Vrijdag 18/09/2020

De Slag in het water

Deze week wordt de Slag om Mesen van 1917 herdacht. In de zomer van datzelfde jaar volgde de nog bloediger Slag om Passendale. Wanneer je het oude slagveld rond Ieper rond deze tijd afloopt, komen de verhalen van de strijd je aangewaaid vanuit Australië, Canada en Nieuw-Zeeland.

Zeven juni. Dag op dag honderd jaar na de dood van haar grootoom, sta ik naast Susan Wade, bij de herdenkingsplechtigheid op het Australische Strand Cemetery in Komen-Waasten. Ze heeft net als de andere Australiërs 36 uur gevlogen om de streek te bezoeken waar haar grootoom, Charles Coulton, gesneuveld is. 21 jaar was hij toen, een jongen van het Australische platteland, die karrenwielen herstelde en hier in Vlaanderen volgens haar het avontuur was komen opzoeken.

"Mijn grootoom is bij de aanval op Mesen slechts 50 meter ver geraakt", vertelt ze. "Hij had een zwaar machinegeweer, een Lewis Gun, ook al was hij niet zo'n stevige kerel, maar hij was wel taai. A tough nugget, noemen ze hem in de documenten. Thuis heb ik nog steeds zijn gebedenboekje liggen, aan flarden gereten door de granaatscherven, die hem om het leven hebben gebracht."

Volgens Annette Linthout, de gids van de groep Australiërs waartoe Susan behoort, zou een van de onbekende graven op dit kerkhof het lichaam van haar grootoom kunnen bevatten. Dat heeft ze uitgezocht met behulp van oude stafkaarten, maar ze moet er ook bij zeggen dat er hoegenaamd geen zekerheid over bestaat. Zijn originele graf is in 1918 verloren gegaan. Mogelijk is het door Duitse troepen verplaatst, mogelijk is het door artilleriebeschieting vernield. Niemand die het nog weet.

Susan heeft zelf tien jaar onderzoek gedaan naar haar grootoom, en besloot twee jaar geleden dat ze er vandaag zeker bij moest zijn. 's Avonds wil ze bij zijn naam op de Menenpoort een krans neerleggen, met de foto van haar grootoom in haar jaszak. Drie dagen voor zijn dood, heeft hij die naar haar grootmoeder opgestuurd. "Voor mij is dit heel emotioneel", zegt ze. "Mijn grootmoeder had het vaak over hem."

Als Susan het verhaal vertelt, moet ze zich inhouden om niet te beginnen huilen.

7 juni 1917: 03.10u

De Britse bevelhebber Douglas Haig ziet in 1917 zijn kans schoon om met een groot offensief in de zomer de patstelling rond Ieper te doorbreken, waarin het Britse leger sinds 1914 verzeild is geraakt. Om die grootscheepse aanval te doen slagen, moet het geallieerde leger zijn kwetsbare zuidflank rechttrekken. Omdat een frontale aanval te veel doden zou kosten, gaan de Britten ondergronds en graven ze mijngangen. Het objectief van de Britten: de hoger gelegen Duitse posities rond Mesen en Wijtschate. In dat gebied leggen de Britten in totaal 7,5 kilometer mijngangen aan, met daarin 431 ton explosieven. "Heren, ik weet niet of we de geschiedenis gaan veranderen", zegt een hoge Britse officier op een persconferentie voor de operatie, "maar de geografie in elk geval".

De explosie van de 19 mijnen, waaraan Britse mijnbouwers sinds 1915 gewerkt hadden, was zo hevig dat ze volgens de overlevering hoorbaar was in Londen en voelbaar in Parijs. Van de 26 Britse mijngangen zijn er op 7 juni trouwens zeven niet ontploft. Een werd onschadelijk gemaakt door de Duitsers zelf in 1916. Van de andere mijnen zitten er nog enkele in de West-Vlaamse grond, maar hoeveel dat er zijn en of ze nog springstof bevatten, is niet duidelijk. Eén mijn ging in 1955 door een blikseminslag de lucht in. Daarbij kwam een koe om het leven.

Gelijktijdig met de mijnontploffing, op 7 juni om 03.10u, gaat het Britse leger in de aanval met artillerie, infanterie en op sommige plaatsen zelfs met tanks. Een van de soldaten die op die dag de aanval inzet, is Frederik Collins. Hij zit aan boord van een tank, die dwars door het niemandsland langzaam naar een Duitse positie rolt. Wanneer de tank de Duitse linie bereikt, ziet de bemanning alleen een gapend gat voor zich:

"We kropen allemaal uit onze tank en liepen naar een enorme krater. De grootte van zoiets had je in je leven nog niet gezien. Ik zag daar ongeveer 150 Duitsers liggen, in steeds een andere houding. Sommigen hadden een granaat in hun hand, of een geweer aan hun schouder. Allen lagen daar dood, omgekomen door de mijn. De bemanning van onze tank stond daar zo'n vijf minuten. Toen we terugkeerden, keken we naar elkaar aan, en dat uitzicht is me steeds bijgebleven. Om ze daar zo te zien liggen met hun ogen open."

Aan de aanval nemen troepen deel uit Groot-Brittannië, Nieuw-Zeeland en Australië. Wanneer de Slag om Mesen zeven dagen later afgelopen is, hebben de geallieerden een klinkende overwinning binnen, ook al zijn de verliezen aan hun kant hoog. Meer dan 24.000 Britse en Gemenebest- soldaten worden tijdens de slag gedood of raken gewond.

Pilckem Ridge, 31 juli 1917

Het plan van Haig voor zijn offensief van 1917 is ambitieus. Het Britse leger moet na drie jaar uit de Ieperboog breken en de havens van Zeebrugge en Oostende innemen. Van daaruit opereren immers Duitse onderzeeboten, die Britse marine- en koopvaardijschepen kelderen, die dan weer van vitaal belang zijn voor de aanvoer van voedingsmiddelen en grondstoffen naar Groot-Brittannië.

En in zijn wildste dromen ziet Haig het nog grootser. Na de uitbraak moet het Britse leger kunnen doorstoten tot in Gent en verder oostwaarts. Het Duitse leger zit momenteel op zijn tandvlees, zo is zijn redenering, maar weldra zal Rusland misschien capituleren en dan komen de Duitse troepen van het Russische front, naar het westen.

Willen de Britten in hun opzet slagen, dan moeten eerst de heuvelruggen rond Ieper ingenomen worden, vanwaar de Duitsers de Britten met genadeloos artillerievuur kunnen bestoken. In de lagergelegen posities rond Ieper verliezen de Britten daardoor 7.000 soldaten per week.

Wat men later de Derde slag om Ieper is gaan noemen, Third Ypres of The Battle of Passchendaele, zoals dat in het Engels klinkt, begint pas op 31 juli 1917. Om 03.50u gaan de Britse soldaten in de hele linie rond Ieper over the top. Soldaat Alfred Warsop is een van de velen die 's nachts in zijn loopgraaf het moment van de aanval bang afwacht:

"Het was nog donker, maar de duisternis werd opgelicht door een lijn van ontploffende granaten. Wat verbazingwekkend was: je kon niemand verstaan door het lawaai. Ik keek naar Herbert, ik kon zijn lippen zien bewegen - ik schreeuwde iets terug, maar kon mezelf niet horen. Ik wilde hem vertellen dat we bij elkaar zouden blijven dus ik greep zijn hand vast en we gingen over de top zoals we als kinderen naar de Sunday School gingen: hand in hand."

De eerste aanval over het hele front is later de slag bij Pilckem Ridge gaan heten. Om even te onderzoeken hoe strategisch belangrijk dit kleine gehucht is, rijd ik er vanuit Ieper heen. Pilkem ligt nauwelijks een paar meter hoger dan Ieper, ontdek ik. Maar de stad is vandaar wel duidelijk te zien.

Na Pilkem, waar een monument staat voor de Welshe soldaten die op 31 juli de kleine verhoging in het landschap zonder noemenswaardige tegenstand innamen, rijd ik even langs het Ruisseau Farm Cemetery, gelegen zoals de naam doet vermoeden, op het erf van een boerderij. Wanneer ik het kleine kerkhof op loop, springt een Duitse herder me achterna. Ik schrik op, maar bemerk dan dat het grote beest, te midden van de Britse soldatengraven, alleen wat wil spelen.

Augustus, oktober

Ondanks de successen van de eerste dag van het offensief (de Britten bereiken de Steenbeek in het noorden, veroveren Hooge in het zuiden en zijn goed op weg naar Geluveld), zullen de volgende fasen veel moeizamer verlopen. En al snel ziet het ernaar uit dat de Britse aanval een lange, vreselijke uitputtingslag zal worden.

Vanaf 31 juli begint het rond Ieper onbarmhartig te regenen: de zomer van 1917 wordt de natste in dertig jaar tijd. Het water dat uit de hemel valt, kan niet weg, omdat de kleigrond verzadigd is en het drainagesysteem van beken door artillerie is kapotgeschoten. Het landschap bemoeilijkt het grootschalige Britse offensief danig. Want probeer maar eens zware kanonnen door de modder te verplaatsen, of eerder: probeer er maar eens in te overleven.

In het midden van het maanlandschap, waarvan de ondergelopen inslagkraters doordrenkt zijn met de geur van gas en rottende lijken, gaat majoor Neil Fraser-Tyler eind oktober op verkenning om een goede positie te vinden voor zijn artilleriebatterij:

"Toen een Duits machinegeweer het vuur opende op ons, zochten we dekking aan het uiteinde van een grote krater gevuld met het gewoonlijke, roodgekleurde slijmerige water. We werden beschotendoor artillerie, en een granaat - gelukkig een blindganger - landde in het water naast ons, wat een stortvloed aan slijmerig water veroorzaakte. Het bracht ook het hoofd van een dode Duitser met een helm op weer aan de oppervlakte. Op z'n gezicht had hij een afzichtelijke grijns en een van zijn armen was naar ons uitgestrekt, alsof hij ons mee naar beneden wilde trekken. En dan zonk hij traag terug naar de diepte waar hij vandaan was gekomen."

Een ander probleem voor de Britten was dat de Duitsers achter hun voorste linies versterkte bunkerstellingen hadden aangelegd. De Flandern I- en Flandern II-Stellung liep bijvoorbeeld tussen Zonnebeke en Passendale. Het typische dambordpatroon waarin die bunkers opgesteld waren, kun je goed zien op Tyne Cot Cemetery, waar drie bunkers nog steeds de hoogvlakte voor Passendale bewaken.

Een ervan is nu het fundament van het grote monument op het kerkhof: het grote witte kruis met een zwaard erin of het Cross of Sacrifice. De meeste soldaten die op Tyne Cot begraven liggen, vielen tijdens de Derde Slag om Ieper. 8.300 van de 12.000 graven op Tyne Cot zijn onbekend, uitsluitend known unto God. De namen van 34.887 vermiste soldaten staan op een herinneringsmuur aan de achterkant van het kerkhof. Het monument is een aanvulling op de Menenpoort, omdat er daar niet genoeg plaats was om de namen van alle vermisten in te beitelen.

November

Een van de musea die speciaal aan de Slag om Passendale gewijd is, is dat in Zonnebeke, dat voortdurend groepen van Britse toeristen ontvangt. Binnenin ontmoet ik er twee Nieuw-Zeelanders. Chris en Ted George, vader en zoon, zullen de volgende dag een krans neerleggen aan het Messines Ridge British Cemetery, ook exact honderd jaar geleden nadat Ted George, de grootoom, er gestorven is. "Mijn zoon is naar mijn grootoom vernoemd", zegt Chris George. "Ted is kort voor Edwin. Mijn grootoom kwam uit Naseby, een klein dorpje in Central Otago, en een van de dorpjes waaruit na de oorlog een generatie van jonge mannen verdwenen was."

Het is echt depressing, zegt Chris. "Vanmorgen ben ik langs de Kemmelberg gewandeld. Pas door naar hier te komen en de kerkhoven te bezoeken, kun je je iets voorstellen bij de enorme aantallen mensenlevens die in de oorlog verloren zijn gegaan." Zijn zoon Ted staat er een beetje verveeld bij, maar is niet alleen meegekomen omdat zijn vader hem naar hier meegesleurd heeft, verzekert hij. "We hebben op school tien weken besteed aan de veldslagen bij Mesen en Passendale en sindsdien ben ik er ook in geïnteresseerd." Terwijl ik de ceremonie de volgende dag gadesla, en Ted in zijn schooluniform een krans neerlegt, kijk ik naar rechts en zie ik dat ik naast het graf sta van Albert Furness, een Britse soldaat van zestien. Een jaar ouder dan Ted, tien jaar jonger dan ik.

Het museum in Zonnebeke toont naast krijgsmateriaal en filmpjes met getuigenissen van veteranen, buiten hoe Britse en Duitse loopgraven eruitzagen. Bij prima weer welteverstaan. In de laatste fase van de Slag om Passendale kwamen er geen loopgraven meer aan te pas, vertelde Canadese luitenant J. McKnight later. In de ochtend van 6 november leidt hij zijn peloton tijdens de aanval op Passendale:

"We startten om 6 uur 's ochtends en tegen de middag waren we slechts twee kilometer verder geraakt, maar het ging nu eenmaal niet sneller. Je zakte tot aan je knieën in de modder. Je kon ook geen loopgraaf graven, omdat die onmiddellijk zou vollopen met water en je dan eigenlijk gewoon een beek had. Het enige wat we konden doen was aan de uiteinden van de inslagkraters gaan liggen. Toen we bij de kerk van Passendale aankwamen, haalden we 18 of 20 krijgsgevangenen uit de kelder van de kerk. Van de stad was er niets meer over. Alles lag plat."

Pas op 9 en 10 november zullen de Canadezen Passendale volledig veroveren. Wanneer de soldaten vanuit het dorpje in de richting van Roeselare kijken, zien ze een nagenoeg onaangeroerd landschap. Kijken ze in de richting van Ieper, dan zien ze de hel waaruit ze zijn gekropen. In november zijn de Britten waar ze volgens het aanvalsplan van de Britse legerleiding op de eerste dag al moesten zijn, maar ze zijn er wel in geslaagd om een paar belangrijke plaatsen in te nemen. Langemark, een deel van Poelkapelle, Passendale en Broodseinde zijn in geallieerde handen.

Op het kerkplein van Passendale staan een Duits kanon en een klein monument als stille getuigen voor de soldaten die in de slag vernoemd naar het kleine dorp hun leven verloren. Het aantal slachtoffers van de slag wordt betwist, maar zou aan beide zijden samen zeker meer dan een half miljoen doden en gewonden bedragen.

Het kleine monument specifiek voor de Canadese soldaten bevindt zich een beetje verder. Vanaf die plaats, die de Canadezen honderd jaar geleden Crest Farm hadden genoemd, trachtten de Duitsers koste wat het kost de heuvelrug van Passendale tegen de Canadezen te verdedigen.

Rond de kleine marmeren gedenksteen zijn esdoornen geplant en het kleine grasperk voor het monument ligt bezaaid met kleine maple leafs, het symbool van Canada. Aan de rand van het Passchendaele Canadian Memorial merk ik op hoe een Canadese filmploeg een man volgt, die ze opdragen om weemoedig uit te kijken naar de watertoren van Passendale. De man, Robert H. Thomson is een artist, writer, actor, staat te lezen op zijn visitekaartje.

"De geschiedenis van de Eerste Wereldoorlog gaat over de verhalen van de mensen die hem meemaakten", omschrijft hij zijn persoonlijke missie. In Passendale is Thomson bezig met een documentaire over zijn grootoom George Stacey Stratford, die hij over het slagveld is gevolgd aan de hand van zijn persoonlijke brieven. Zijn grootoom sneuvelde bij het grote Duitse tegenoffensief in maart 1918, vertelt Robert. Hij verdedigde Passendale, dat voor de geallieerden toen al een enorme symbolische waarde had, vanuit de watertoren tegen de oprukkende Duitsers. Tot een granaat insloeg.

Wat me opvalt, vertel ik hem, is dat de namen van enkele onooglijke Vlaamse dorpjes aan de overkant van de wereld nog steeds zo'n sterke lading hebben. "Ik denk dat de nutteloosheid, die we associëren met Passendale, nog steeds tot onze verbeelding spreekt", zegt Robert.

Om nog een idee te geven van de nutteloosheid van de Slag om Passendale: tegen eind maart 1918 hebben de Duitsers, versterkt door troepen van het Russische front, Passendale heroverd en staan ze weer voor Ieper. Het dorpje zal pas een dikke maand voor het einde van de oorlog definitief bevrijd worden.

De historische getuigenissen in dit stuk zijn ontleend aan Passchendaele. The Sacrificial Ground van Nigel Steel en Peter Hart.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234