Vrijdag 15/11/2019

De schrijvers van de Schelde

Ooit werden ze op handen gedragen door half literair Europa. Nu ontfutselt het Letterenhuis in de expo Escaut! Escaut! vijf Franstalige Belgische grootheden weer aan de vergetelheid: Emile Verhaeren, Georges Eekhoud, Max Elskamp, Georges Rodenbach en Maurice Maeterlinck, allen geboren langs de Schelde.

Maandag 27 november 1916. De datum staat in de Belgische letterenannalen nog steeds met een dikke rouwrand omlijst. Op die winterdag, honderd jaar geleden, sukkelde Emile Verhaeren op het station van de Franse stad Rouen de dood in. De wijd en zijd bejubelde Verhaeren had de avond voordien een lezing gegeven en wou de trein nemen naar Parijs. Maar de gehaaste schrijver maakte een fatale misstap en de trein zette zich in beweging.

'Zijn benen werden onder de knie geguillotineerd, zijn lichaam half in elkaar gedrukt. Hij stierf minuten later op het perron', schrijft Benno Barnard alsof hij erbij stond, in het boek Escaut! Escaut! 'De sappen in zijn brein produceerden deze laatste woorden: 'Ik sterf... mijn vrouw... mijn vaderland...''

Het wapengekletter van de Eerste Wereldoorlog overstemde de tragische dood van de beroemde dichter en Europese humanist, die zich na de inval van de Duitsers had ontpopt als een rabiaat én strijdlustig patriot.

Nu grijpt het Antwerpse Letterenhuis het 100-jarige overlijden van Emile Verhaeren aan om ook zijn literaire tijdgenoten Maurice Maeterlinck, Georges Rodenbach, Max Elskamp en Georges Eekhoud onder het stof vandaan te halen. Dat mondt uit in een drieledig project: een expo, een Klara-radioreportage van Katharina Smets en het met veel gusto door Benno Barnard geschreven boek Escaut! Escaut!

De Schelde vormt zowel leidraad als levensader van de expo. Tussen 1855 en 1865 werden alle vijf auteurs immers geboren langs de rivier: Verhaeren in het lieflijke dorpje Sint-Amands (waar ook zijn graftombe ligt), Georges Eekhoud en Max Elskamp in Antwerpen, Georges Rodenbach in Doornik en Maurice Maeterlinck in Gent. Vijf Franstalige Vlamingen die rond dezelfde periode Europese en Parijse roem mochten opspelden.

Vooral Verhaeren en Maeterlinck pronkten met lauweren. Toonaangevende schrijvers als Rainer Maria Rilke, Octave Mirbeau en Stefan Zweig droegen hen op handen. Ze werden gelezen van Londen tot Stockholm en van Moskou tot Lissabon en observeerden haarscherp het Vlaanderen van hun tijd. 'Verhaeren werd in Moskou op straat herkend, tientallen jaren voor de uitvinding van de televisie, en Maurice Maeterlinck ontving in 1911 de Nobelprijs voor Literatuur. Beroemde namen! Beroemde Vlamingen!', aldus Barnard.

Niet voor niets werden Vlamingen ooit 'le plus latin des peuples germaniques' genoemd, voegt hij eraan toe. 'Verhaeren & co zijn het product van België en zijn taaltoestanden. Ze spreken zowel het Nederlands als het volkse Vlaams uit hun jeugd. Voor hun literaire werk kiezen ze het Frans, de Europese cultuurtaal bij uitstek.'

Verhaeren zag zichzelf trouwens als zoon van een 'lastig, wild en heftig volk'.

Fiere borstbeelden

In het tentoonstellingsparcours van Escaut! Escaut!, bedacht door Jan Lampo en Rik Hemmerijckx, krijg je een weloverwogen rehabilitatie van de vijf auteurs.

Letterenhuis-expo's hebben trouwens altijd iets knus en intiems. Heeft het te maken met de oude folianten, opgedolven manuscripten en rijk geïllustreerde boekuitgaven die als vanzelf tot introspectie neigen? Ook de schaarse belichting - kwestie van de boekwerken niet te bruuskeren - zorgt voor een ingetogen sfeer. Escaut! Escaut! moet het niet hebben van interactieve bombarie of flitsende filmpjes. Fiere schrijversborstbeelden geven het geheel zelfs iets statigs. Aan een lange wand hangt een fotoreportage over de zoektocht van Benno Barnard, Jan Lampo en Michaël Vandebril naar sporen van het vijftal door heel Vlaanderen, met foto's van Nicolas Maeterlinck (jawel, de achterneef van de Nobelprijswinnaar). Aan de andere zijde liggen de auteursrelieken en manuscripten veilig achter glas.

Bij binnenkomst val je eerst in de armen van Max Elskamp, wellicht de minst bekende van het vijftal. De excentrieke Elskamp evoceerde in zijn eerste dichtbundels een idyllisch Vlaanderen, 'gewild naïef', met katholieke rituelen en volkse devotie. Eenvoudige poëzie in een soms kinderlijke taal, schreef hij, maar zo verfijnd dat hij de interesse van Mallarmé en Verlaine wist op te wekken.

De uit een welgestelde Vlaamse familie afkomstige Elskamp ontdekte in de Antwerpse haven en het Schipperskwartier het volkse leven. 'De fragiele man, geplaagd door depressies, verzamelde fragiele dingen, symbolen van het dagelijkse leven van mensen om hem heen - uithangborden van het Schipperskwartier, mannekensbladen, armoedig speelgoed', aldus Leen Huet. Zijn verzameldrang zou de basis vormen van het Antwerpse Volkskundemuseum en het MAS.

Op de expo zien we hoe zijn vriend en latere architect Henry Van de Velde de vormgeving van zijn eerste bundels ter harte neemt. Elskamp bouwde ook zijn eigen drukpers en maakte houtsneden om zijn dichtbundels op te tuigen.

Pornografie

Meer faam verwierf socialist, pacifist én notoir homoseksueel Georges Eekhoud. Toch was hij braafjes gehuwd met de kokkin van zijn grootmoeder én bevriend met Vlaamse coryfeeën als James Ensor, Stijn Streuvels en Hendrik Conscience. Later werd hij pompeus gefêteerd met literaire banketten en een Belgische Staatsprijs.

Het leek een ware heksentoer voor Eekhoud om al deze obediënties in één borst te verenigen. Het belette hem niet om de geschiedenis in te gaan als taboedoorbreker. Met Escal-Vigor (1899) schreef Eekhoud de eerste roman waarin homoseksualiteit een positieve connotatie meekreeg. Het kwam hem op een proces voor pornografie te staan. Maar de Franse Nobelprijswinnaar André Gide sprong voor hem in de bres en de vrijspraak wenkte.

In verhalen en romans als het naturalistische Kees Doorik (1883), Kermesses (1884) en La Nouvelle Carthage (1888) toonde Eekhoud al eerder zijn voorliefde voor de Vlaamse havenarbeiders, paria's en Kempense boerenzonen. Goed voor de bijnaam 'de Belgische Maksim Gorki' als 'zanger der verschopten en onterfden'.

Nogal wat auteurs toonden zich rond de eeuwwisseling gefascineerd door de leegloop van het platteland naar de stad, zo blijkt uit deze expo. Emile Verhaeren haalde daar zijn inspiratie voor Les Campagnes Hallucinées (1893). En in Les Villes Tentaculaires (1895) schetst hij het beeld van industriesteden die als octopussen om zich heen graaien. 'Tentakelsteden' als oorden van armoede en sociale uitbuiting, maar ook broedplaatsen van sociale vooruitgang.

Dichter Paul Valéry noemde Verhaeren een 'woelig en buitensporig temperament'. Barnard omschrijft hem als 'een linkse 19de-eeuwer die zich in de hoogste kringen bewoog en intussen door zijn pince-nez visioenen van een nieuwe mens' zag, maar wiens 'poëzie ronkt op een hopeloos gedateerde manier' (al heeft hij ook lof).

De pince-nez van Verhaeren ligt hier niet, maar wel zijn toneelkijker, pijp en asbak én een schilderij van Théo van Rysselberghe waarop de licht neurasthenische Verhaeren ons aanstaart. Kijk vooral naar de mooie frêle vrouwentekening van Fernand Khnopff, gemaakt voor de socialist Jules Destrée, die toch in een boek van Verhaeren terechtkwam.

Een discretere plaats krijgt de symbolist Georges Rodenbach toebedeeld. Zijn suggestieve roman Bruges-la-Morte (1892) - met een titelblad van diezelfde Khnopff - kalligrafeerde het beeld van een geheimzinnig, verstild Brugge als een mystieke stad, die voor het getormenteerde hoofdpersonage getekend blijft door de herinnering aan een overleden vrouw. Toch vierde Rodenbach vooral triomfen in Parijs, waar hij vanaf 1888 woonde. Hij was kind aan huis bij de artistieke beau monde, van Stéphane Mallarmé tot Edmond de Goncourt, terwijl Marcel Proust zijn proza bewonderde.

Termietenstudies

Dat uiteindelijk Maurice Maeterlinck het leeuwendeel van de aandacht naar zich toetrekt, is bijna logisch. Niet voor niets is de telg uit het Gentse de enige Belgische Nobelprijswinnaar Literatuur ooit (in 1911). De oorkonde van de Zweedse Academie ligt in het Letterenhuis glorieus te glanzen, een onderscheiding die Maeterlinck zélf weigerde op te halen, hyperverlegen als hij was.

De auteur van Serres chaudes (1989) leek eerst de weg van een bevreemdend surrealisme op te gaan, maar het was zijn symbolistisch en destijds vernieuwend toneelwerk waarmee hij verrassend Europa en de wereld (even) aan zijn voeten kreeg. En dat allemaal dankzij de fameuze voorpagina van Le Figaro op 24 augustus 1890, waarop een recensie over La Princesse Maleine prijkt, met zwijmelende lofzangen van Octave Mirbeau. Maeterlincks broodje was gebakken.

Maar vanaf de jaren 20 en 30 kregen leven en werk iets plichtmatigs. Hij trok zich terug in kastelen en in villa Orlamonde te Nice en teerde op het zoeterige theaterstuk L'Oiseau Bleu. Maeterlinck reeg de termieten- en bijenstudies en gezwollen essays aan elkaar, zijn train de vie moest gefinancierd. Het was, schrijft Benno Barnard, 'alsof hij een rol speelde in een enigszins bittere farce die hij niet zelf geschreven had'.

Je moet toegeven dat dit merkwaardige Franstalige Vlaamse gezelschap terecht uit het maquis is gehaald. Of jonge lezers nog spontaan naar Verhaerens Les Villes Tentaculaires, Maeterlincks La Princesse Maleine of Eekhouds Escal-Vigor zullen grijpen? Twijfelachtig. Maar dat de Schelde ('Het heldere gebaar/ dat heel het vaderland maakt naar/ De zee en de oneindigheid aldaar', zoals Verhaeren dichtte) schrijvers blijft bevruchten, staat buiten kijf.

Antwerps stadsdichter Maarten Inghels mag de expo passend en sierlijk afsluiten. Hij wandelde onlangs de volledige Schelde af en bottelde zelfs veiligheidshalve het bronwater in een flacon.

Escaut! Escaut!, tot 17 januari 2017, Antwerpen, letterenhuis.be Bij het Emile Verhaerenmuseum verscheen de publicatie Verhaeren. Een dichter voor Europa bij de lopende expo, tot 27/11, emileverhaeren.be De reeds uitgezonden radioreportages van Katharina Smets en Benno Barnard worden als podcast aangeboden op klara.be

---

Emile Verhaeren (1855-1916), dichter, auteur, toneelschrijver, kunstcriticus. Doctor in de rechten. Was bevriend met James Ensor en Théo Van Rysselberghe. Bekende werken: Les Flamandes, Les Soirs, Les Villes Tentaculaires, Les Ailes Rouge de la Guerre.

Maurice Maeterlinck (1862-1949), dichter, essayist, toneelschrijver, vertaler. Doctor in de rechten. Ontving in 1911 de Nobelprijs voor de Literatuur, mede dankzij zijn toneeldebuut La Princesse Maleine. Benoemd tot graaf door koning Albert I.

Georges Eekhoud (1854-1927), schrijver, dichter, vertaler, kunstcriticus. Schreef als een van de eersten positief over homoseksualiteit, wat voor de nodige consternatie zorgde. Bekende werken: Kees Doorik, Kermesses, Escal-Vigor, La Nouvelle Carthage.

Max Elskamp (1862-1931), symbolistisch dichter, grafisch kunstenaar, uitvinder. Doctor in de rechten. Onderhield lange briefwisseling met jeugdvriend Henry Van de Velde. Kreeg de driejaarlijkse prijs van de Franse literatuur voor Sous les Tentes de l'Exode.

Georges Rodenbach (1855-1898), schrijver, dichter. Doctor in de rechten. Woonde de laatste tien jaren van zijn leven in Parijs, waar hij bevriend werd met Auguste Rodin en Stéphane Mallarmé. Bekende werken: Bruges-la-Morte, Le Carillonneur

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234