Dinsdag 16/07/2019

De sinistere grandeur van de werkmens

Generaties schoolkinderen hebben het grapje uitgeprobeerd. 'Koopt ge een medaille van de mijnwerkers, mevrouw? Ze kost één frank.' Als de dame erin trapte, haalde je een koperen muntje van 50 centimes te voorschijn. Netto winst: een halve frank. Misschien is het stuk vandaag nog wel in omloop. Er was ook een kleinere variant van twintig centimes met hetzelfde profiel van de mijnwerker en dezelfde lamp. Mijn overgrootvader vertelde dat het een beeld van Meunier was. Hij kon het weten, hij was een socialist.

Eric Min

Wie iets wil beweren over het verband tussen kunst en arbeid komt onvermijdelijk uit bij Constantin Meunier (1831-1905), de Belgische beeldhouwer die als geen ander de werkende mens heeft afgebeeld. In musea en op pleinen kom je zijn bronzen gestalten tegen: Het grauwvuur, De puddelaar, De smid. Het zijn mensen uit de Borinage en het Luikse industriële landschap van honderd jaar geleden. Meunier ontmoette hen in de fabriekshallen van Cockerill of Val Saint-Lambert en in de geïmproviseerde ziekenzaal van Quaregnon na de mijnramp die in maart 1887 meer dan honderd mensenlevens had geëist. Een nacht lang observeerde de kunstenaar er een oude moeder die bij het lichaam van haar zoon waakte. In zijn Leuvense atelier ontstond zo Le grisou ('Het grauwvuur').

Meuniers schrijvende spitsbroeder Camille Lemonnier, de Belgische tegenhanger van Emile Zola, leverde helse bladzijden af waarin uitgeputte lichamen zich staande houden bij het schijnsel van toortsen of elektrische lampjes - het zijn taferelen uit een holocaust in de eerste betekenis van het woord: een alles verzengende brand. Het bronzen beeldje van een oud mijnpaard, geen veertig centimeter hoog en geïnspireerd door een uitgemergeld beest dat een week na de ramp naar boven was gehaald, droeg bij tot Meuniers internationale faam; het werd in 1894 geëxposeerd op de Salon van het Brusselse kunstenaarsgezelschap La Libre Esthétique en twee jaar later in de Parijse galerie L'Art nouveau van Samuel Bing. Voortaan zou de beeldhouwer in Dresden, Berlijn en Wenen exposeren. De sukkels uit de sloppen hadden de deuren van musea en privé-collecties opengewrikt.

Nog in 1901, vier jaar voor Meuniers dood, roemt een criticus zijn eenvoudige lijnen, de steeds terugkerende kop van de arbeider, de sobere kleuren van de schilderijen en "de bijna tragische troosteloosheid van de walmende horizonten in het kolenland". Meuniers Volksvrouw uit 1893 dreef August Vermeylen tot een lyrisch stuk, het rechtstreekse gevolg van "de innigheid die het geheel doortrilt en bezielt, zoodat het minste trekje ons inneemt en warm aandoet. Dat afgesloofde en stille hoofd blijft in mijn herinnering staan, omgeven van 'k weet niet welke atmosfeer van vrome genegenheid, - van begrijpende liefde."

Hoewel Meunier zich thuis voelde in het gezelschap van de verlichte burgers uit de leiding van de Belgische Werkliedenpartij, had hij geen rechtstreekse politieke bedoelingen: "Mais au fond, j'ai sculpté ces hommes, tout simplement parce que je les aimais." De Arbeid op zich was nobel genoeg om verheerlijkt te worden. Meunier was geen militant van de staking, zoals zijn collega en tijdgenoot Eugène Laermans of de Franse anarchist Maximilien Luce. De arbeiders van Meunier, zo schrijft een criticus, staan stil bij hun lijden. Ze treuren: in hun ogen lees je een gebed. Die van Laermans lijken wel de speelbal van het lot. Het zal wel.

Meunier wilde gewoon afbeelden wat hij zag. In zijn onbeholpen Frans vol fouten ziet het er zo uit: "j'ai taché d'heroïser, - le travail le travailleur". De kritiek lustte er wel pap van. Meunier zou "de Millet van de arbeiders" worden, een verwijzing naar de Franse naturalist Jean-François Millet (1814-1875) die vooral boeren schilderde. Op de Salons van Les XX en La Libre Esthétique krijgt "le superbe et écrasant Meunier" een ereplaats naast grote namen als Fernand Khnopff, Théo Van Rysselberghe en Auguste Rodin.

Toch is zijn technisch meesterschap niet onbesproken. Was hij een mislukt schilder die ging beeldhouwen? "Zijn geschilderde fabrieksinterieurs leken wel bas-reliëfs." De beroemde Franse criticus Octave Mirbeau merkte op dat hij de stiel onvoldoende beheerst. De vormen willen wel eens zwaar wegen, de contouren zijn dor en stroef: "on sent trop l'effort en tout ce qu'il fait." Kijk maar, het klopt. August Vermeylen: "Maar niets wordt onder mooien schijn verheeld, en kunstgrepen ontbreken ten eenenmale. Zoals het is, is het." Vermeylen heeft Meunier om zijn gebreken lief, en zo hoort het. "Hij ziet in 't groot. Hij peutert niet: de sterke uitdrukking van zijn gedachte is hem voldoende."

Meuniers levenswerk kwam niet uit de lucht vallen. De schilder van historische en religieuze taferelen, die zo schoon de Boerenkrijg en de trappisten van Westmalle konterfeiten kon, was een halve eeuw oud toen hij de verborgen wereld van de arbeid leerde kennen. O ja, op de Brusselse Salon van 1851 had hij Les casseurs de pierres van Courbet gezien, maar dat werk had vooral zijn schildertechniek beïnvloed. In 1878 trekt hij naar Hoei, een jaar later bezoekt hij le Pays noir samen met een van de zonen van de schilder Charles Degroux; de mannen waren uitgenodigd door de directeur van Cockerill in Seraing. De inspiratie borrelt op, samen met de aandrang om te gaan beeldhouwen: "Het is een vermetel plan, en ik was - helaas - de vader van een kroostrijk gezin".

Nadat Meunier in 1863 vruchteloos had gehengeld naar een betrekking van leraar aan de Brusselse academie, leefde hij van opdrachten. Hij ontwierp een praalwagen met een allegorie van de Nijverheid voor een optocht naar aanleiding van de vijftigste verjaardag van België en mocht van de regering een zestiende-eeuwse meester gaan kopiëren in Sevilla. Toen hij terugkwam was het hek van de dam. Voortaan zou Meunier met arbeiders in de weer zijn. Bescheiden als hij was, schreef hij later dat het de tijdsgeest moet geweest zijn: "c'était le patrimoine commun à toute la génération". Wanneer Octave Maus de kunstenaar in 1884 uitnodigt voor de eerste Salon van Les XX, antwoordt Meunier dat hij graag misbruik zal maken van het gestelde vertrouwen en geen schilderijen maar gipsen modellen van beelden wil tentoonstellen. Het volgende jaar zijn de puddelaar en de dokwerker op de afspraak.

Het is de eerste keer, zo schrijft criticus Max Waller, dat de kiel van een arbeider opduikt naast het naakt, de toga of de deftige overjas. Meuniers smid (Le marteleur) reist in 1886 naar Parijs, waar hij door Mirbeau wordt begroet als een voorbode van de nieuwe kunst. Het is geen academische studie maar de natuur zelf, een proeve van kracht en ontbering, woeste heroïek en ruwe melancholie. De man stinkt naar het volk en toch is hij nobel en elegant. De beeldhouwkunst moet de schilderkunst volgen en de neerslag zijn "van het leven, van een tijdperk, van een sociale klasse". Mirbeaus beroemdste zin danken we aan het beeld van Meunier: "Quand on veut représenter le travail, il ne s'agit pas de faire une femme nue, ou drapée methodiquement, dont le profil se tourne vers un instrument quelconque; il s'agit de planter sur un socle un ouvrier" - wie de arbeid wil tonen heeft geen blote vrouwen nodig die glazig turen naar een of ander werktuig, maar een werkmens op een sokkel.

Eigenlijk beeldt Meunier precies af wat de schrijver Joris-Karl Huysmans in een essay uit 1880 tot onderwerp van de moderne kunst had uitgeroepen: de noeste arbeid in de fabriekshallen, de koorts van de industrie en de weelde van de machine: "cela est encore à peindre et sera peint." Het klinkt allemaal behoorlijk geëngageerd en politiek correct, maar is het dat wel? Een krant juicht dat Meunier de democratie in het artistieke bedrijf heeft binnengehaald. De linkse voorman Jules Destrée schrijft nog in 1912 dat "de arbeider zijn intrede deed in de kunst om de gelijke te worden van de oude goden." Zijn het dichterlijke overdrijvingen of aanvallen van exotisme? De proletariërs zijn als (let op die 'als') gladiatoren, atleten, goden. Lijkt Meuniers beeld De gekwetste niet sprekend op de klassieke jongeling die een doorn uit zijn voet trekt? Waarom vergelijkt Destrée Le marteleur met een ridder uit oude tijden die de materie bedwingt en naar zijn hand zet? Kan een treurende moeder niet gewoon haar eigen gehavende zelf zijn, een slachtoffer - geen Mater Dolorosa uit de renaissance, geen piëta op een doek van Michelangelo of Rogier van der Weyden, waar de kritiek voortdurend naar verwijst?

Meuniers werk La descente des mineurs dans la bure belandde in de verzameling van graaf d'Aspremont Lynden, zijn kleine bronzen arbeidsters sierden de schoorsteenmantel van menige advocaat. Le retour au coron werd aangekocht door de minister van Nijverheid en Tewerkstelling. Het kleine reliëf waar de ontwerper van het munststukje van een halve frank zijn mosterd heeft gehaald, was een opdracht van de industrieel Edouard Taymans. Meuniers kunst was een goedbedoeld maar onschadelijk en vrijblijvend antidepressivum voor de progressieve burgerij.

Misschien is de onheilspellende opmerking van de dichter Emile Verhaeren in 1892 wel de meest lucide diagnose van de troebele tijden die er dreigden aan te komen. Dankzij Constantin Meunier, zo schrijft hij, is de arbeider niet langer een verre, vage levensvorm waarover je even mocht praten wanneer er een ramp gebeurde. Hij had zich een weg gebaand naar de stad, hij verschanste zich in de salons en de musea. "De arbeider is iemand met wie er weldra eeuwenoude rekeningen zullen moeten vereffend worden."

De hel is niet losgebroken. Meuniers werk, "une grandeur presque sinistre et comme une vision souterraine d'enfer" (Verhaeren), is als een grafschrift voor de moderne tijd. De ideologie, dat alleenzaligmakende recept voor een stralende toekomst, is verzand in onschadelijke beelden. In de kunst is alles schoon: de treurende vrouw bij het lijk van haar zoon, het uitgemergelde paard, het aidsslachtoffer op zijn sterfbed, het napalm-meisje op de foto in de krant. Kunst verzoent. Kunst stelt gerust.

Honderd jaar later heeft de Brusselse galeriehouder Maurice Tzwern het gelukkige initiatief genomen om Meuniers belangrijkste werken samen te brengen in een fraaie overzichtstentoonstelling. Verspreid over de drie verdiepingen van het prachtige pand in de Wolstraat krijgen we zowat het hele oeuvre te zien. Ze zijn er allemaal: kleine bronzen replica's van de bekende beelden, schilderijen uit het zwarte land, vroege werken. Tijdgenoten als Rops, Frédéric, Ensor of Lambeaux worden subtiel tussen de collectie geweven. Enkele stukken behoorden tot Meuniers eigen verzameling, en haast altijd tonen ze verwante thema's: mensen uit de Borinage (Cécile Douard), de betogers en de landverhuizers (Laermans), de wagenduwsters van Armand Rassenfosse of de Maasvallei met de rokende schoorstenen van die andere Luikenaar François Maréchal. Het is een mooi, aangrijpend ensemble en een moedig initiatief. De toegang is gratis, de boodschap niet mis te verstaan: gedenk, gij die hier binnentreedt, dat gij niet uit het niets gekomen zijt. En wees blij dat de eeuwenoude rekeningen uit het verhaal van Verhaeren nooit echt zijn vereffend.

De tentoonstelling loopt tot 17 april in de galerie Maurice Tzwern, Wolstraat 36 te Brussel (tel. 02/511.84.49). Geopend van dinsdag tot zondag van 14u tot 18u. De toegang is gratis. De catalogus in het Frans en Engels kost 1.500 frank.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
© 2019 MEDIALAAN nv - alle rechten voorbehouden