Zaterdag 23/01/2021

De seigneurs van de Seefhoek

Vandaag staat de Seefhoek in Antwerpen in het teken van zestig jaar Suske en Wiske. In de plechtige toespraken klinkt het dan altijd dat tekenaar Willy Vandersteen en zijn creatie kinderen zijn van die Seefhoek. Was dat maar zo. Ooit waren Suske en Wiske inderdaad Antwerps en volks. Maar ze zijn dat allang niet meer. Walter Pauli over hoe Suske en Wiske uit de Antwerpse volkswijk wegtrokken

Toen Suske en Wiske nog 'Rikki en Wiske' heetten, in 1945 dus, beleefden ze één avontuur, In Chokowakije, een fictief Oost-Europees en in die tijd dus zeer communistisch land. Op de laatste pagina van het album, als de snode communisten bij de neus zijn genomen, reizen Rikki, Wiske en tante Sidonie - zo heet ze dan nog - in hun 'rakettank', een imaginaire uitvinding van de jonge Vandersteen, terug naar Vlaanderen. Naar Vlaanderen? "In volle vaart raast de rakettank door het Vlaamsche landschap naar Antwerpen", staat er. Daar mogen ze een heuse blijde intrede maken die echter jammerlijk eindigt. Op het allerlaatste plaatje van het album liggen Rikki, Wiske en Sidonie duidelijk zichtbaar in de waterbak voor het monument van toondichter Peter Benoit, nu in het Harmoniepark, maar toen nog midden op de Frankrijklei, pal voor de Opera. Rikki en Wiske waren na hun eerste omzwerving echt thuisgekomen, in Antwerpen. Van hieruit zou de succesreeks 'Suske en Wiske' van start kunnen gaan.

En inderdaad, het eerste verhaal uit die reeks, Op het eiland Amoras (1945), begint met een longshot: "Tante Sidonie en Wiske brengen een dagje door te Doel aan de Schelde." Er groeide toen nog lis en riet aan de Schelde, op de rechteroever stonden er nog hoeven en boerderijen en was er nog geen spoor van de chemische nijverheid. Wiske en tante Sidonie woonden ook in een gewone volkswijk te Antwerpen, naar het centrum trok men alleen voor de grote gelegenheden: het vertrek naar Amoras met de gyronef (Vandersteens uitvinding, een helikopter met straalmotor), Wiske, die dan zo nodig naar de top van de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal moet klimmen, of een thuiskomst in stijl op dezelfde Grote Markt, met zicht op het stadhuis. In Amoras, een mini-middeleeuws Antwerpen, wonen de 'dikken' in de stad, hun leider Jef Blaaskop zelfs in een burcht genaamd 'het Steen', en de armen, heel toepasselijk 'de mageren', in armoedige huisjes op den buiten. En die buurt heet, jawel, Seefhoek. Het is ook de strijdkreet van dat arm volk: "Seefhoek vooruit!"

Dat blijft ook de stijl van de eerste verhalen. Er is niet alleen een onloochenbare Antwerpse inslag, Suske en Wiske zijn en blijven volkse figuren. Antwerps, als Lambik zich in De witte uil (1948) tal van problemen op de hals haalt na een kleine wandeling, zoals Vandersteen het beschreef "in het Chinese kwartier der Scheldestad".

Volks, in echt elk opzicht. Beroepshalve: Lambik is loodgieter en beschouwt zich nadrukkelijk als een werkmens. In De ringelingschat (1951) tekent Vandersteen een merkwaardige scène. Lambik en Wiske nemen de bus - ze zullen nog lang een beroep blijven doen op het openbaar vervoer. Daar krijgen ze het aan de stok met een balorige kaartjesknipper. Zegt Lambik tot een paar heren in diezelfde bus: "'t Is toch wreed meneer. Dat is nu ook een werkmens en dat slaat zo'n toon aan tegen mensen als gij en ik." Waarop de mannen hem de rug keren. Lambik dringt aan, tot een van hen met zuur gezicht opmerkt, terwijl hij met één hand over zijn cravate strijkt: "Excuseer, wij zijn geen werkvolk. U ziet toch wel dat wij 'employees' zijn, zeker?" Het is een merkwaardige passage, omdat Vandersteen zich hier uitdrukkelijk afzet tegen omhooggevallen middenklasse.

Volks, ook qua cultuur. Ook in 1951, in Het bevroren vuur, raakt Lambik over zijn toeren omdat zijn lievelingseten er niet meer verkrijgbaar is. Het gaat niet om biefstuk, laat staan om oesters of om kreeft. Wat dan wel? Haring. Lambik: "Geen haring. Het leven heeft geen waarde meer." ("gerookte haringen... lost goed van de graat... straffe smaak... trillende milt... reuk die in de neus pakt... goudbruine, dikke rug"). Om meteen een tirade af te steken tegen garnalen, al wat 'beter' (en duurder) eten in een tijd dat tomate-crevettes nog golden als absolute lekkernijen in de betere brasserieën. Niet voor Lambik: "Garnaal. Ik ken dat. Kop eraf. Staart af. En de rest nijpt ge in spijs bij 't pellen."

Het kan zelfs erger. In Het taterende testament (1957) komen Lambik, Jerom en Sidonie zelfs helemaal onderaan op de sociale ladder terecht. Een brand heeft hun huis in puin gelegd en Vandersteen is een paar pagina's lang een verre voorloper van Ken Loach en zijn sociaal miserabilisme. Ze verhuizen naar "een gemeubeld huisje in een tuinwijk". Het prentje dat erbij staat, zal iedere Antwerpenaar herkennen als een typische platte-dakwoning zoals men er honderden, duizenden wellicht, aantreft in Deurne, vooral in de buurt van de Bisschoppenhoflaan. Een tuintje is er niet, hobby's (modelbouw van treintjes) worden bedreven op "de koer". Als daar tijd voor is tenminste, want Lambik krijgt "een baantje als bediende" en Jerom "controleert in een limonadefabriek flessen die aan de lopende band voor een lichtbak schuiven". Als ze aan het einde van de werkdag er wat door zitten, pept Lambik Jerom op: "Wij werkende mensen moeten elkander helpen."

Maar zo blijft dat niet. Er was al een veel deftiger Lambik, in de jaren dat Willy Vandersteen niet alleen voor de De Standaard-krantengroep werkte, maar ook bij Hergé voor Kuifje, het stripblad voor de betere Brusselse burgerij. Daar tekende hij de verhalen van de zogeheten 'blauwe reeks'. Die heeft de naam zijn beste werk te zijn. Het is in ieder geval ook zijn elitairste. Ze gaan niet meer kamperen in de Kempen (De sprietatoom, 1946; Lambiorix, 1949) of op uitstap naar Ardennen (De mottenvanger, 1948). In de blauwe reeks verblijven ze aan de Azurenkust, liefst te Mocano - zeg niet Monaco -, in De bronzen sleutel (1952). Suske en Wiske spelen geen voetbal met een blikje, zoals in De bokkerijders (1948) (Suske: "Ik zal eens bruut spelen zoals de Hollanders"), maar spelen tennis, in een smetteloos witte outfit. Lambik houdt zich ver van de Seefhoek, maar heeft zich in De Tartaarse helm (1951) "in een Kempense villa gevestigd en geeft er les in de edele schermkunst". "Suske en Wiske komen op zijn domein dikwijls aan sport doen." Daarbij staat een tekening van een villa zoals sommige mensen die mooi vinden - en voldoende groot, vooral. Als Suske en Wiske een oude man helpen, heeft Lambik een opmerking zoals alleen dikke-villabewoners die ter plekke kunnen verzinnen: "Wat jullie daarstraks voor die oude sukkelaar gedaan hebben, is natuurlijk mooi, maar... met vreemdelingen moet men oppassen. Er is in de buurt al verschillende keren ingebroken." Een kwarteeuw voor Karel Dillen het Vlaams Blok zou stichten...

Maar dat blijft niet duren. De geest van de blauwe reeks sluipt ook in de gewone, rode verhalen. Zou het ermee te maken kunnen hebben dat Vandersteen zelf enige welstand begon op te bouwen? Vanaf halfweg de jaren vijftig is het bijzonder onduidelijk waar Sidonia en de kinderen wonen, maar het is zeker niet meer de Seefhoek, ook niet de stad. Suske en Wiske worden kinderen van verkavelings-Vlaanderen, in steeds wisselende huizen in immer veranderende architectuur, huizen uit het Vlaanderen dat wijlen Renaat Braem ooit afdeed als "het lelijkste land ter wereld". Ook Suske en Wiske (en natuurlijk Sidonie en Lambik) worden rijker en welstellender. Soms is dat charmant, als bijvoorbeeld een ultramodern hebbeding zijn intrede doet: de broodrooster. Ter wille van het publiek legt Sidonie in De snorrende snor (1956) uit: "Let op, Wiske, als het brood geroosterd is, springt het automatisch uit het toestel." En er komt natuurlijk tv en een auto - correctie: auto's - zoals die zeer opzichtige, goudkleurige en dus haast protserige Dodge Cornet (in Het hondenparadijs, 1961). Ze sluipen definitief de arbeiderswereld uit in De Texasrakkers en De windmakers (beide 1959) als ze in een huis-met-tuin-en-garagebuurt terechtkomen en de illustere verkoper Theofiel Boemerang als buur krijgen. Natuurlijk krijgen ze burenruzie en zelfs Sidonie laat zich gaan met een kakmadam-opmerking over de garage van haar buurvrouw: "Och, we gaan geen ruzie maken om de garage van een klein autootje."

O ja, ze komen nog in Antwerpen langs, af en toe. In Jeromba de Griek (1965) gaat Jerom een pint drinken in het bekende café Den Engel en Vandersteen maakt er mooie tekeningen van de echte stamgasten. Een paar scènes uit De apekermis (1965) spelen zich duidelijk af nabij de Zoo, herkenbaar aan die grote 'bogen' van het spoorviaduct richting Centraal Station. Maar Antwerpen is hier decor geworden, meer niet. Het echte Antwerpen, laat staan de ware Seefhoek, die wordt vanaf de jaren zestig zelfs nadrukkelijk weggegomd. Vanaf De nerveuze Nerviërs (1964) is het Aantwaarps taboe en kondigt Sidonie aan: "Vanaf nu spreken wij beschaafd Nederlands en daarom wil ik voortaan Sidonia heten."

Meer nog, de Seefhoek wordt zelfs verraden. Als er in 1967 een kleurenversie komt van Op het eiland Amoras en de titel veranderd wordt in Het eiland Amoras, wordt het hele verhaal ook 'veront-Antwerpst'. De Nederlandse markt moet immers veroverd worden en toen overspoelden Hollanders Antwerpen nog niet zo naarstig als vandaag. Zo werd 'dagje Doel' een dagje aan zee, werd het Steen ineens 'de Schreierstoren' (uit Amsterdam) en - oh, blasfemie - loochende Vandersteen zijn eigen afkomst door zijn strijdkreet 'Seefhoek vooruit' te veranderen in 'Antigoon, vooruit'. De Seefhoek verraden, verkocht zeg maar, voor een handvol florijnen. Want al die opsmuk diende natuurlijk om Suske en Wiske acceptabeler te maken voor de Nederlandse markt.

En zo gaat het verder. De Antwerpse haven, nog zo charmant in beeld gebracht in De straatridder (1956) (een hommage aan de film Meeuwen sterven in de haven van Roland Verhavert) is helemaal anoniem geworden in De gekke gokker (1972). Lambik kan net zo goed in Amsterdam of Rotterdam aan lager wal geraakt zijn.

Die ommekeer wordt zelfs officieel. In De tamme tumi (1984) kondigt Sidonia aan: "Ik heb een huis gekocht en ga verhuizen." Er staat geen plaats bij, maar het is een optrekje dat aanvaardbaar is voor noord en zuid. Een huis, laten we zeggen, zoals Nederlanders die in de landelijke rand rond Antwerpen wonen dat graag zien. Aan een meertje, met een af-schu-we-lijk knus torentje. Burgers van Brasschaat, tenminste volgens het clichébeeld dat van die gemeente bestaat. Niet onze smaak, net zoals de albums dat steeds minder zijn. Het echte, charmante Antwerpen is weg, de Seefhoek is de rug toegekeerd, overgelaten aan wie daar wil wonen, volk met minder geld dan het clubje van de erven Vandersteen. Als Suske en Wiske nog eens een voet in Antwerpen zetten, heeft dat vaak een reden. Het dreigende dinges (1985) vertelt de zeer Antwerpse, zij het wat tranerige legende van Nello en zijn hond Patrasche, maar de enige reden voor dat album, was dat dat goed lag bij Japanse toeristen (om een of andere reden is dat verhaal wereldberoemd in Japan). Even doorzichtig is de reden waarom ze in Het grote gat (1986) naar het Antwerpse Diamantmuseum gaan om daar de obligate pocherij te vertellen: "Antwerpen mag zich terecht het diamantmuseum van de wereld heten!" Aargh, aarggh. Dat is een van die albums 'onder vrienden'. Vrienden met aanzien, met geld. Zo te zien hebben de striphelden van vroeger zich uit de Seefhoek laten uitkopen, voormalige mageren, maar stilaan met een dikke nek. De sinjoren zijn seigneurs geworden.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234