat radiostation was het geen slechte deal: ze kregen drie personages voor de prijs van een", vertelt hij schertsend. "Hoewel ik niet bepaald een ochtendmens was, gaven ze me een programma tussen vijf en negen. Ik moest iedere ochtend om vier uur uit de veren, maar het was dat of een verblijf in Poverty Prison. Om het voor mezelf leuk te houden, introduceerde ik op een bepaald moment twee extra personages, met wie ik in de ether discussieerde en ruziemaakte. Ik zette hun stemmen vooraf op band, zodat ze elkaar konden onderbreken en het leek alsof we met zijn drieën in de studio zaten. "Ook nam ik de gewoonte aan nepweerberichten voor te lezen. Niets is saaier dan het weer in Arizona: het is er altijd zonnig en warm. Dus zei ik dingen als: 'Nou kids, jullie kunnen vandaag niet naar school, er is een sneeuwstorm opgestoken.' Het stelde allemaal niet veel voor, maar de luistercijfers gingen wel steil de hoogte in. Op mijn salaris had dat helaas geen invloed, wel had ik tijd om te schrijven en met tapes te knoeien." In die periode leerde Lee Hazlewood Duane Eddy kennen. De zestienjarige gitarist, die in het voetspoor hoopte te treden van de grote Chet Atkins, kreeg van de dj wekelijks alle countryplaten toegestopt die de playlist niet hadden gehaald. Ze begonnen samen muziek te maken en kort daarna zou Eddy wereldberoemd worden met zijn karakteristieke twang sound, waarvan eigenlijk Hazlewood de architect was.

"Toen ik nog op school zat, hoorde ik toevallig een pianist die de melodieën altijd op de laagste noten van zijn klavier speelde. Dus dacht ik: zoiets moet op een gitaar ook mogelijk zijn. Duane was aanvankelijk niet zo enthousiast, maar het werkte. 'Rebel Rouser' werd een hit en dankzij dat trucje wist hij een respectabel aantal plaatjes te slijten. Alleen al tussen 1958 en '62 waren het er zo'n dertig miljoen, geloof ik. Ons geheim was dat we nooit iets forceerden. Als we in de studio zaten en geen goede ideeën hadden, gingen we gewoon een paar uur paardrijden in de woestijn en pakten we daarna de draad weer op. Het ging er heel ontspannen aan toe, we waren ook piepjong in die tijd. Maar de muzikanten met wie ik in die dagen als producer in zee ging, hebben achteraf allemaal carrière gemaakt in L.A. Daar ben ik nog altijd trots op."

Blijkbaar had Hazlewood een goede neus voor zaken, want halverwege de jaren vijftig richtte hij zijn eigen platenmaatschappij en muziekuitgeverij op. "Dat was bittere noodzaak", relativeert hij. "Geen hond wilde mijn liedjes publiceren of opnemen. Achteraf bekeken niet onterecht, want die eerste probeersels waren niets waard. Ik hoop dus dat niemand op het idee komt die oude tapes weer op te graven. Maar goed, ik nam het heft in eigen handen en daar ben ik nu erg blij om: ik bezit nog altijd 90 procent van mijn copyrights en die hebben me de jongste decennia meer dan aardig in leven gehouden. (lacht) Maar mocht toen iemand interesse hebben getoond, dan had ik mijn vrijheid en onafhankelijkheid met plezier verkocht. Later, toen de platen waar ik bij betrokken was goed begonnen te lopen, kwam die belangstelling er ineens wel. Maar op dat moment was ik gelukkig al pienter genoeg om te snappen hoe de business in elkaar zat en had ik niemand meer nodig."

In de daaropvolgende decennia zou Lee Hazlewood zich manifesteren als een van de veelzijdigste persoonlijkheden uit de populaire muziek. Behalve als producer, platenbaas en muziekuitgever was hij ook actief als talentenjager, arrangeur, zanger en filmacteur.

"Het is niet omdat ik me aan al die disciplines heb gewaagd, dat ik er ook voor deugde", zegt hij. "Ik beschouw mezelf als een vrij goede songwriter. Tenminste, voor wie geen aanstoot neemt aan bepaalde vormen van eh... incongruentie. Schrijven gaat me heel makkelijk af, maar het is altijd fictie, het gaat nooit over mezelf. Volgens mijn vriend en gitarist Al Casey vind je mijn beste ideeën doorgaans op de bodem van de prullenmand. Ik schrap veel, omdat een liedje me pas bevalt nadat ik het tot iets oersimpels heb herleid. Een song als 'Sugartown' wordt door velen als infantiel afgedaan, maar het heeft me een maand van mijn leven gekost om hem zo te krijgen. Andere nummers klinken dan weer behoorlijk complex. In dat geval is mijn uitgangspunt: ik heb diep moeten nadenken terwijl ik het schreef, dus nu mag de luisteraar ook wel even zijn hersenen pijnigen.

"Voorts geloof ik dat ik een degelijke producer ben, maar dat is het zo'n beetje. Al die andere dingen heb ik alleen maar gedaan omdat ze het me vroegen. Eerst wilde ik altijd weten hoeveel poen ze ervoor overhadden. Uit principe vroeg ik dan meer en meestal kreeg ik nog mijn zin ook. Dat leverde aardige extraatjes op. Mijn hele leven draait om hebzucht. (lacht)"

In 1956 scoorde Hazlewood zijn eerste grote hit toen zijn nummer 'The Fool' werd opgenomen door Sanford Clark, een oude schoolmakker. Zingen deed hij toen alleen nog maar op demo's, die hij opnam om zijn liedjes aan potentiële vertolkers te laten horen. "Ik heb nooit het gevoel gehad dat ik kon wedijveren met echte zangers", stelt hij. "Op vocaal vlak had ik totaal geen ambitie. Tot bleek dat het best winstgevend kon zijn. Toen zong ik natuurlijk wél."

Zijn eerste plaat onder zijn eigen naam, Trouble is a Lonesome Town, nam Lee Hazlewood op in 1963. Daarna zouden er nog zo'n twintig langspelers volgen, maar het commerciële succes ging systematisch aan hem voorbij. Voelde hij zich onderschat? "Absoluut niet. Ik hoefde er trouwens niet van te leven: mijn andere activiteiten waren lucratief genoeg. God weet dat ik geen muzikant ben. Mijn akkoordenkennis is beperkt en mijn gitaar- en pianospel zijn behoorlijk rudimentair. Een zanger ben ik al evenmin: ik heb het soort stem dat kleine kinderen de stuipen op het lijf jaagt. Nee, dan hoor ik mijn liedjes liever vertolkt door iemand die echt kan zingen."

Hazlewoods lage, donkere grafstem, verwant aan die van Johnny Cash, mag dan al totaal ongeschikt zijn voor belcanto, ze straalt een dwingende autoriteit uit die je mist als zijn werk door derden wordt geïnterpreteerd. Maar als de man een ereplaats verdient in iedere popencyclopedie, komt dat toch vooral door zijn verdiensten als producer. Lee Hazlewood was een pionier die baanbrekende opnametechnieken introduceerde, in een tijd toen vindingrijkheid nog belangrijker was dan technologisch vernuft. Zo was hij de eerste die op het idee kwam een graansilo als echokamer te gebruiken.

"Pfff... Je hoefde geen raketgeleerde te zijn om op het idee te komen aan het ene eind van een metalen cilinder een luidspreker te bevestigen en aan het andere een microfoon. Al heb ik minstens tweehonderd van die rotdingen moeten uitproberen, voor ik de echo kreeg waarmee we Duane Eddy's sound hebben gecreëerd. Tja, soms reikten we naar de sterren en kwamen we niet hoger dan de boomtoppen, maar om de een of andere reden kwamen we ermee weg. Weet je, de studio waar ik die allereerste hits opnam, was zo klein als een doorsneetoilet. De graansilo waar je het net over had, moest dus buiten blijven staan. Als we een rustig nummer inblikten, zagen we ons soms verplicht er halverwege mee op te houden, omdat de vogels te veel lawaai maakten of omdat de regen tegen de metalen wanden tikte. Ik zweer het je: op sommige van Duanes platen kan ik het getsjilp van de mussen nog altijd horen. Maar vandaag staat het ding als een curiosum in een duur studiocomplex in Arizona en zijn er toeristen die geld betalen om ernaar te mogen kijken. (hoofdschuddend) Vraag me niet waarom.

"Met de digitale technologie van vandaag krijg je al die effecten in twee seconden. Koud kunstje, je hoeft alleen de juiste knop in te drukken. Die snelheid is een voordeel, want wij deden er vroeger soms dagen over om een bepaalde klankkleur te vinden. Je moest vooral geduld hebben."

Hazlewood heeft zich altijd aangetrokken gevoeld tot bevreemdende en vervormde geluiden. In dat opzicht was hij al een voorvechter van de lofi-ethiek, jaren voor die term werd uitgevonden. "Ik hield van dingen die rafelig en onopgesmukt klonken", legt hij uit. "Er moest een scherp randje aan zitten. Op een dag hoorde ik een countryplaat met een rare zoemtoon erop. Bleek dat de artiest, ene Marty Robbins, op een kapotte versterker speelde. Het effect was fantastisch, dus vanaf dat moment ging ik koortsachtig op zoek naar die klank. Om uit te vogelen hoe ik het gewenste resultaat kon bereiken, heb ik tientallen versterkers om zeep geholpen. Maar zelf heb ik echt niets uitgevonden. Ik hoorde het alleen een beetje vroeger dan de meeste andere mensen."

Lee Hazlewood was ook de mentor van Phil Spector, de man die popgeschiedenis zou schrijven met zijn karakteristieke wall of sound-producties. Maar ook nu haast onze gesprekspartner zich om zijn aandeel resoluut te minimaliseren. "Phil heeft een tijdje in onze studio gewerkt, maar geloof me vrij: van mij heeft hij weinig opgestoken. De man is een genie en alles wat hij heeft bereikt is zijn eigen verdienste."

Halverwege de sixties, hij was toen vijfendertig, besloot Hazlewood zich uit de muziekbusiness terug te trekken, uit onvrede met de zogenaamde Britse invasie. "Ik hield absoluut niet van The Beatles, hoorde op hun platen niets spectaculairs of origineels. Maar hun succes was zo fenomenaal dat alle andere muziek erdoor werd weggedrukt. Dus nam ik vakantie tot de bui overwaaide. Op een gegeven moment, net voor The Fab Four bij Capitol tekenden, kreeg ik zelfs de kans twee van hun masters te kopen. Maar ik vond er niets aan. Dom van mij natuurlijk: achteraf bekeken zouden die dingen mij een fortuin hebben opgeleverd. Maar op Rubber Soul na vind ik hun platen zelfs vandaag nog altijd niet te pruimen."

Tijdens zijn sabbatperiode werd Lee Hazlewood benaderd met het verzoek zich te ontfermen over zangeres Nancy Sinatra, de toen vijfentwintigjarige dochter van Ol' Blue Eyes Frank. "Ik had er niet veel zin in", herinnert hij zich, "maar uiteindelijk liet ik me overhalen. Van de eerste single die ik met haar opnam, werden 50.000 stuks verkocht, dus maakten we er een tweede: 'These Boots Are Made For Walking'. Dat nummer had ik enkele jaren voordien geschreven nadat ik in een bar in Texas toevallig een gesprek had opgevangen tussen enkele kerels. Een van hen, een vent van een jaar of veertig, was net getrouwd met een vrouw die maar half zo oud was en werd wat door zijn vrienden gejend. Ze lachten dat hij haar niet de baas kon. De man legde zijn voeten op tafel en zei: 'Zie je die laarzen? De dag dat ze met een ander rotzooit, zullen ze helemaal over haar heen lopen.' In mijn hoofd ging meteen een lichtje branden. Ik schreef alles op en toen Nancy het later hoorde, wilde ze het per se opnemen. Ik vertelde haar dat het alleen zou werken als ze zong zoals een veertienjarig snolletje dat het aanlegt met een potige vrachtwagenchauffeur. Wel, blijkbaar had ze het vanaf de eerste keer beet. (lacht)

"De mensen zeggen wel eens dat ik Nancy heb gekneed, maar dat is je reinste flauwekul. Ik schreef de liedjes, producete de platen en suggereerde dat ze twee tonen lager zou zingen dan ze gewend was. Haar imago van blonde motorvamp creëerde ze echter helemaal zelf: iedere keer dat ik haar ontmoette, zag ze er anders uit. Slim, want zo werd ze opgemerkt. Zelf dacht ik dat ze van 'Boots' misschien wel 100.000 exemplaren zou kunnen verkopen; het werden er vijf miljoen. Maar wie beweert dat zoiets te voorzien was, is een verdomde leugenaar."

Daarna volgden befaamde Nancy & Lee-duetten, type 'Summer Wine', 'Some Velvet Morning' en 'Sand', die hun succes gedeeltelijk dankten aan het feit dat het duo herinnerde aan de Schone en het Beest. Een saillant detail is dat Lee Hazlewood er, in een klimaat dat nog aanzienlijk preutser was dan dat van vandaag, moeiteloos in slaagde liedjes waarvan de teksten refereerden aan drugsgebruik en sadomasochistische seks in de toptien te krijgen.

"Miljoenen mensen dáchten dat die songs vol perversiteiten zaten, maar dat berust louter op interpretatie", pareert Hazlewood. "Zelf heb ik nooit iemand verteld waar die liedjes over gingen. Ook Nancy wist het niet. 'Hij schrijft ze, ik zing ze, en het brengt ons een aardige stuiver op', zei ze altijd. 'Meer kan ik er niet over zeggen.' Ach, we waren er niet op uit de muziekbiz te veranderen. De uitdaging bestond erin de platen te doen verschillen van de concurrentie, zodat ze zouden opvallen. Maar het liefst ook niet te veel.

"Het klopt dat ik wel eens door de censoren ben aangesproken op vermeende dubbelzinnigheden. Mijn antwoord luidde dan steevast: 'Als je iets in mijn teksten vindt wat je niet kunt laten horen aan een kind van zes, haal ik het er wel uit.' Maar ze konden nooit iets vinden. Weet je: als je vijf bent begrijp je het zus, als je vijftien bent begrijp je het zo en als je ouder bent dan vijfendertig wil je er sowieso niets meer mee te maken hebben. (lacht) Want in die tijd maakten we geen platen voor oudere mensen. Het waren simpele, onbeduidende liedjes. Maar de manier waarop Nancy ze zong, was geweldig."

Inmiddels is Lee Hazlewood haast een halve eeuw actief in de muziekindustrie en in die vijftig jaar is er ontzettend veel veranderd. Alles draait nu om snel gewin, waardoor artiesten niet langer de tijd krijgen zich echt te ontwikkelen.

"Mocht ik vandaag beginnen, dan zou het er voor mij niet al te best uitzien", zucht hij. "De muziekwereld is een jungle vol wilde dieren: het gevaar loert er uit iedere hoek. Ik herinner me nog de tijd dat contracten werden afgesloten met een eenvoudige handdruk. Vandaag komt daar een heel leger advocaten aan te pas. Die eerlijkheid, dat ambachtelijke, het is voorgoed verleden tijd. Ik zou dan ook niemand aanraden in de muziekbusiness te stappen. Ik heb er wel plezierige momenten beleefd, maar ook veel pijnlijke. De liedjes waar je echt in gelooft, verdwijnen in de obscuriteit en die waar je niets om geeft, groeien uit tot hits. En of je nu songschrijver, zanger of producer bent, de waarde van je werk wordt altijd afgemeten aan de verkoopcijfers.

"Alles bij elkaar heb ik nog geen vierhonderd songs geschreven, maar een vierde ervan heeft geld opgebracht. Vergeleken met de meeste van mijn collega's is dat geen kwaad gemiddelde. Nu heb ik een punt in mijn leven bereikt waarin een hoop mensen zelfs belangstelling heeft voor de overige 75 procent. Dat is puur geluk, het heeft niets met talent te maken. Ik ken zoveel liedjesschrijvers die fantastisch materiaal hebben geschreven, alleen hebben ze minder mazzel dan ik. Het is gek: de jongste tien jaar heb ik geen klap meer uitgericht en nu word ik ineens door de omstandigheden teruggeroepen. Daar geniet ik wel van. Het voordeel is dat ik niets meer kan doen om mijn carrière te ruïneren, want ik heb er nooit een gehad. Het was veeleer een fantastische non-carrière. Ja, schrijf dat maar op: een geweldige non-carrière."

De cd's 'For Every Solution There is a Problem' en 'Total Lee! The Songs of Lee Hazlewood' zijn verschenen op City Slang / Virgin. Lee Hazlewood treedt op 20 september op in het Koninklijk Circus in Brussel.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234