Donderdag 09/07/2020

ReportageToerisme

De spannendste wandelweg van België ligt in Brussel

Thurn & Taxis is een stadsdeel in volle ontwikkeling, rond het voormalige goederenstation Gare Maritime en het gerenoveerde Koninklijk Pakhuis. Beeld Tim Dirven

Het jaagpad langs het Brusselse Kanaal is wellicht de spannendste wandelweg van ­België. Nergens zie je zo scherp dat Brussel niet één stad, maar vele steden is. Van de Ring in Anderlecht tot de Ring in Vilvoorde: een dagwandeling van 14 kilometer langs de waterkant die de toekomst toont.

Op reis in de achtertuin

Voor velen van ons wordt het deze zomer een vakantie niet ver van huis. Wij trekken negen weken lang naar allerlei dichtbij-plekken, op zoek naar verrassende ontmoetingen, openhartige mensen en veelzeggende verhalen. Vandaag: journalist Pascal Verbeken stapt langs het kanaal in Brussel.

De Veeweydekaai aan het Kanaal Brussel-Charleroi, 9 uur ’s ochtends. Boven mijn hoofd dendert het laatste spitsverkeer over de brug van de Grote Ring in Anderlecht. Le pont des biftons, zo is ze bekend en berucht. In de loden jaren 80 dumpten criminelen nergens in België meer auto’s in het water dan hier. Dat leverde de duikers van de brandweer telkens een leuke premie op, een bifton, om de wrakken weer aan wal te brengen.

Vandaag is alles rustig aan het waterfront. Ook het rumoer van de vijfentwintig Kanaalwijken en de meer dan tweehonderdduizend Brusselaars die er wonen – een vijfde van de stad – dringt nog niet door. Als je het Ringviaduct, de koeltoren van Drogenbos en de joggers in fluoshirts wegdenkt, lijkt het Kanaal hier eigenlijk sterk op een oude postkaart. Een vaart met eendjes, verzonken in het groen.

Het Kanaal schiep de fabrieken die de rijkdom van Brussel produceerden. En die fabrieken schiepen de arbeiderswijken waaruit het socialisme ontstond. Van het jaagpad loopt een sluipweggetje langs een voetbalveld naar Het Rad, de Anderlechtse tuinwijk die in de jaren 20 gebouwd werd om de arbeiders licht, lucht en groen te geven. De straatnamen verwijzen naar de socialistische leiders en hun idealen: Democratiestraat, Solidariteitsstraat, Volhardingslaan. Alles ademt geloof in de toekomst.

Binnenvaart aan de brug bij Sainctelette. ‘Vanaf het water zie je pas hoe heuvelachtig Brussel is’, zegt Nick Trachet van de Seascouts. Beeld Tim Dirven

In de Wilstraat zit Pierre Demol gehurkt op het trottoir voor zijn huisje om met een gasbrander het onkruid tussen de stoeptegels te lijf te gaan. Hij leeft al heel zijn leven met het Kanaal: “Het Kanaal bracht brood op plank. Mensen van het Rad werkten in het textiel bij Les Laines d’Aoust of in het suiker bij de Raffinerie Tirlemontoise. Kanaal­bedrijven.

“Maar het was ook een ontspanningsgebied. Mijn vader ging voor de Tweede Wereldoorlog regelmatig zwemmen in het Kanaal. Zelfs ’s winters nam hij een duik. In de buurt van de elektriciteitscentrale was er een plek die nooit dichtvroor omdat het opgewarmde koelwater er geloosd werd. Gezond zullen die zwempartijen niet geweest zijn. Het water was toen veel meer vervuild. Fabrieken en rioleringen waren recht­sreeks op het kanaal aangesloten. In en naast het water was de natuur dood. Vandaag zie je weer ganzen en eenden op het water.”

Baquets de Charleroi

Langs het Batelagedok, even voorbij Het Rad, ligt een dreef met een dubbele rij oude beuken. Nergens lijkt het Kanaal meer op de pittoreske Damse Vaart tussen Brugge en Sluis. Nochtans liggen dichtbevolkte, kosmopolitische wijken als Kuregem en Oud-Molenbeek op een steenworp. De machtige boomkruinen ritselen luid in de wind, alleen overstemd door de sirenes van een verre ambulance. Dit is de favoriete kilometer van Brusselse joggers en Kanaalfietsers. In trainingspakken van futsal- en boksclubs lopen ze voorbij.

De overkant van het dok is een ligplaats voor een twintigtal woonboten waaronder nog enkele originele baquets de Charleroi. De blokvormige sleepboten werden in de negentiende eeuw speciaal gebouwd voor het kolentransport op dit Kanaal. Ze vervoerden het zwarte goud uit de mijnen van le pays noir die de Brusselse industrie deden draaien.

Varend havencontroleur Guy Vandecasteele is inmiddels gepensioneerd, maar half Anderlecht noemt hem nog altijd ‘le capitain’. Uitgerust met een zeemansbaard en tonnen Brusselse bonhommie handhaafde hij de orde op de Brusselse wateren. Tot ver in Vlaanderen en Nederland wisten schippers dat er met hem veel te lachen, maar niet te spotten viel. Slechts weinigen hadden geloofd dat Guy ooit zelf vijftien jaar lang als een vrijbuiter op een woonboot leefde. In dit Batelagedok.

“Mensen op woonboten zijn vaak van een speciaal slag”, weet hij uit ervaring. “Ze kiezen voor een leven aan de rand van de maatschappij. De buitenwacht zag ons als marginalen, maar we deelden gewoon een passie voor vrijheid, voor een leven zonder veel regels. We hielden van de gedachte dat je elk moment kunt wegvaren, van het moment waarop je de loopbrug ophaalt en je helemaal op jezelf bent. We waren een soort bohème, maar geen bobo’s zoals je ze vandaag tegenkomt.”

Pepijn Kennis van Allee du Kaai: ‘Wij staan open voor iedereen die geen stek heeft in Brussel.’ Beeld Tim Dirven

Voor hij op het zoete Kanaalwater terechtkwam, voer hij als zeeman op een koopvaardijschip.

“Mijn allereerste reis ging meteen naar New York. Die stad naderen langs het Vrijheidsbeeld, dat blijft een hoogtepunt in mijn leven. Ik zag er kleurentelevisie, snooker – allemaal fenomenen die ze hier alleen kenden van horen zeggen. Zesentwintig keer ben ik het Panamakanaal doorgevaren met een bananenboot op het traject Antwerpen–Ecuador.”

De pont des biftons is hem goed bekend. “Vooral de jaren 90 waren woelige jaren. Toen moesten we meerdere keren per week een brandkast of een gedumpte auto uit het water laten halen. Op den duur hoefde ik zelfs mijn apparatuur om de bodem af te speuren niet meer te gebruiken. Ik lette gewoon op de bandensporen in het gras.

“Ik heb altijd gehouden van die job. Omdat ik zelfstandig kon werken. Eigenlijk leefde ik in mijn eigen koninkrijk, zoals eerder op de woonboot. Maar er zijn wel herinneringen die blijven. Zoals de drenkeling wiens leven ik redde. Drie weken later overleed hij toch. Dan vraag ik me af: heb ik die man zijn lijden niet verlengd?”

Op het Zwart Eiland

Het Brusselse Kanaal had altijd een onweerstaanbare aantrekkingskracht op wandelende schrijvers en kunstenaars. Zo waren er Koen Peeters en Kamiel Vanhole die in het curieuze kleinood Bellevue/Schoonzicht ruïnes van brouwerijen en uitgebrande goederenstations binnendrongen. Het boekje zat ooit gratis bij deze krant. Maar de bekendste Kanaalwandelaar was Louis Paul Boon, ook al had hij een haat-liefdeverhouding met Brussel, de stad die hij steevast omschreef als ‘dat grauwe ding ginds in de verte’.

In enkele van zijn beste bladzijden uit Brussel een oerwoud beschreef hij de overkant van het Batelage- en Biestebroekdok. Daar lag het Zwart Eiland waar na de oorlog een onderwereld van ‘lompenscharters en krabbers’ probeerde te overleven in bidonvilles van eternit en golfplaat rond een enorm stort. Manilla-aan-het-Kanaal.

Ongeveer op de plek van het Zwart Eiland staat nu het bouwproject Key West op stapel, een buurt van luxueuze woontorens bij een jachthaventje. Boons onderwereld bestaat nog altijd, maar zit even verderop, in de kosmopolitische Kanaalwijken van Molenbeek en Anderlecht, grenzend aan dit Biestebroekdok. Met dit verschil: de bewoners zijn geen ingeweken Vlamingen meer afkomstig uit verarmde boerendorpen, maar vooral gelukzoekers uit zwart Afrika, de Maghreb en Oost-Europa.

De Biestebroekbrug is de poort naar Kuregem, een van de dichtstbevolkte, meest kosmopolitische aankomstwijken van Brussel. Wie hier aanspoelt, vertrekt vaak weer binnen het jaar. Mar­chands de sommeil die geen huizen, maar matrassen per nacht verhuren doen hier gouden zaken.

Het roemruchte Kuregem ligt enigszins arrogant met de rug naar het water. Een groot deel van de kaaien bestaat uit hekken, schuttingen en blinde muren. De ruige charme van de wijk laat zich pas ontdekken als je de straten dwars op het Kanaal gaat verkennen: de Heyvaertstraat als bastion van de Afrikaanse autohandel, de meest zinderende en groezelige markt van Brussel onder de booggewelven van de Anderlechtse Slachthuizen, de garagemoskeeën en magazijnen ingericht als pinksterkerken of het circuit van Nigeriaanse schoonheidssalons gespecialiseerd in huidbleken en haarextensies.

In het weekend zie je veel Oost-Europese vissers aan de kaaien. ‘Zij zijn dol op karper.’ Beeld Tim Dirven

Aan de linkeroever stemt Molenbeek zijn toekomst veel meer af op het Kanaal. De gemeente was ooit een nietig boerendorp dat door het Kanaal veranderd werd in een industriële boomtown. Het ‘Manchester van het continent’, zo werd Molenbeek ooit genoemd. Sinds de fabrieken dichtgingen en de werkloosheid toesloeg roept de gemeente doembeelden op van werkloosheid, armoede, illegaliteit, religieuze radicalisering en verval. Een gebied dat ‘opgekuist’ moet worden.

Maar uitgerekend aan het Kanaal beginnen veel stadsvernieuwingsprojecten, al dan niet in sociaal-culturele sferen. In de Manchesterstraat kwamen de laatste jaren Recyclart en CinéMaximiliaan, naast Charleroi Danses dat er al langer zat. Verderop kwamen onder meer kunstenmuseum MIMA en een hotel voor backpackers in de oude Belle Vue-brouwerij.

Wandelen met Van Gogh

Onder de brug van Sainctelette trekt het industriekanaal een strenge, zwarte streep van Molenbeek tot aan de einder in Laken. Het is een goed bewaard stadsgeheim, maar langs deze kaai, toen Trekweg geheten, woonde Vincent van Gogh ooit in een kosthuis. Overdag volgde hij zonder succes een opleiding tot protestants evangelist, ’s avonds en ’s nachts maakte hij lange, eenzame wandelingen. Van Gogh voelde zich vooral aangetrokken tot het brokkelige, verweerde Brussel van de Maritiemwijk. De armoedige straten, de dagelijkse overlevingsstrijd van de havenarbeiders deden hem mijmeren over zijn eigen vergankelijkheid. Op de Koolmijnenkaai bij Sainctelette maakte de schilder van de wervelende Provençaalse sterrennachten ooit zijn allereerste nachttekening: het uitgeleefde café Au Charbonnage onder een sikkelvormige maan. Er schijnt licht in de gelagzaal en een kamer op de bovenverdieping, maar er zijn geen mensen te zien. Tegen het café is een schuur aangebouwd met een grote, hoge houten poort waarboven het opschrift ‘Charbons, cokes’ staat.

‘Een klein estaminet alwaar de werklui in hun schofttijd hun brood komen eten en een glas bier drinken’, aldus Van Gogh in een brief aan zijn broer Theo.

De jonge Van Gogh viel als inwijkeling op door zijn magere, benige gestalte. Dat had hij gemeen met zijn leeftijdsgenoten die vandaag in deze buurt rondzwerven, de transmigranten uit Eritrea, Soedan en Afghanistan die via Brussel naar Londen hopen door te reizen. Tijdens de lockdown werd hun gevraagd het Maximiliaanpark te verlaten en “in hun kot” te blijven, maar bij gebrek aan een kot zochten ze hun toevlucht tot de Kanaalkant. Met tientallen zitten en liggen ze op de trappen van de kaaien bij de Citroëngarage, aan de opstapplaats van de watertaxi naar Vilvoorde. Otis Redding zong het lang geleden al in ‘(Sittin’ on the) Dock of the Bay’: de waterkant is geen slechte plek om je dag te verkwanselen als je weinig te hopen of te verwachten hebt.

Bij Allee du Kaai zijn ze wel nog welkom, op het terrein langs de Havenlaan waar stadsactivisten enkele loodsen hebben ingepalmd. Naast de transmigrantenopvang zijn er skaterampen, ateliers, moestuinen en een keuken.

Elke muur is een graffiti-kladblok, op spandoeken prijkt de canon van het internationale verzet: ‘Niemand is illegaal’ en ‘The revolution will not be televised’ van de Black Power Movement. Hier heerst de sfeer van een alternatieve vrijstaat, een stuk Christiania of Kreuzberg.

“We staan open voor iedereen die in de stad geen stek meer vindt”, zegt Pepijn Kennis, pionier van Allee du Kaai en fractieleider van de burgerbeweging Agora in het Brussels parlement. “Ook voor skaters, artiesten met zotte projecten en andere dromers. Hier vinden ze letterlijk een gemene grond. In essentie is dat ook het veelkantige Brussel: een optelsom van talloze bubbels: artiestenbubbels, Vlaamse bubbels, eurocratenbubbels, Marokkaanse bubbels.”

Het terras van Brasserie de la Senne. ‘Voor het brouwen zijn de Brusselse wateren ongeschikt. Er zouden doden vallen’, zegt brouwerij-oprichter Yvan De Baets. Beeld Tim Dirven

Aan de overkant van het Becodok, vijftig meter verder, ligt het omgekeerde spiegelbeeld van Allee du Kaai: de Upsite-wolkenkrabber met 42 verdiepingen, flats van een miljoen euro met ‘upscale livings’ annex zwembad, en daarnaast een oprukkende rij nieuwe appartementsblokken. De vrijheid van de dromers tegenover de vrijheid van het geld.

“Het contrast kan moeilijk groter zijn”, vindt Pepijn. “Ook in de vorm: deze kleurige anarchie tegenover het hoekige zwart, wit en grijs van de blokkendozen. Maar eigenlijk is dat wat een stad ook mag zijn: tegenstelling, conflict, frictie. Ik vrees alleen dat ‘de overkant’ uiteindelijk het laatste woord zal krijgen.

“Meer en meer zijn steden investeringsgebieden van banken en pensioenfondsen. Geen plekken waar nog gewoond wordt, maar waar het geïnvesteerde geld een meerwaarde moet krijgen. Zie je al sociale woningen in die torens? Dit soort gentrificatie en verlofting drijft de armere Brusselaars verder naar Denderleeuw, Ninove en Aalst.”

Na de zomer worden de havenloodsen van Allee du Kaai in fasen afgebroken om plaats te ruimen voor een park. Het vervult Pepijn met gemengde gevoelens en ook wel weemoed. Voorbij zijn ze, de zes wilde, gekke, blije jaren.

“Het zou jammer zijn mocht het toekomstige park alleen maar een keurige esplanade worden voor flanerende ambtenaren, wat gesnoeid groen dat de overkant niet stoort. Een levende stad heeft plekken als deze nodig.”

Tegenover Allee du Kaai, aan de andere kant van de Havenlaan, ligt Thurn & Taxis, het stadsdeel rond het voormalige goederenstation Gare Maritime en het gerenoveerde Koninklijk Pakhuis dat in volle ontwikkeling is. Vanuit Parckfarm, een collectieve moestuin en buurtserre, heb je een een van de meest bijzondere vergezichten in Brussel: de torens van de Noordwijk die verrijzen als een compacte Amerikaanse zakenstad.

Ooit stonk de Brusselse Kanaalzone naar Lambiek, geuze en pils. Er waren honderden staminees, en ook tientallen brouwerijen die één na één verdwenen tot ze in de herinnering vervaagden tot een naam op een oud voetbalshirt. Denk aan Belle Vue op het magische mauve van RSCA. Alleen de Kuregemse geuze- en kriekbrouwerij Cantillon hield nog stand.

Maar zie, uitgerekend in deze Kanaalbuurt beleven kleinere brouwerijen weer een revival. Pionier, bijna twintig jaar geleden, is Brasserie de la Senne, die zonder veel startkapitaal opgericht werd door twee zielsverwante bierfanaten. Een half jaar voor de lockdown verhuisde de brouwerij vanuit Molenbeek naar een groot zilverkleurig bedrijfsgebouw met veel glas op dit Thurn & Taxis. In de zaal achter de brouwketels rinkelen de bierflesjes tegen elkaar op een lopende band. In het rode brouwerijlogo verrijst de Brusselse skyline in een glorende dageraad.

Beeld Tim Dirven

“We zijn trots dat we in die grote Brusselse biertraditie werken”, zegt stichter Yvan De Baets. “Als je goed kijkt zie je in ons logo ook de Zenne, het riviertje dat ooit aan de wieg van de stad stond. Dat is essentieel: al onze biernamen verwijzen naar Brussel. Voor de Tweede Wereldoorlog was Wielemans-Ceuppens, nu kunstencentrum WIELS, in Vorst nog de meest moderne brouwerij ter wereld. Onze ambitie is meer bescheiden. Maar we willen wel bijdragen aan het Brusselse biererfgoed. We hebben hier een traditie van karakterbier zoals geuze. Ook onze bieren hebben die scherpe identiteit. We willen weer de bittere smaak herwaarderen. Na de oorlog kwam er een tsunami van zwaar gesuikerde soda en cola die onze smaak heeft verpest.”

Ergens in de brouwerij gist een nieuw bier dat in het najaar gebotteld wordt: Saison du Kanaal. Als liefhebber van fabrieksarchitectuur had Yvan al langer een band met de waterkant. “Een drukke stad heeft een stroom nodig of op z’n minst wat water dat ons rustig maakt. Nu de Zenne ondergronds loopt, hebben we alleen nog het Kanaal. Het is bovendien een zeldzame plek waar je een ver uitzicht hebt. Voor het brouwen zijn de Brusselse wateren echter ongeschikt. Er zouden doden vallen.”

Het valt inmiddels op: langs het Kanaal veranderen omgeving en sfeer vaak na het passeren van een brug. Het Vergotedok ligt nog in een stofwolk afkomstig van cementfabrieken, overslagbedrijven en schroothandelaren. De decibels van de daverende nijverheid overstemmen het verkeer. Maar na de Troozbrug keert een zekere rust terug. Langs de linkeroever ligt de lange muur van het Koninklijk Domein, het grootste natuurgebied van de stad, ontoegankelijk voor bezoekers. En voorbij de Van Praet-brug verschijnt weer een bevolkingsdeel dat sinds Thurn & Taxis bijna volledig uit het straatbeeld verdwenen was: de blanke middenklasse. Die zit bij een wijntje op de terrassen van de Brussels Royal Yacht Club, met zicht op de jachthaven.

Ook de Nederlandstalige Seascouts hebben hier hun stek. Dertien jaar geleden werd de groep opgericht door Nick Trachet, visserijbioloog en culinair journalist van de stadskrant BRUZZ. Jarenlang voer hij zelf over verre wereldzeeën. Het Kanaal moet hem een dode sloot lijken. “Wel, het krioelt hier nochtans van het leven: paling, snoek, blankvoorn. Ik vergeet nog de snoekbaars, wat toch een nobele vis is in de restaurants. En uiteraard veel karpers. Dat verklaart waarom je tijdens het weekend zo veel vissende Oost-Europeanen langs de kaaien ziet, al dan niet in ladderzatte toestand. Ze zijn dol op karpers. De vis staat vooral in Hongarije en Tsjechië traditioneel op het kerstmenu. Nu moet je weten dat hengelen officieel niet bestaat in Brussel. Je kunt hier geen visvergunning aanvragen. Maar hengelen wordt – op z’n Brussels – wel gedoogd.”

‘In de bietenvelden’

Wat je meteen bemerkt langs deze kaaien, is hoe diep het water ligt. Tot drie, vier meter. Het Kanaal lijkt er een slotgracht.

“Het Kanaal is een soort IJzeren Gordijn, een mentale grens”, zegt Lakenaar Nick. “Daardoor zitten er veel meer Vlamingen aan de noordwestkant van de stad dan in het oosten. Hoofdstedelijke FDF’ers (Franstalige politieke partij die in 2015 werd omgedoopt tot DéFI, red.) spreken nog altijd laatdunkend over de bewoners van deze kanaalkant, de ‘boerenkinkels’ van Laken, Molenbeek en Anderlecht die achter de ‘mur de betteraves’ wonen. In de bietenvelden, zeg maar.”

Nick loopt al lang in de Brusselse straten, zo lang dat hij zich nog herinnert dat er precies op de plek van de chique, glimmende Upsite-toren ooit een café genaamd De Scheepvaart stond. Met als attractie: een rondscharrelend varken in de gelagzaal. “Een proper varken!”, zegt Nick formeel. “Het speelde graag met de klanten. Het café had een voortuintje met een haag, en de ruiten waren altijd netjes gelapt. Dat viel op in de doffe grijsheid van industrie en pakhuizen.

“Weet je, ik moet glimlachen als ik zie hoe al die chouchou-architecten nu hun stempel willen drukken met een ‘belangrijk gebouw’ langs het Kanaal. En hoe vooral Vlamingen per se met zicht op het water willen wonen. Roemenen of Nigerianen kan dat niets schelen. Geef ze eens ongelijk. Ik heb zelf lang gevaren. Ik verzeker je: er zijn mooiere plekken op aarde dan het Kanaal van Brussel.

“Maar het binnenvaren van Brussel blijft heel bijzonder. Vanaf het water krijg je een totaal andere indruk van de stad. Dan zie je pas echt hoe heuvelachtig Brussel is. Op de begane grond besef je dat niet. En het valt ook op hoe onderbenut het Kanaal nog altijd is. Langs de dokken liggen tal van bedrijven, maar ze staan met hun rug naar het Kanaal. De materialen worden aan- en weggevoerd door vrachtwagens die daarvoor de stad in moeten. Rotspijtig.”

Langs de Vilvoordsesteenweg begint de stad uit te rafelen. Er zijn geen woonwijken meer, alleen fabrieken. Duferco. Meunerie Bruxelloise… De namen bladderen van oude muren. Aan het eind van het gewest staat de machtige Brug van Buda wijdbeens over het Kanaal. Als een Arc de Triomphe ter ere van de Brusselse industrie.

Het wordt avond. En tijd om terug te keren. In de verte lijkt de immer roerige hoofdstad zowaar een lieflijk stadje uit een modelbouwdoos.

‘Daar is het reeds Brussel’, schreef Boon aan het eind van zijn Kanaalwandeling. ‘Met licht en mooie huizen en geluk.’

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234