Maandag 17/02/2020

De smerigsterotzakooit gezien

Hij was pas 31, had bijna 9 jaar continu achter tralies doorgebracht, had in 12 maanden en 3 weken tijd (van 10 juni 1933 tot 30 juni 1934) in 6 verschillende staten van het Midwesten met verschillende versies van de naar hem genoemde Dillinger Gang 15 banken, 1 drugstore en 1 supermarkt 308.200 dollar lichter gemaakt. Omgerekend naar de huidige waarde is dat 4.906.332 dollar of zo’n 3,5 miljoen euro. Tijdens hold-ups, shoot-outs of hinderlagen had hij 1 sheriff, 1 special agent van de D.O.I. en 2 politieagenten (van wie één eigenhandig) aan flarden geknald, 2 politieagenten verwond, 6 burgers verwond en 5 gegijzeld. Op de koop toe werd hij 2 maal opgepakt, had hij vanuit zijn cel 10 zware jongens helpen ontsnappen, was hij zelf 2 maal ontsnapt, bewerkstelligde hij de val van 1 openbare aanklager en 1 sheriff, en ontketende hij 1 politieoorlog tussen Matthew Leach van de Indiana State Police en J. Edgar Hoover van de D.O.I. Drie van zijn bendeleden had hij zien sterven, 2 werden naar de elektrische stoel gestuurd. Nog een ‘fraai’ afsluitend statistiekje: minstens 3 (volgens sommigen 4) vrouwen maakte hij het hof.Met aan elke arm een vrouw liep hij dan ook volmaakt tevreden zijn einde tegemoet, toen hij die snikhete avond van 22 juli 1934 uit een gekoelde voorstelling van W.S. Van Dykes Manhattan Melodrama kwam. Dead man walking, recht uit een gangstermelodrama van Tinseltown. Misschien waande hij zich even Clark Gable, die in Manhattan Melodrama met opgeheven hoofd naar de elektrische stoel stapt: “Hey, look, if I can't live the way I want, then at least let me die the way I want”. Puur toeval allicht, maar België is het enige land waar Universal Pictures vandaag Public Enemies van de schermen laat knallen, Michael Manns bewerking van Bryan Burroughs non-fictiewerk uit 2004, Public Enemies: America’s Greatest Crime Wave and the Birth of the FBI, 1933-34 (de Nederlandse vertaling verschijnt volgende week onder dezelfde titel bij Lebowski). Michael Manns film, nauwelijks geïnteresseerd in wie-is-wie-exposé of waar-gaat-dit-naartoe-logica, is een knetterend, finaal verpletterend summum van (zijn) impressionistische kunst. Dit historisch spiegelmoment kunnen de gerateerde desperado’s onder u met een zwak voor Dillingers vrijbuitersmachismo niet links laten liggen. Zij moéten deze avond vergezeld van twee dames naar de voorstelling van acht uur. Want de kans dat ze de bioscoop verlaten op het precieze tijdstip waarop Dillinger 75 jaar terug de Biograph verliet, is groot. Al zou, om helemáál historisch authentiek te zijn, er in feite wel een hoertje en een hoerenmadam moeten worden gestrikt.

Het einde

“Dat was nog eens goeie film”, zei Dillinger die avond in 1934 tot zijn twee vrouwen. De ene was de 26-jarige dienster en prostituee Polly Hamilton. Haar had hij anderhalve maand geleden in een nachtclub onder het alias van beursklerk Jimmy Lawrence het hof gemaakt. Uit wanhoop, ter compensatie van het verlies van zijn amour fou, Evelyne ‘Billie’ Frichette, die hij machteloos had zien worden gearresteerd en later veroordeeld tot twee jaar cel. Vier dagen na zijn laatste hold-up op 30 juni was hij bij de prostituee ingetrokken. Verstikkend warm was het. Naar verluidt zat hij de hele tijd voor een ventilator, wou hij voortdurend kaarten. Of eten. Voor ‘dienster’ Hamilton was ‘Jimmy’ “een boerenjongen uit Indiana, verzot op een home-cooked meal”. Hij dronk haast geen alcohol - niemand overigens in The Dillinger Gang -, hij vloekte nooit, was verlegen, goedgemanierd, attent, genereus. Erg modebewust was hij niet, erg knap al evenmin. Met zijn joekel van een ring en zijn kersvers snorretje had Hamilton hem bijna voor een nicht versleten. Maar hij deed wél de vaat, en zong voortdurend ‘All I Do Is Dream of You’. Voor Dillinger was Polly eveneens een boerenmeisje. “Daar loopt nu Polly”, zei hij. “Ze is het levende bewijs dat je een meisje uit de boerenbuiten weg kunt halen, maar de boerenbuiten niet uit het meisje.” Hamilton huurde een kamer bij de tweede vrouw die op 22 juli 1934 aan Dillingers andere arm buitenkwam: de 46-jarige Ana Cumpanas, alias Ana Sage. Zij was een Roemeense gescheiden inwijkelinge, gewezen prostituee en ‘madam’ van minstens twee bordelen in Chicago en Gary. Ze zat echter in de rats, riskeerde door de overheid om haar “laag-bij-de-grondse morele karakter” te worden gedeporteerd. In elk geval wist zij snel wie ‘Jimmy’ was, ondanks de plastische make-over die Johnnie Dillinger in mei had ondergaan (waarbij hij haast niet wakker werd uit de etherverdoving). De krankjorume Dillinger was namelijk met haar een politiebureau binnengestapt om er met de sergeant van wacht een praatje te slaan over… John Dillinger. Met de angst voor deportatie groeide ook Cumpanas’ boze plan: ze zou hem voor de prijs op zijn hoofd en een verblijfsvergunning verkopen. Heel wat ordehandhavers aasden op de vangst van de eeuw, het werd uiteindelijk zuiderling Melvin Purvis, Special Agent in Charge van de U.S. Bureau of Investigation in Chicago die de hoofdvogel afschoot. ‘Little Mel’, de piepkleine, als een knaap ogende special boy van J. Edgar Hoover himself. De man die een paar keer door Johnnie stevig te kakken werd gezet. Zo reed hij op het hoogtepunt van de klopjacht een aantal blokjes achter hem aan. Een ander slachtoffer van Dillingers getreiter was Captain Matthew Leach, die vaak telefoontjes kreeg in de trant van: “John Dillinger hier. Hoe gaat het, jij stotterende smeerlap?”.“Dat was nog eens een goeie film”, sprak Dillinger dus die 22ste juli. Geen van de twee dames kreeg de kans om iets terug te zeggen. Achter hen klonk plots: “Handen omhoog, Johnnie, je bent omsingeld”. Johnnie spurtte weg, in de richting van een brede steeg. Hij graaide in zijn broekzak naar de kleine blauwe automatische Colt die hij voor alle zekerheid had meegenomen. Hij keek om, botste tegen een voorbijgangster, draaide half om zijn as. Zes stappen achter hem vuurde Special Agent Charles Winstead met zijn 1911 Division .45 Automatic een eerste kogel af. Onmiddellijk daarna schoten Winstead en Clarence O. Hurt tegelijk een tweede en derde kogel af, waarna Winstead een derde keer blafte en ook Special Agent Herman E. Hollis een schot loste. Vijf kogels in twee seconden. Dillinger zette na het eerste schot nog één stap, kwam stijf tot stilstand bij de volgende salvo’s en viel pardoes voorover op zijn smoel. Zijn hoofd - always on the run - lag in het steegje, de rest van zijn lijf op het trottoir. Hij mompelde iets onverstaanbaars, zijn lichaam trilde nog even, en toen was het stil. Tot twee dames het op een schreeuwen zetten. Neen, niet Hamilton en Cumpanas, maar omstaanders Etta Natalsky en Theresa Paulus, die twee van de vijf afgevuurde kogels hadden opgevangen. Welke dat precies waren, is een mysterie, want ‘Little Mel’ Purvis weigerde naderhand kogels aan wapens te koppelen. Twee, misschien drie andere droegen Dillingers naam. Winsteads eerste kogel penetreerde de borstkas aan de rechterachterzijde, ging dwars door zijn lichaam en kwam er aan de linkerzijde van de ribbenkast weer uit. De fatale kogel, die naar alle waarschijnlijkheid ook uit Winsteads 1911 .45 kwam, was onderaan het achterhoofd binnengedrongen, dwars door de hersenen gegaan en onder het rechteroog weer naar buiten gegaan. Hoover had het nochtans duidelijk gemaakt dat hij zijn Public Enemy #1, zoals Dillinger op zijn 31ste verjaardag informeel was genoemd door senator Cummings, levend wou. Maar anderzijds moest Johnnie absoluut dood. Dat was namelijk de eis geweest van de twee politiemannen uit Indiana, onder wie de sinistere Martin Zarkovich, die verklikster Ana Cumpanas bij Melvin Purvis hadden gebracht. Dezelfde deal was eerst aan Captain Stege van de Chicago Police Department Dillinger Squad voorgesteld. Hij was echter formeel: “Zelfs John Dillinger zou ik de kans bieden zich over te geven”. Daarmee miste hij een afspraak met onsterfelijke roem en bezegelde hij de nakende doorbraak en macht van wat vanaf 1935 J. Edgar Hoovers Federal Bureau of Investigation zou gaan heten.

De feiten van het einde - en van het voorafgaande jaar waarin Dillinger van ordinaire ex-bajesklant tot populaire supercrimineel was opgeklommen - overtroffen moeiteloos elke fictie die in films als Underworld (1927), The Public Enemy (1931) en Scarface (1932) was verbeeld. Actualiteitsfilmpjes over Dillinger groeiden in bioscopen uit tot ware volksfeesten op de kap van de D.O.I. De Wall Street Crash en Grote Depressie deden de rest. Banken, die het geld van kleine spaarders en arme pachters hadden verkwanseld, waren kop van jut. Dat Dillinger daar het geld ging pikken, werd toegejuicht. Maar wat Johnny Depp ook mag geloven, ‘Bad Boy Johnnie’ was geen Robin Hood. De feiten verschillen ook van de fictie omdat Dillinger geen gangster was (naar het model van de mobsters uit de Drooglegging, zoals Al Capone), maar een outlaw. En geen gewone outlaw, geen hoopje ongeregeld, geen spree killer zoals Clyde Barrow. Op een revolutionaire manier bediende hij zich van Amerika’s twee grootste troeven - wapens en auto’s - om de misdaad definitief te moderniseren. De Thompson submachine gun, “the weapon that made the twenties roar”, en de Ford V8-motor werden de hightech waarmee zijn bende iedere ordehandhaver het nakijken liet. De publicatie van wegenatlassen stelde de outlaws in staat hun actieradius snel uit te breiden. Dillingers modus operandi werd geïnspireerd door de militaire blauwdruk voor hold-ups van Baron Herman K. Lamm, een gewezen Pruisische officier die nog in Butch Cassidy’s Wild Bunch had vertoefd. De gedateerde politiewetgeving die amper de notie ‘federale misdaad’ wist te definiëren, de staatsgrenzen die elke achtervolging van voortvluchtigen dwarsboomden, diepgewortelde corruptie en nepotisme en een eeuwige concurentie tussen City Police, County Sheriff, State Police en Department of Justice, de hele structuur van wet, orde en samenleving kortom, was rijp voor een stoutmoedige, mediabewuste misdadiger. Het fenomeen Dillinger, “bankrover, geen killer”, is een toevallige combinatie van diep tekenende persoonlijke tragedie en immense sociale miserie, gekoppeld aan de intense Eigendynamik van criminele actie. De vraag duikt steeds op hoe het komt dat iemand, die aanvankelijk ‘te redden’ leek, zo heftig gegen die Wand aanstormde. Voor Dillinger zelf was het de zware gevangenisstraf die hem als 21-jarige werd opgelegd. Hij had op een klungelige manier een kruidenier die hem kende beroofd, hem met een stuk metaal in een doek afgerost en zichzelf vervolgens als een imbeciel verraden. Vader Dillinger dacht dat het goed was schuldig te pleiten, om zo de rechter tot een mildere straf te bewegen. Een vreselijke vergissing, want Johnnie kreeg 10 tot 20 jaar. “Ik weet dat ik een grote ontgoocheling voor je ben geweest”, schreef hij in een brief aan zijn vader, “maar ik denk dat ik te lang heb vastgezeten, want terwijl ik naar binnen ging als een zorgeloze jongen, kwam ik er verbitterd uit… Was ik wat milder aangepakt bij mijn eerste misstap, was dit allemaal niet gebeurd.” In de cel was hij diep ongelukkig, zette hij alles op alles om voorwaardelijk vrij te komen, droomde hij van hereniging met zijn vijf jaar jongere vrouwtje. Een brief is in al zijn pathetische overgave haast wraakroepend: “Ik vraag me af of ik maandag mijn gesprek zal krijgen. Ik hoop het echt want ik sterf van verlangen je te zien. Liefje laat wat foto’s maken, elke keer als ik je zie lijk je me steeds liever en zoeter.” Meteen daarna: het nekschot. ‘Liefje’ vroeg plots de scheiding aan, zijn voorwaardelijke invrijheidsstelling werd afgewezen. Voor Johnnie was daarmee de kous af. Hij vroeg zijn overplaatsing aan naar een gevangenis in Michigan, waar de zwaarste jongens zaten. Bij zijn aankomst, waren zijn woorden tot de cipier: “Ik ga de smerigste rotzak worden die je ooit heb gezien.” Dillinger zal wel een mind to crime hebben gehad. Hij richtte als knaap een bende op, The Dirty Dozen, die kolen stal van passerende treinen, en verscheen al snel voor de jeugdrechter. Hij terroriseerde andere kinderen, was op zijn zestiende van school weg, zocht daarna vertier in nachtelijke drink-, vecht- en sekspartijen, en deserteerde op zijn twintigste uit de marine. Maar even bepalend is de tragedie van een kind dat op driejarige leeftijd zijn moeder verliest en even wordt opgevoed door zijn zestienjarige zus, die een jaar later verdwijnt om een eigen gezin te stichten. Een kind dat vervolgens door een vader wordt grootgebracht die schippert tussen lijfstraffen en verwennerij, uiteindelijk hertrouwt en een smorende jaloezie en haat jegens zijn stiefmoeder bij zijn zoon opwekt. Die haat zou nog wel in liefde transformeren, maar dan toch weer traumatisch blijken als Johnnie voorwaardelijk wordt vrijgelaten om zijn zieke stiefmoeder te bezoeken, maar haar thuis dood aantreft. Dillingers jeugd is getekend door emotionele frustratie, vooral tegenover vrouwen. Vandaar misschien zijn voortdurende drang om in hun gunst te staan, om het ene gevaar na het andere aan een hels tempo recht in de ogen te kijken. Kijk eens wat ik kan, mama, top of the world! En hoewel hij ten overstaan van vrouwen steeds bleef dromen van een boerenleven met vrouw en kinderen, was het realiteitsbesef nog het dwingendst: “Ik zit op een eenrichtingsweg, en ik maak mezelf niets wijs over wat er aan het einde ligt. Als ik me overgeef, weet ik zeker dat het de elektrische stoel wordt. Als ik hier gewoon mee doorga, is het enkel een kwestie van hoeveel tijd er mij nog rest.”Interview met acteur Christian Bale over zijn rol in ‘Public Enemies’ >23

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234