Zaterdag 30/05/2020
Grafstenen langs de Turks-Iraanse grens. De doden hebben hier geen naam.

Reportage

De sneeuw smelt, de doden worden zichtbaar

Grafstenen langs de Turks-Iraanse grens. De doden hebben hier geen naam.Beeld Melvyn Ingleby

Terwijl zich aan de Turks-Griekse grens een vluchtelingencrisis ontwikkelt, voltrekt zich in het oosten van Turkije een ander drama. Vanuit Iran sturen smokkelaars, met hulp van Turkse grenswachters, duizenden Afghanen de bevroren bergtoppen over. Niet iedereen overleeft de barre tocht.

Haast onzichtbaar witte heuveltjes rijzen op uit een dik pak sneeuw. Het zijn grafstenen. Wie de sneeuw weggraaft, stuit op getallen, ziekenhuisafdelingen en verre landen. De doden hebben hier geen namen, maar nummers. ‘Afghaan 1505.’ ‘Spoedeisende hulp, 18 juli 2019.’ ‘Nummer 1863.’

Mohamed Rahmani weet dat hij ernaast had kunnen liggen. De Afghaanse jongen zit verkleumd in de wachtkamer van het busstation in de Turkse grensstad Van, op nog geen vijf minuten rijden van de begraafplaats. “Onderweg hiernaartoe heb ik doodgevroren lijken gezien”, stamelt hij. “Ik dank God dat ik nog leef.” Samen met zestig anderen stak Rahmani een week eerder de Turks-Iraanse grens over. In de wachtkamer van het busstation wacht hij op een seintje van de smokkelaar. Nerveus schieten zijn ogen langs de theeverkopers en de ticketbalie. “Ze zeiden dat ze ons naar Ankara zouden brengen”, mompelt de jongen. “Maar ik zit hier al de hele dag. De smokkelaars zijn niet te vertrouwen.”

De bergen tussen Turkije en Iran verhullen een onopgemerkte vluchtelingencrisis. Met hulp van corrupte grenswachters drijven talloze smokkelbendes hier duizenden mensen per maand de grens over. IJzige wintertemperaturen tot min 40 houden hen niet tegen. Een ware smokkelindustrie haakt gretig in op de wanhoop van vluchtende Iraniërs, Pakistanen, Bengalen en bovenal: Afghanen.

Het Afghaanse gezin Mohseni in hun kale woning in de Turkse stad Van. ‘De smokkelaar stal ons laatste beetje geld.’Beeld Melvyn Ingleby

Hun precieze aantallen zijn onbekend. In Turkije staan momenteel 170.000 Afghanen ingeschreven bij de VN-vluchtelingenorganisatie UNHCR. Daarnaast zegt het Turkse ministerie van binnenlandse zaken vorig jaar ruim 200.000 Afghanen zonder verblijfsdocumenten te hebben aangehouden. Veel Afghanen laten zich niet registreren, omdat ze Turkije vooral als doorreisland zien. Hun werkelijke bestemming is Europa.

Niet Syriërs, maar Afghanen zijn nu de grootste groep vluchtelingen die op de Griekse eilanden aankomen. Ondanks de zogenaamde Turkije-deal, ontworpen om de oversteek naar Europa te voorkomen, bereikten in het afgelopen jaar bijna 24.000 Afghanen de Griekse kust. Dat is anderhalf keer zoveel als het aantal Syriërs dat in datzelfde jaar aankwam en maar liefst zeven keer het aantal Afghanen dat in 2017 de eilanden bereikte.

Die razendsnelle toename hangt in de eerste plaats samen met het oorlogsgeweld in Afghanistan. De strijd tussen de taliban en de door de Amerikanen gesteunde regering eiste in 2018 bijna vierduizend burgerdoden – een record in negen jaar tijd. Hoewel de VS op de laatste dag van februari een vredesakkoord sloten met de taliban, is de verwachting niet echt dat de zelfmoordaanslagen, ontvoeringen, afpersingen en bedreigingen die al jaren aan de orde van de dag zijn, nu plots zullen stoppen. De Afghaanse vlucht naar Europa wordt verder aangezwengeld door de economische crisis in Iran. Dat Afghaanse buurland vangt naar schatting drie miljoen Afghanen op. Maar nu mede door de Amerikaanse sancties de Iraanse economie in puin ligt, loopt de toch al grote weerzin tegen Afghaanse vluchtelingen volledig uit de hand. De Iraanse autoriteiten grijpen hard in. Vorig jaar alleen al zijn een kwart miljoen Afghanen tegen hun wil teruggestuurd naar Afghanistan.

Gebedskraaltjes

Het leven van de familie Mohseni wordt al jaren bepaald door deze ontwikkelingen. Vader Ebrahim zit met zijn vrouw en vier jonge dochters op het tapijt van een kale woning in de Turkse stad Van. Op het bed in de hoek van de kamer zit de oom van de kinderen in stilte voor zich uit te staren. Nerveus wiegt hij heen en weer terwijl hij over zijn gebedskraaltjes wrijft. “Oorlogstrauma”, verklaart Ebrahim kortaf.

De Mohseni’s komen uit Ghazni, een provincie in het oosten van Afghanistan waar de taliban in 2018 een offensief tegen de Amerikanen en de Afghaanse regering begonnen. “De taliban gingen er ten onrechte van uit dat ik voor de overheid werkte”, vertelt Ebrahim. “Ze hebben me gemarteld. Al mijn nagels zijn er één voor één uitgetrokken.”

Volgens advocaat Mahmut Kacan werken smokkelaars al jaren samen met de Turkse autoriteiten en vertikt de EU het om haar verantwoordelijkheid te nemen.Beeld Melvyn Ingleby

Datzelfde jaar vluchtte de familie naar Iran. Ebrahim was vastbesloten zijn dochters daar naar school te sturen, maar de Iraanse overheidsscholen weigeren Afghaanse kinderen. Een privéschool was te duur. De rest van het leven ook. Na zeven maanden besloot de vader dat er niets anders opzat. Hij vond een smokkelaar die hem een onbezorgd leven in Turkije beloofde.

“De reis was verschrikkelijk”, herinnert de moeder zich, terwijl haar verstandelijk gehandicapte dochter dicht tegen haar aankruipt. “De smokkelaars duwden ons in een busje met dertig anderen en trokken een groot zeil over ons heen. We konden nauwelijks ademen. Daarna moesten we lopen, maar met mijn gehandicapte dochter was dat levensgevaarlijk. Ze is bijna in een ravijn gevallen.”

Na aankomst in Van bracht de familie twee weken door in een schuilkamer van de smokkelaars. De goede behandeling die hen beloofd was, bleef uit. “We werden met twintig mensen in dezelfde kamer gepropt”, vertelt Ebrahim. “Er was één toilet en geen drinkwater, zelfs niet voor de kinderen. Het enige wat we op een dag te eten kregen, waren een half brood en twee lepels yoghurt.”

Om door te kunnen reizen naar Ankara maakte Ebrahim geld over naar een van de handlangers van de smokkelaars. Toen dat bedrag vervolgens niet doorgestuurd werd naar de smokkelaar zelf, weigerde die het gezin mee te nemen. “Hij heeft ons gewoon op het busstation gedumpt”, verzucht de vader. “Maar wel pas nadat hij eerst ons laatste beetje geld had gestolen.”

De familie kon geen kant op. Met hulp van een Afghaanse vriend die al in Turkije woonde, vond Ebrahim uiteindelijk onderdak in het flatje waar zijn gezin nu, anderhalf jaar later, nog zit. Per maand ontvangt hij als gezinshoofd 122 lira (achttien euro) van een Turkse hulporganisatie en een medische uitkering voor zijn gehandicapte dochter en getraumatiseerde broer. Daar moeten de Mohseni’s het mee doen.

Instagram

De smokkelaars doen ondertussen goede zaken. Op een van hun vele Instagram-accounts prijst een Iraanse smokkelaar openlijk zijn diensten aan. Hij deelt talloze filmpjes van tevreden klanten die zwaaiend en lachend over besneeuwde bergtoppen wandelen, van een goede maaltijd genieten of een stapel Turkse identiteitskaarten in ontvangst nemen. Onder de beelden staat telkens zijn telefoonnummer en de tekst: ‘Wie illegaal naar Turkije wil reizen, kan me bellen.’

Met hulp van een vertaler deden we dat. De vertaler – die om veiligheidsredenen anoniem wil blijven – deed zich voor als iemand die namens een vriend informatie vraagt over de risico’s van de reis. De smokkelaar wuift de gevaren weg en komt meteen ter zake. “Maak je geen zorgen, broeder. Ik stuur die vriend van je helemaal naar Istanbul.”

Daarvoor bestaan twee opties, elk met een eigen prijskaartje. Voor 45 miljoen Iraanse rial (270 euro) krijgen klanten een overtocht te voet door de bergen. Dat is niet zonder gevaren. Zo erkent de smokkelaar dat eerder deze maand een groep van dertien voornamelijk Afghaanse vluchtelingen langs deze route is doodgevroren. “Het kan een beetje koud zijn”, laat hij zich ontvallen. “Maar maak je geen zorgen”, voegt hij snel toe, er is nog een tweede optie. Die kost iets meer, maar dan heb je ook wat. Voor 80 miljoen Iraanse rial (475 euro) – ruim vier maanden minimumloon in Iran – belooft de smokkelaar een comfortabele reis zonder barre wandeltocht. Klanten steken per vrachtwagen de reguliere Turks-Iraanse grensovergang bij het plaatsje Bazargan over en reizen vervolgens per bus naar Ankara of Istanbul. “Deze methode werkt gegarandeerd.”

Een Pakistaanse vluchteling die via de besneeuwde bergen Turkije inkwam toont zijn bevroren handen.Beeld Melvyn Ingleby

In detail beschrijft de smokkelaar de stappen. In Iran verstoppen vijf tot zes “passagiers” zich in het ruim van een vrachtwagen, waardoor de grenscontrole hen niet opmerkt. Eenmaal in Turkije verblijven ze in een “slaapzaal” waar ze een Turkse identiteitskaart krijgen. Betaling gebeurt via een tussenpersoon in Istanbul. “Mijn oom heeft daar een Iraans wisselkantoor. Je kunt het geld naar hem toe brengen. Zodra ik het hier ontvangen heb, stuur ik de passagier door naar Istanbul.”

De smokkelaar beweert dat de door hem verstrekte identiteitskaarten niet vervalst zijn. Gevraagd hoe dat kan, bevestigt hij vluchtig dat hij de juiste “vrienden” heeft. Die contacten komen ook van pas bij de grenscontrole. Mocht een passagier onverhoopt worden aangehouden, zegt de smokkelaar, dan pleegt hij gewoon een telefoontje met de grenswachters. “Ik bel ze gewoon en zeg: ‘deze passagier is van mij, laat hem vrij.’ Vervolgens sturen we geld naar hun bankrekening, zo’n vijftig tot zestig lira. Daarna laten ze hen gaan.”

“Bedoel je de Turkse politie?”, vraagt de vertaler ter verduidelijking. Even blijft het stil. Dan bevestigt de smokkelaar in zoveel woorden wie zijn vrienden zijn. “Ja, de Turkse politie.”

Dat verbaast Mahmut Kacan niets. Als advocaat die zich al twintig jaar inzet voor vluchtelingenrechten in Turkije heeft hij dit soort praktijken veel vaker zien voorbijkomen. “Natuurlijk werken de autoriteiten samen met de smokkelaars”, zegt hij vanachter zijn bureau in Van. “Dat gaat al jaren zo.”

Kacan heeft de bewijzen. Hij vist een dik dossier tevoorschijn met een strafzaak tegen grenswachters die in 2013 werden aangeklaagd voor corruptie en mensensmokkel. In opdracht van de officier van justitie tapte de politie destijds hun telefoons af.

Samenwerken

De uitgeschreven gesprekken zijn ingezien op de krant. “Broer, verberg die paarden”, waarschuwt een grenswachter de smokkelaar in een van de gesprekken. “De camera kan ze zien.” Daarop belooft hij zijn handlanger een seintje te geven zodra de andere grenswachters hun post hebben verlaten. Uit andere gesprekken blijkt dat de grenswachters zelfs samenwerken met de smokkelaar door rivaliserende smokkelbendes wél aan te houden. Want hoe minder klanten voor de concurrent, des te groter de gedeelde pot.

Dag in, dag uit zet het contact door. De smokkelaar en de Turkse grenswachters noemen elkaar ‘mijn broeder’, wisselen grapjes uit en spreken zelfs af voor een kop thee in Van. Maar het is duidelijk wie de lakens uitdeelt.

“Het is precies gegaan zoals ik wilde”, zegt de smokkelaar na een geslaagde operatie. Zo valt te lezen. Daarop antwoordt de grenswachter gehoorzaam. “Oké broer. Het belangrijkste is dat jij gelukkig bent.”

De migratie-afdeling van het Turkse ministerie van binnenlandse zaken is schriftelijk gevraagd of er inderdaad sprake is van samenwerking tussen smokkelaars en de Turkse autoriteiten en welke maatregelen daartegen worden genomen. Daarop volgde een kort en ontwijkend antwoord: “Onze rechtshandhavingseenheden nemen de nodige veiligheidsmaatregelen, en gegevens over mensensmokkel zijn in handen van de politie.”

Volgens officiële cijfers zouden vorig jaar 9.000 mensensmokkelaars zijn gearresteerd. Maar volgens Kacan blijven veel smokkelaars in de praktijk onbestraft. Dat geldt des te meer voor hun handlangers binnen de Turkse grensbewaking. “De grenswachters van de zaak uit 2013 zijn nog altijd niet veroordeeld”, zegt de advocaat. “Zolang verdachten onderdeel uitmaken van de autoriteiten, komen ze overal mee weg.”

'Afghaan 1515' kwam in zijn zoektocht naar een beter leven niet verder dan deze onheilspellende plek.Beeld Melvyn Ingleby

In de dorpjes langs de Turks-Iraanse grens vinden de herders iedere lente de lijken van vluchtelingen die de overtocht niet hebben overleefd. Op zijn telefoon laat advocaat Kacan de gruwelijke filmpjes zien die hij vanaf de grens doorgestuurd krijgt. Een lijk met paarse winterjas en zwarte sportschoenen ligt in een beekje. Uit de kraag van de jas hangt een uitgevreten schedel. Het precieze aantal mensenlevens dat de mensensmokkel kost, valt niet bij te houden. Een forensisch arts in Van weigert met de pers te praten omdat hij in dienst is van de overheid. Volgens Kacan, die vorig jaar de dodencijfers opvroeg bij de officier van justitie, zijn er in de eerste helft van 2019 zo’n vijftig lichamen gevonden. “Die cijfers zijn alleen voor de provincie Van”, benadrukt hij. “Daarbovenop komen nog de doden in alle andere Turkse grensprovincies en aan de Iraanse zijde.”

Deportatie

En dan zijn er nog de gewonden. Het streekziekenhuis in Van ligt vol met vluchtelingen die de tocht door de bergen ternauwernood hebben overleefd. Het bezoekuur is voorbij, maar een theebezorger wil best de juiste kamers aanwijzen. In een eerste vertrek liggen twee jongens uit Bangladesh. Even verderop een vrouw uit Nigeria. Weer daarnaast twee Afghaanse mannen. De politiebewaking staat niet toe dat er met hen gesproken wordt.

Dan klinkt er gejammer vanuit een andere afdeling. Twee Pakistaanse jongens strompelen door de verlaten ziekenhuisgang. Net als de andere patiënten dragen ze wit gaasverband rondom hun vingers. De huid daaronder is zwart – het gevolg van bevriezing tijdens hun tocht door de bergen. “Help ons, help ons”, stamelen ze almaar. De jongens hebben geen telefoon, geen vertaler, en vooral: geen idee wat er met hen gaat gebeuren.

De meest waarschijnlijke afloop is deportatie. Dat is de wrede tegenstrijdigheid: terwijl smokkelaars volop de kans krijgen om vluchtelingen het land binnen te loodsen, neemt de Turkse AKP-regering sinds kort juist maatregelen om hen eruit te zetten. Een corrupte grenswachter mag dan een aardig zakcentje kunnen verdienen aan de mensensmokkel, president Erdogan weet dat illegale migratie hem stemmen kost. Na jarenlange gastvrijheid is de Turkse kiezer de ruim vier miljoen vluchtelingen in Turkije meer dan zat.

Die onvrede was een van de redenen waarom de AKP een cruciale burgemeesterverkiezing in Istanbul verloor. Niet toevallig begon de regering direct daarna massale deportatie-acties tegen ongeregistreerde vluchtelingen en andere migranten. Veel internationale aandacht ging destijds uit naar gedeporteerde Syriërs, maar de meeste uitzettingen betreffen Afghanen. Volgens regeringscijfers zijn er in 2019 ruim 65.000 Afghanen gedeporteerd.

Ook in Van zitten de deportatiecentra nog altijd stampvol, weet Mahmut Kacan, die er vaak komt om met zijn cliënten te spreken. “De levensomstandigheden zijn er erger dan in de gevangenis”, zegt hij. Daarnaast vindt er mishandeling plaats, in enkele gevallen met dodelijke gevolgen. Zo wijst Kacan op de zaak van Lütfullah Tacik, een 17-jarige Afghaanse jongen die in 2014 overleed nadat hij werd geslagen door een politieagent in een deportatiecentrum in Van. Datzelfde centrum werd gefinancierd door de Europese Unie, zo valt na te lezen in de begroting van Turkse toetredingsgelden. Maar de EU vertikt het om verantwoordelijkheid te nemen, weet Kacan. In zijn eerdere werk voor de VN-vluchtelingenorganisatie merkte hij keer op keer dat Europese ambtenaren de Turken niet durven aan te spreken op de misstanden. Dat zou ook hypocriet zijn, want in feite deporteert Turkije de vluchtelingen die Europa niet wil hebben.

Bovendien draagt Turkije de kosten voor de opvang van Afghaanse vluchtelingen grotendeels alleen. De Europese Unie zegde in het kader van de Turkije-deal zes miljard euro aan hulp voor Syrische vluchtelingen toe, maar er bestaan geen soortgelijke programma’s voor Afghanen, laat het Turkse migratie-departement schriftelijk weten.

Het beloofde busje

Intussen hebben de Mohseni’s nog altijd moeite te overleven. In hun kale woonkamer in Van schenkt vader Ebrahim een laatste kop thee in. Buiten is het al donker wanneer de Afghaanse vluchteling zijn relaas vervolgt. Ineens begint zijn vrouw zachtjes te huilen. Ze weet hoe dit verhaal afloopt.

“De smokkelaar zei dat hij ons alsnog naar Ankara kon brengen”, begint Ebrahim aarzelend. Hij was eerder al opgelicht, maar hij zag weinig andere opties. Met hulp van vrienden en kennissen wist hij opnieuw een bedrag van vierduizend lira (600 euro) bij elkaar te sprokkelen. Dit keer verscheen het beloofde busje, maar het kwam nooit aan op zijn bestemming.

Het was al donker toen de Mohseni’s aan de reis begonnen. Op volle snelheid scheurde een handlanger van de smokkelaar richting de Turkse hoofdstad. Ebrahims jongste dochtertje zat op schoot bij haar moeder. “De chauffeur bleef maar gas geven”, vertelt de vader, die nu zelf ook begint te huilen. “Ineens verloor hij de controle over het stuur.” In de duisternis schreeuwde Ebrahim de naam van zijn jongste dochtertje uit. Uiteindelijk vond hij haar tussen de brokstukken van het busje. “Haar buik was opengereten”, stamelt hij, “maar ze leefde nog.” Een voorbijganger bracht de familie naar het dichtstbijzijnde ziekenhuis. Even leek het alsof het meisje het zou redden, maar twee weken later overleed ze alsnog aan haar verwondingen. “De smokkelaars hebben mijn dochter vermoord”, zegt de vader verslagen. Bevend grijpt hij naar een plastic hoesje met een stapel verfrommelde papieren. Het is de formele klacht die Ebrahim indiende bij de politie. “Ze zijn er al meer dan een jaar mee bezig. Maar ik weet zeker dat de Turkse politie me zal helpen.”

De volgende ochtend verschijnt op de begraafplaats buiten het busstation in Van een groen busje van de gemeente. Twee mannen trekken een houten grafkist uit de achterbak en graven een gat in de grond. Dikke hompen zwarte

aarde landen in de verse sneeuw. Na vijftien minuten verlaten de mannen het terrein. Ze trekken het hek achter zich dicht. Daarnaast staat een groot bord met de tekst: ‘Begraafplaats van hen die niemand hebben.’ Ook Ebrahims dochter is hier ruim een jaar geleden begraven. Maar in tegenstelling tot de talloze anderen die hier liggen, stierf ze geen anonieme dood. Op haar grafsteen staat geen nummer, maar een naam: ‘Zahra’. Zahra Mohseni werd vijf jaar oud.

De naam van de vertaler is bekend bij de redactie.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234