Dinsdag 24/11/2020

De smaak van het platteland

Sinds Ry Cooder in Havana een plaat opnam met enkele hoogbejaarde Cubaanse muzikanten en Wim Wenders er een documentaire over draaide, werd de Buena Vista Social Club overal ter wereld een begrip. Compay Segundo, Ibrahím Ferrer, Omara Portuondo en Rubén González, die in hun eigen land allang waren vergeten, beleven sindsdien hun tweede jeugd. Bij hen vergeleken is de 54-jarige Eliades Ochoa nog een groentje. Maar thuis wordt hij als de beste zanger-gitarist van zijn generatie beschouwd en net als zijn kras gebleven collega's zweert hij bij de traditionele plattelandsmuziek uit de Oriente, die hij levend houdt met zijn groep Cuarteto Patria. Een reis naar de bakermat van de son.

In de straten van Santiago de Cuba is Eliades Ochoa een opmerkelijke verschijning. De immer in het zwart geklede campesino met de onafscheidelijke cowboyhoed lijkt ongeveer iedere voorbijganger persoonlijk te kennen, zodat hij om de haverklap halt moet houden om iemand te begroeten of een praatje te slaan. Zijn vrienden beweren schertsend dat het zijn ambitie is burgemeester van Santiago te worden. Als dat zo is, zijn we getuige geweest van een geslaagde verkiezingscampagne.

We ontmoeten elkaar voor een gesprek op het dakterras van de Casa Granda, een oud koloniaal hotel in het hart van de stad, vlak bij het lommerrijke Parque Céspedes. Van hieruit kun je, op de plek waar in 1514 de Spaanse ontdekkingsreiziger Diego Velásquez voor het eerst voet op Cubaanse bodem zette, vrachtschepen uit Haïti of Jamaica zien aanleggen. Landinwaarts wordt het uitzicht beheerst door de imposante contouren van de Sierra Maestra, de bergketen die zich, van Guantánamo naar Cabo Cruz, dwars door de oostelijke provincies slingert. Hier, in de Oriente, stond niet alleen de wieg van de son, maar ook die van Eliades Ochoa Bustamente, die in juni 1946 het levenslicht zag. "Muziek zit me in het bloed," stelt hij simpel. "Mijn ouders waren allebei muzikanten en het eerste wat ik hoorde en zag was de tres (een snaarinstrument, verwant aan de gitaar, bespannen met drie dubbelsnaren, DS) die ze bespeelden. Als plattelandsjongen werd ik dag in dag uit met liederen omringd. En de muziekmicrobe heeft me nooit meer losgelaten." Op zijn zesde speelde de kleine Eliades al in de kroegen en bordelen van Santiago, en met de fooien die hij kreeg hielp hij het gezin de touwtjes aan elkaar te knopen. Gaandeweg ontwikkelde Ochoa een unieke gitaartechniek, die sterk geïnspireerd was door de klank van de tres. "Die stijl kwam heel natuurlijk, zoals ademen. Ik heb me nooit voorgenomen mijn stempel te drukken op de muziek die ik speelde en was me er niet van bewust dat ik iets bijzonders deed, tot ik er door het publiek attent op werd gemaakt. Als men je voortdurend zegt dat je niet klinkt zoals de anderen, ga je op den duur ook eens naar andere gitaristen luisteren. En stel je vast dat je inderdaad iets anders doet dan zij." In 1978 werd Ochoa door Francisco Cobas La O, de oprichter van het legendarische Cuarteto Patria, gevraagd het leiderschap van de groep over te nemen. Een grote eer, maar tegelijk een enorme verantwoordelijkheid. Voelde hij zich niet geïntimideerd door de lange voorgeschiedenis en de reputatie van het gezelschap? "O, ik ben de traditionele wortels van het kwartet trouw gebleven," zegt hij. "Al heeft het me niet belet mijn eigen accenten te leggen. Zelf hou ik van son waar wat meer pit en beweging in zit. In de langzame nummers uit het repertoire hebben we dus drastisch gesnoeid." De avond voordien zagen we Cobas, aan wie de nieuwe plaat van het Cuarteto Patria is opgedragen, nog met Ochoa op het podium staan, maar zware gezondheidsproblemen beletten hem in diens groep nog langer een actieve rol te spelen. "Hij heeft al drie hartaanvallen gehad en de voorbije week is hij tot tweemaal toe door zijn benen gezakt. Je begrijpt dus dat we er gisteren niet erg gerust op waren." De jongste decennia was de música tradicional cubana een beetje in de verdrukking geraakt: veel soneros, onder wie Compay Segundo, hielden er noodgedwongen mee op, omdat het publiek zich intussen had laten inpakken door timba en salsa. "Die desinteresse had met culturele en politieke factoren te maken," legt Ochoa uit. "Tijdens de jaren zeventig begon de invloed van de Angelsaksische popmuziek ook bij ons door te sijpelen, waardoor de jongeren hun belangstelling voor de Cubaanse tradities verloren. Bovendien hield de overheid op de son te ondersteunen, omdat het genre nog werd geassocieerd met de periode van voor de revolutie. Niettemin is het in Santiago altijd blijven voortleven en ben ik zelf de guarachas, guajiras en sones montunos nooit ontrouw geweest. De traditie is zó vitaal, ze is gewoon niet kapot te krijgen. Instinctief wist ik dus dat ze vroeg of laat weer de plaats zou krijgen die haar toekwam." Son is een muziekstijl met Afrikaanse en Andalusische invloeden, die aan het eind van de negentiende eeuw ontstond in de bergen en op het platteland rond Santiago en Guantánamo. Het genre werd erg populair tijdens de jaren twintig en dertig, leefde weer op in de jaren vijftig, maar had af en toe wel last van nieuwe rages zoals de mambo en de cha cha cha. "In de Oriente is de son nooit helemaal verdwenen, maar als de Cubaanse muziek nu overal ter wereld bekend en populair is, hebben we dat voor honderd procent aan Buena Vista Social Club te danken," zegt Eliades Ochoa. "Dankzij het internationale succes van dat project heeft ook de plaatselijke scene nieuwe impulsen gekregen en daar plukken we nu allemaal de vruchten van. Buena Vista was een keerpunt: het kwam precies op het goede moment. Toen Ry Cooder en Nick Gold in Havana die oude muzikanten bij elkaar brachten, bestond er immers al een zekere interesse voor Cubaanse muziek. De nieuwsgierigheid was gewekt, maar het publiek wist er nog niet veel over. Door de cd wereldwijd te promoten wisten de initiatiefnemers handig in te spelen op het gastvrijer wordende marktklimaat. Onze muziek verkoopt nu beter dan ooit, waardoor het voor de muzikanten makkelijker is geworden in het buitenland te toeren. Zelf heb ik, sinds 1981, al veel Noord-Amerikaanse en Europese podia gezien, maar sinds mijn aandeel in de Buena Vista Social Club ben ik nu wel veel bekender dan vroeger. En mocht achteraf blijken dat Cubaanse muziek voor jullie slechts een modeverschijnsel is geweest, dan hebben jullie er toch even van geproefd. Wie echt de smaak te pakken heeft, zal ook daarna wel blijven luisteren, denk ik." 'Chan Chan', het bekendste liedje uit de Buena Vista-cd, werd gezongen door Eliades Ochoa en de man die het schreef, Francisco Repilado. De laatstgenoemde, inmiddels 93 en beter bekend als Compay Segundo, werd er op zijn oude dag alsnog wereldberoemd mee. Maar eigenlijk was het Ochoa die het lied in Cuba onder de aandacht bracht: hij was het die er een arrangement en gitaarmelodie voor bedacht, het in 1989 als eerste opnam en er een grote hit mee scoorde. "Toen ik Compay Segundo halverwege de jaren tachtig in Santiago tegen het lijf liep, wist geen mens meer wie hij was. Vanaf 1952, na zijn periode met Los Compadres, was zijn carrière immers in het slop geraakt en de laatste zeventien jaar voor zijn pensioen verdiende hij noodgedwongen de kost als tabaquero, als sigarenroller in Havana. Hij gaf me wel een bandje met nieuwe liedjes en enkele ervan begon ik regelmatig te spelen met Cuarteto Patria. Toen bleek dat 'Chan Chan' overal enorm aansloeg, wist ik hem over te halen de draad weer op te pakken. Hij maakte zelfs twee jaar deel uit van mijn groep." Zonder Eliades Ochoa zouden we dus wellicht nooit meer van de vitale grijsaard hebben gehoord, maar de campesino haast zich zijn aandeel in Repilado's succes te minimaliseren. "Ik heb enkel gedaan wat ik moest doen. Als muzikant was hij jaren dood geweest en ik heb hem geholpen uit de doden op te staan. (lacht) Ik vond dat hij aan zijn tweede adem toe was. Iemand met zoveel kwaliteiten verdiende beter dan in de anonimiteit weg te zinken. Eigenlijk ben ik best wel trots te hebben bijgedragen tot de artistieke wedergeboorte van Compay Segundo. Want in tegenstelling tot wat kwatongen beweren is er helemaal geen animositeit tussen ons. Ik heb zelfs net nog twee van zijn liedjes opgenomen." Eliades Ochoa werpt zich graag op als hoeder van de son-traditie: hij heeft zichzelf als taak gesteld zoveel mogelijk oude muziek op te delven en voor het nageslacht vast te leggen. Toch is hij allesbehalve een purist. Op zijn vorig jaar verschenen cd Sublime Ilusion nam hij bijvoorbeeld een tango op van Carlos Gardel en werkte hij met Amerikaanse rock- en bluesmuzikanten als David Hidalgo (van Los Lobos), Charlie Musslewhite en Ry Cooder, terwijl op een van zijn vorige platen de Afrikaan Manu Dibango te horen was. "Negentig procent van wat ik maak is traditioneel en regionaal gekleurd, maar de confrontatie met artiesten uit andere culturen is altijd verrijkend: ze opent deuren. Uiteraard heeft ieder zijn eigen folklore, zijn eigen gezichtspunt. Maar tegelijk geloof ik dat alle stijlen, waar ze ook vandaan komen, met elkaar verwant zijn. In wezen is er geen enkel verschil tussen een Cubaanse sonero en een Noord-Amerikaanse blueszanger. Muziek is muziek." Op Tributo al Cuarteto Patria, waarmee de zestigste verjaardag van zijn groep wordt gevierd, brengt Eliades Ochoa aan de hand van dertien liedjes de geschiedenis van de Cubaanse son in kaart. De plaat wordt ingezet met een ode aan de Casa de la Trova (letterlijk: 'het huis van het lied') in Santiago: een piepkleine bar en een zaaltje met een laag podium waar dagelijks, van 'smiddags tot in de late avond, wordt gezongen en gemusiceerd. Ochoa is er kind aan huis: zelfs als de zaak gesloten is, staat er dag en nacht een fles rum voor hem klaar. Een van de bekendste nummers op de nieuwe langspeler van Cuarteto Patria is 'Yiri Yiri Bon', dat in de jaren vijftig een enorme hit was voor Benny Moré. El bárbaro del ritmo, die ooit zijn stem leende aan de big band van Pérez Prado, is wellicht de meest legendarische son-zanger die Cuba ooit heeft voortgebracht. Zelfs vandaag geniet de man op het Caraïbische eiland nog steeds een goddelijke status: iedere muzikant die een fles rum ontkurkt, sprenkelt dan ook altijd eerst enkele druppels van het door Moré zo gewaardeerde goedje op de vloer, "voor Benny". Toen Ochoa als veertienjarige busker Benny Moré in Santiago op straat ontmoette, kreeg hij van hem een handvol peso's als aanmoediging. Hij herinnert het zich alsof het gisteren was: "Hmm. 'Alle groten zijn op deze manier begonnen', zei hij." Behalve van Moré is Eliades Ochoa een grote bewonderaar van Celia Cruz, de koningin van de salsa, die na de Cubaanse revolutie van 1959 het land verliet en roem en rijkdom vergaarde in de Verenigde Staten. Door de medestanders van Fidel werd ze prompt als landverraadster gedoodverfd, maar de campesino nuanceert: "Iedereen is vrij te beslissen waar hij zijn leven wil slijten. En Celia Cruz is nooit opgehouden een Cubaanse te zijn. Wel bleef ze, als artieste die op de loop was gegaan voor de revolutie, tot diep in de jaren tachtig taboe op de radio. Ze stond op de zwarte lijst van het regime, maar dat betekent nog niet dat het Cubaanse volk niet vertrouwd was met haar werk. Haar platen kwamen clandestien het land binnen en werden ontelbare keren doorgegeven en gekopieerd. Maar het beleid is nu versoepeld: de muziek van Celia Cruz is niet langer verboden, omdat de zangeres zich nooit in het openbaar tegen onze machthebbers heeft uitgesproken." Van de gastmuzikanten die op Tributo al Cuarteto Patria te beluisteren vallen, spreekt Faustino Aramas, de auteur van het lichtjes aangebrande 'Candela' op de cd van de Buena Vista Social Club, ongetwijfeld het meest tot de verbeelding. Zijn liedjes zitten vol dubbele bodems en seksuele allusies en 'Por Culpa de las Mujeres' ('Het is de schuld van de wijven') vormt daarop geen uitzondering. "Faustino is een fenomeen," grinnikt Ochoa. "Ondanks zijn gevorderde leeftijd wordt hij nog alom geliefd en gerespecteerd. Waar hij ook verschijnt, hij brengt altijd volk op de been. Vroeger was hij een rondreizende troubadour die, als er ergens een feestje was, er met zijn gitaar naartoe trok en gegarandeerd voor vuurwerk zorgde. Een van zijn optredens, in Guayaba, was zo memorabel dat men hem sindsdien El Guayabero is blijven noemen. Hij was al voor de revolutie in heel Cuba bekend en heeft een originele speelstijl die je onmiddellijk herkent. Nueva Trova-zanger Silvio Rodríguez is bijvoorbeeld een fanatieke bewonderaar van hem, omdat hij op zijn tres nieuwe klanken introduceerde. Faustino is inmiddels al 89, heeft nog slechts één been en dreigt ook zijn andere te verliezen. Hij woont in Holguín, op ruim twee uur rijden van Santiago, maar toen hij hoorde dat we aan deze plaat bezig waren, wilde hij per se meedoen. Daar ben ik hem immens dankbaar voor, want al hoort hij niet meer zo goed, spelen kan hij nog altijd als de beste." Hoewel Eliades Ochoa zelf een aantal sons en guarachas op zijn naam heeft staan, staat hij vooral bekend als vertolker van bestaand materiaal. "Als ik die oude liedjes ontdek, stel ik vaak vast dat ze mooier zijn dan mijn eigen nummers. Door ze met mijn eigen probeersels te combineren zou ik ze alleen maar onrecht aandoen. Misschien dat ik nog meer belang hecht aan de interpretatie dan aan de compositie. Want een lied mag nog zo goed zijn, het bestaat pas echt zodra het door een zanger tot leven wordt gebracht."

De cd Tributo al Cuarteto Patria is uit op Yerba Buena/Virgin. Eliades Ochoa concerteert op zondag 3 december om 20 uur in Hof ter Lo, Borgerhout.

Eliades Ochoa, de man die Compay Segundo uit de dood deed opstaan. (Foto Anton Corbijn)

'Ieder heeft zijn eigen folklore, maar alle stijlen, waar ze ook vandaan komen, zijn met elkaar verwant. Muziek is muziek'

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234