Donderdag 23/09/2021

De slinger van de waanzin

Zowel de geestelijke gezondheidszorg als de studie van geestesziekten wordt bij ons nog altijd schromelijk ondergewaardeerd en veel te weinig gesubsidieerd, stelt ethicus Koen Raes vast. Waanzin wordt gewoon niet ernstig genomen.

In onze West-Europese, continentale cultuur zijn we in sterke mate solidair met de zieke mens, vanuit de overtuiging dat we ziekten niet kunnen verhelpen. Althans... wanneer het 'ziekten van het lichaam' betreft. Mensen praten dan ook ronduit over hun fysieke kwaaltjes en alle mogelijke geneesmiddelen die ze moeten slikken en behandelingen die ze moeten ondergaan. Er wordt, behalve bij besmettelijke of ongeneeslijke ziekten, soms zelfs al eens opgeschept met een heel bijzonder kwaaltje: je trekt er de aandacht mee. Dat ligt helemaal anders als het 'ziekten van de geest' betreft. Die houden we verborgen, alsof we er beschaamd over zijn.

Terwijl ze er in de Verenigde Staten prat op gaan (minstens) een shrink te hebben, generen West-Europeanen zich behoorlijk voor hun bezoek aan een psychiater, neuroloog of psycholoog. Ze voelen schaamte. Ook ons taalgebruik reflecteert onze dubbelzinnige houding tegenover stoornissen van de geest. Hoewel er wel enkele scheldwoorden afgeleid zijn van fysieke kwalen - teringlijder, kankeraar, pestkop - verwijzen er veel meer naar psychische gebreken: zotten en gekken, debielen en imbecielen, psychopaten en neurotici, hysterici en zenuwlijders. 'Een vijs los hebben' wordt niet op dezelfde manier bekeken als, zeg maar, een been gebroken hebben. Hoe zou dat eigenlijk komen? Geestesstoornissen stuiten vaak op een morele veroordeling, in de trant van 'stel je zo niet aan'. Houdt die morele veroordeling verband met een gebrek aan moreel verantwoordelijkheidsgevoel dat we de geesteszieke toeschrijven? Is de geestesziekte meer bedreigend voor ons, Homo sapiens, dan de fysieke ziekte? Of heeft het er gewoon mee te maken dat we nog zo weinig van geestelijke stoornissen weten, en dat die daardoor iets mysterieus hebben?

De gedachte dat er een verband is tussen fysieke en psychische stoornissen is minstens zo oud als de Griekse beschaving. Toch werden geestesstoornissen tot de negentiende eeuw bejegend in termen van morele of spirituele zwakte of in termen van goede dan wel kwade bezetenheid. Geestesziekte kon als een straf worden gezien of als een gift, en de geesteszieke werd contact toegeschreven met het bovennatuurlijke, hetzij van goddelijke hetzij van duivelse aard.

Dankzij de opkomst van de moderne geneeskunde in de negentiende eeuw werden fysieke ziekten niet langer vanuit een ethische hoek benaderd. Wat geestesziekten betreft, is men daar veel minder in geslaagd. Wellicht speelden daarbij ook veranderende maatschappelijke attitudes een rol. Met de invoering, zoals Michel Foucault heeft betoogd in Histoire de la folie à l'âge classique, van een 'normaliteitsnorm' die was geënt op de arbeidsgerichte cultuur van de industriële revolutie, was er geen plaats meer voor de geesteszieke en begon 'de grote opsluiting'. De moderne psychiatrie ontwikkelt zich pas tegen het einde van de negentiende eeuw, juist op basis van de observaties van alle mensen die waren opgesloten omdat ze niet aan de heersende normaliteitsnorm beantwoordden. Tegelijk met het medische model van de moderne psychiatrie ontwikkelden zich twee alternatieve denksporen: de psychoanalyse en de psychologie(ën). Die drie modellen konden elk een zeker territorium domineren. Het medische model beheerste Engeland en Duitsland, de psychoanalyse Frankrijk en de Verenigde Staten en het psychologisch (behavioristisch) model de Sovjet-Unie. Volgens het eerste waren psychische stoornissen primair te wijten aan fysieke stoornissen in de hersenen. Volgens het tweede model waren geestelijke stoornissen symptomen van onderbewuste mentale processen. Volgens het derde model waren mentale stoornissen aangeleerde (geconditioneerde) abnormaliteiten in het denken, voelen en handelen.

Eclecticisme is altijd de grote zwakte geweest van alle 'wetenschappen van de geest', wat tot uiting kwam in een onnoemelijk aantal scholen en tegenscholen, met hun believers en non-believers. Hoewel tal van psychosomatische verschijnselen en aandoeningen toch tot een multidisciplinaire aanpak zouden moeten inspireren die de scheiding tussen lichaam en geest overstijgt, blijft eenieder vanuit zijn discipline werken. Precies dat eclecticisme inspireerde in de jaren zestig een reeks van frontale aanvallen op de medische, psychoanalytische en psychologisch-behavioristische modellen. Volgens de Schotse psychiater David Laing (Knots, The Divided Self) was schizofrenie niets anders dan een gezonde reactie op een ongezonde omgeving. Michel Foucault benadrukte de politieke betekenis van het opsluiten van de geesteszieke als een 'gevaar voor de maatschappij', terwijl Thomas Szasz (The Myth of Mental Illness, The Manufacture of Madness) mentale stoornissen helemaal niet als stoornissen begreep, maar als manieren om zich aan bepaalde levensomstandigheden aan te passen. En volgens de labeling-theorie en Erving Goffman (Stigma, Asylums) worden de symptomen van geestesstoornissen niet door die geestesstoornissen veroorzaakt, maar zijn zij een gevolg van de manier waarop iemand als geestesgestoord wordt gelabeld.

In mijn studententijd vierden die theorieën hoogtij. Ze spraken ons aan omdat ze de oorzaken van geestesziekten, zoals van tal van andere sociale problemen, in die vermaledijde maatschappij situeerden. Ik herinner me nog het succes van schitterende films als Family Life van Ken Loach en One Flew over the Cuckoo's Nest van Milos Forman of A Woman under the Influence van John Cassavetes. Via vreselijke beelden van elektroshocks - hét toonbeeld van discretionaire psychiatrische macht - droegen ze de duidelijke boodschap uit dat de psychiatrie niet zozeer mensen genas, maar hen juist ziek maakte. Een experiment van David Rosenhan, gepubliceerd in Science onder de titel 'On Being Sane in Insane Places' bleek die stelling te bevestigen.

Hij liet zich met een aantal collega's opnemen als patiënt in een psychiatrische instelling en ja hoor, de behandelende artsen vonden hen zo gek als een gieter. Al hun gedrag werd als een uiting van een geestesstoornis verklaard, ze leken allen aan een of ander psychiatrisch ziektebeeld te lijden. Wie ziekten van de geest wil zien, ziet ze ook. Family Life verspreidde toen de theorie van de schizofrenogene moeder en het double bind mechanisme: al te dominante moeders met zwakke echtgenoten werkten schizofrenie bij hun kinderen in de hand door een communicatievorm waarvan de inhoud radicaal afweek van de vorm (ik simplificeer een beetje), zo in de zin van: 'Je weet toch dat ik dat verbied omdat ik van je hou, toon door te gehoorzamen dat jij van mij houdt.'

Het waren de hoogtijdagen van het 'alles is politiek'-denken en van de 'alles is maatschappelijk bepaald'-modellen. Alle psychiatrische instellingen konden maar beter worden gesloten. De geesteszieken zelf werden geëerd als authentieke critici van een ontmenselijkende maatschappij. Grondige maatschappijveranderingen zouden het verschijnsel van de geestesziekte doen verdwijnen, zoals ook de staat en het gezin tot de ondergang waren gedoemd in een maatschappij die op (wetenschappelijke) waarheid en niet op vervreemding was gegrondvest.

Onlangs is de slinger weer totaal de andere richting uit gegaan, al blijft de strijd tussen de scholen een constante. Op een Belgische consensusconferentie over schizofrenie in 1999 was het allemaal genetica en hersenletsels wat de klok sloeg. Van de schizofrenogene moeder werd brandhout gemaakt en maatschappelijke invloeden werden sterk gerelativeerd. Behoorlijk wat moeders van schizofrene kinderen werden in de jaren zestig dus eigenlijk volkomen ten onrechte geculpabiliseerd. Op die consensusconferentie domineerden het fysiologische en genetische jargon en werden vooral tal van psychofarmaca aangeprezen om geestelijke stoornissen, indien al niet te genezen, dan toch minstens te bezweren.

Ook Edward Shorter geeft in zijn Geschiedenis van de psychiatrie de antipsychiatrie er flink van langs, omdat zij het wetenschappelijk onderzoek voor twintig jaar zou hebben lamgelegd. Ik doe daar geen uitspraken over omdat dit mijn vakgebied niet is, maar wat me tijdens die consensusconferentie toch weer enorm heeft getroffen is hoe weinig consensus er nog altijd over hoe weinig is, vooral dan wat betreft de verklaring van de oorzaken van (onder andere) schizofrenie, en hoe niettemin iedere psychiater of wetenschappelijk onderzoeker rotsvast bij zijn model of overtuiging zweert. Uit de consensustekst, gepubliceerd in Schizofrene stoornissen onder redactie van Josef Peuskens en Michel De Clercq, blijkt duidelijk dat er "een ruim aanbod is aan theoretische referentiekaders die de psychotherapeutische en psychosociale interventies onderbouwen". Er wordt nog altijd, zoals vroeger, een bittere schoolstrijd gevoerd tussen psychiaters onderling, terwijl ook psychologen en neurologen hun plaatsje onder de zon opeisen. Er zijn er zelfs die het bestaan zélf van de psychiatrie ter discussie stellen, want, zo zeggen ze, de oorzaak van een geestelijke stoornis is ofwel psychisch (en dan valt zij onder de bevoegdheid van de psycholoog), ofwel fysiek (en dan is ze een kluif voor de neuroloog). Dat lijkt me een bijzonder onvruchtbaar spoor, want als er één ding duidelijk is in de geestelijke gezondheidszorg, dan is het wel de voortdurende interactie tussen fysieke en psychische processen die tegelijk oorzaak en gevolg kunnen zijn.

Er is in de geestelijke gezondheidszorg dus nog behoorlijk wat eclecticisme. Het zal je als patiënt maar overkomen toevallig in een psychiatrische instelling te belanden die er een bepaalde theorie op na houdt, dan wel in een andere die totaal andere denkbeelden aanhangt. Dan voel je je toch niets anders dan een proefkonijn? De een zweert bij bepaalde psychofarmaca, de ander bij andere. De een zweert bij psycho-educatie, de ander gelooft daar geen donder in, en ga zo maar door. Je zou van minder knettergek worden. Nee, de ethicus in mij zegt me dat dit toch eigenlijk niet kan. Als er één domein is waar eindelijk eens werk moet worden gemaakt van de erkenning van patiëntenrechten, dan is het wel het domein van de psychiatrie, waar experimenten met mensen dagelijkse kost zijn en waar menselijke vrijheden vaak heel fundamenteel worden beperkt om zogenaamd 'therapeutische redenen'.

Er kan op deze onoverzichtelijke situatie maar op één manier worden gereageerd, mede vanuit het inzicht dat ondertussen het aantal geesteszieken - of 'mensen met een geestelijke handicap' - in onze maatschappijen toeneemt: er moet veel meer wetenschappelijk onderzoek worden verricht, en dan vooral meer fundamenteel en disciplineoverschrijdend onderzoek, want ik heb de indruk dat zeker bij ons zowel de geestelijke gezondheidszorg als de studie van geestesziekten schromelijk ondergewaardeerd en veel te weinig gesubsidieerd worden. Waanzin wordt gewoon niet ernstig genomen, ook niet door heel wat therapeuten. Er is nog net iets te veel 'pseudo-wetenschap' in deze sector aanwezig, die wellicht mede wordt gevoed door een gebrek aan multidisciplinaire aanpak en een gebrek aan respect voor de patiënten zelf. Van dat soort intellectuele verzuiling, verlos ons Heer...

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234