Vrijdag 18/10/2019

De schrijver die ten onder ging aan zijn succes

Jay McInerney zal wel altijd de schrijver blijven van dat ene boek, Bright Lights, Big City, zijn droom-debuut van een kwarteeuw geleden. Een portret van de schrijver die als geen ander een publiek spektakel weet te maken van zijn leven en wiens motto luidt: ‘Ik heb liever dat ze over mij roddelen dan dat ik doodgezwegen word.’

‘Hé, ben jij niet de schrijver van Bright Lights, Big City?” Jay McInerney had die vraag al honderden keren moeten horen, maar toen, op die elfde september 2001, terwijl hij aangeslagen van een koffie zat te nippen in het New Yorkse Time Café, klonk ze plots anders. Niet alleen omdat ze gesteld werd door een man die grijs zag van het stof veroorzaakt door de in elkaar zakkende Twin Towers, maar ook doordat deze er nog iets aan toevoegde, wat hem als een moker op het voorhoofd raakte: “Die torens stonden toch op de cover van je boek?” New York zou nooit meer zijn als voorheen, was de algemene teneur. De stad bleek toch niet zo ongenaakbaar als zijn inwoners steeds gedacht hadden en daardoor bleven ze achter met een dubbel gevoel. Enerzijds voelden ze zich geraakt en wilden ze daarom dichter bij elkaar kruipen en elkaar helpen, maar anderzijds waren ze ook kwaad om wat er gebeurd was en realiseerden ze zich hoe moeilijk het zou zijn om die woede uit te werken op de veroorzakers van al die ellende. Ook McInerney werd verscheurd door die twee emoties, maar bij hem kwam er nog een derde bij, waar hij wellicht liever niet voor uitkwam, want de negentien terroristen hadden ook iets positiefs gedaan. Ze hadden zijn verdomde debuutroman, die al jarenlang als een molensteen om zijn hals hing, mee omver gehaald. Eindelijk, zo hoopte hij, zou hij bevrijd zijn van die perfide erfenis uit de jaren tachtig, waardoor er een einde zou komen aan zijn al een paar jaar aanslepend writer’s block. Bright Lights, Big City was dan ook niet zomaar een roman, het was het boek dat een generatie op de kaart zou zetten en dat daardoor groter zou worden dan zijn auteur. Bij zijn prille geboorte leek het echter voor iets veel bescheideners in de wieg gelegd. Het ontstond immers als een paragraaf die McInerney ergens op een verloren papiertje neerkriebelde toen hij op een ochtend thuis kwam na een avondje stappen. Er schoot hem een leuk beeld en een stukje dialoog te binnen en aangezien hij de ambitie had om schrijver te worden, pende hij het dus neer - en vergat het nadien. Zijn literaire hoop had hij op iets anders gezet, namelijk op het verhaal ‘In the North-West Frontier Province’, dat over een stel Amerikaanse avonturiers ging die in het ook toen al uiterst gewelddadige grensgebied tussen Pakistan en Afghanistan drugs probeerden te scoren en er in contact kwamen met een Australische hasjkoerier.

Downtown Manhattan

Na een tijdje als feitennatrekker gewerkt te hebben op de redactie van The New Yorker, waar hij netjes aan de deur was gezet om zijn slordigheden, was McInerney creative writing gaan studeren aan Syracuse University, waar hij les kreeg van de grootheden Raymond Carver en Tobias Wolff. Het Afghanistanverhaal was uit een schrijfopdracht van een van hen voortgekomen en de jonge auteur was er zo tevreden over dat hij het meteen maar opstuurde naar The Paris Review, toen het onbereikbaarste literaire tijdschrift van New York. Hoofdredacteur George Plimpton zag er wel iets in, ook al vond hij het niet goed genoeg om het te publiceren. Hij belde McInerney daarom op met de vraag of hij niets anders liggen had wat hij zou mogen lezen. De schrijver dook in zijn papieren, herlas hier en daar iets en bleef teleurgesteld achter. Het enige wat in feite op iets trok was dat vergeten paragraafje. Dus zette hij zich aan zijn schrijftafel, componeerde een verhaal om het fragment heen en leverde de ochtend nadien ‘It’s Six A.M. Do You Know Where You Are?’ in, een sfeerbeeld van het uitgaanscircuit van downtown Manhattan, waar flashy geklede narcisten cocaïne snoven en jonge vrouwen versierden. Het verhaal zou het uitgangspunt vormen van Bright Lights, Big City. In deze roman voerde McInerney een jongeman op die feiten natrekt op de redactie van een bekend New Yorks weekblad. Veel liever dan werken gaat hij echter aan de rol, waarbij hij veel geld uitgeeft aan ‘Bolivian Marching Powder’, zoals het witte goedje gedoemd wordt waarop de stad lijkt te draaien.Wanneer hij aan de deur gezet wordt wegens een paar slordigheidjes in een artikel over Franse politiek gaat het echter helemaal van kwaad naar erger. Zijn vrouw gooit hem op straat wegens overspel, maar gelukkig wordt hij opgevangen door een stel vrienden, en samen veroveren zij de stad. Met personages als The Ghost, die al zeven jaar aan hetzelfde tijdschriftartikel werkt en de uitvinder van de automatische wc-brilreiniger barstte deze eighties remake van The Catcher in the Rye niet alleen van de humor, er ging ook een bijzondere aantrekkingskracht vanuit doordat het de eerste roman was die volledig in de jij-vorm was geschreven. Die jongen die zoveel lol had in het leven en zich al snuivend een weg baande op de sociale en seksuele ladder was geen hij, het was geen buitenstaander, maar jij was het, degene die het boek las, wat er bij het yuppenpubliek inging als zoetekoek natuurlijk. Bright Lights, Big City verscheen een kwarteeuw geleden en maakte de auteur ervan op slag beroemd. Terwijl voorheen nooit een meisje opgemerkt had dat hij een knapperd was, diende hij het vrouwvolk nu van zich af te slaan met een vliegenmepper. In New York gingen alle deuren voor hem open, iedereen bood hem cocaïne aan en supermodellen gaven hem hun telefoonnummer. Collega-auteurs Bret Easton Ellis en Tama Janowitz, al even jong, wild en glamoureus, begonnen al gauw samen met hem het mooie weer te maken in de bekendste bars en clubs en de critici spraken van een frisse, nieuwe generatie, de brat pack. Het waren mooie, jonge goden die boeken schreven over de hel van de postmoderne grootstad en daar zelf uiteindelijk aan onderdoor gingen. “Het succes van mijn eerste boek was nefast”, zei McInerney een paar jaar geleden tegen een journaliste van The Guardian. “Ik vond dat ik ongelooflijk veel geluk had met dat boek, en dat vond ik jaren later nog steeds, maar het ontregelde mijn leven compleet. Opeens leek alles mogelijk. Ik kreeg zo veel aandacht dat ik eraan kapotging.” Toen Ellis en hij, elk met hun vriendin, in 1987 naar een filmpremière trokken, gingen de fotografen bijvoorbeeld zo wild tekeer om toch maar een foto te kunnen nemen van Marla Hanson, de nieuwe vlam van McInerney, dat ze de vriendin van Ellis ruw omver duwden en half vertrappelden. Zo gek ging het er toen toe, en daar is uiteindelijk geen enkel ego tegen opgewassen.

Psychiaters & cocaïne

Het grote onderwerp waar McInerney sinds zijn debuut al zijn boeken aan heeft opgehangen is de relatie tussen een man en een vrouw, de moeilijkheden die deze veroorzaakt, de schijn en zalvende leugens die ze veronderstelt en de pijn die er uiteindelijk steeds uit voortvloeit. Wie de man en zijn werk wil begrijpen, kan dan ook niet om zijn privéleven heen, en ook dat kreeg door het succes van Bright Lights, Big City een en ander te verduren. McInerney was een eerste keer getrouwd geweest toen hij nog in Japan studeerde. Vier maanden duurde zijn huwelijk met het model Linda Rossiter. Toen vertrok ze naar Italië voor een fotoshoot en ze kwam nooit meer terug. Toen hij aan Syracuse studeerde trouwde hij met Merry Reymond. Zij was zijn vrouw toen het succes hem overspoelde en hij liet haar al gauw samen met zijn oude studentenwereld achter zich. Hij papte aan met Marla Hanson, alweer een model, en Merry belandde in de psychiatrie, wat hem wel heel erg op zijn grote held F. Scott Fitzgerald deed lijken. Ook diens vrouw was immers aan het succes van haar man ten onder gegaan, en net als zijn mentor betaalde McInerney netjes de torenhoge rekeningen die de psychiaters hem stuurden, waarmee hij zich los meende te kunnen kopen van zijn morele verplichtingen. Niet alleen om hun beider flamboyante stijl, maar ook omdat er grote gelijkenissen te zien zijn tussen hun steile literaire neergang worden McInerney en Fitzgerald wel vaker in een adem genoemd. Fitzgerald was een vuurpijl die het Amerikaanse literaire firmament inschoot, daar een reeks oersterke verhalen en twee meesterlijke romans achterliet - The Great Gatsby en Tender is the Night - en daarna opbrandde in een geur van whisky en gin. McInerney wist van de drankfles te blijven, dat was het probleem niet, maar de cocaïne en vooral het hoerasfeertje waarin hij constant verkeerde zorgden ervoor dat hij de drempel soms beschamend laag legde. Zijn tweede roman, Ransom, in feite een variant op het eerste verhaal dat hij opgestuurd had naar The Paris Review, werd lauw onthaald en de New York Times deed het boek af als middelmatig, ongeïnspireerd en op het niveau van een debutant. Met The Story of My Life, dat in 1988 verscheen, vond McInerney Bright Lights, Big City nog eens uit, maar dan met een vrouwelijke hoofdrolspeelster die verdacht veel klonk als Salingers Holden Caulfield. Het enige wat Alison Poole interesseerde was uitgaan, cocaïne en vluchtige seks. Ze wees de lezer erop hoe nep de blitzy wereld om haar heen wel was en legde de schuld daarvoor bij haar ouders, die met geld strooiden, maar geen liefde of tijd konden geven. Waar hebben we dit nog gehoord, vroeg menigeen zich af, en het bleek bij de brat pack te zijn. Begin jaren negentig leek McInerney zich even te hernemen. Brightness Falls was zijn afrekening met de droom van de eighties. Naar het einde van het decennium toe was het zich wentelen in roes en plezier in New York omgeslagen in de jacht op status, geld en macht. De fils-à-papa van weleer stonden op eigen poten en het leven speelde zich niet langer af in nachtclubs, maar op de beursvloer. De roman beschrijft de ondergang van een huwelijk tegen de achtergrond van de crash van 1987.

Te laat geboren

Over uiteenspattende relaties wist hij trouwens tegen die tijd al een aardig mondje mee te babbelen. Van Merry was hij gescheiden en in 1991 liet Marla hem stikken, wat voor hem het sein was om aan te pappen met de zeven jaar oudere Helen Bransford, een southern belle uit een rijke familie die hem na hun huwelijk meenam naar Nashville en hem daar een ranch cadeau deed. Hij stond vol bewondering te kijken naar de roots van de zuidelijken en schreef er prompt een roman over, The Last of the Savages, waarin een portret getekend wordt van Will Savage, de laatste uit een oud geslacht van pioniers die de wereld van iedere vorm van slavernij wil bevrijden en zich daarom opwerpt als producer van menige zwarte bluesartiest. Maar het boek was ook een persoonlijke meditatie over wat het betekent om net te laat geboren te zijn. McInerney was immers de eerste grote schrijver die de jaren zestig niet had meegemaakt. “Ik ging niet naar Woodstock, ik reed niet in een Volkswagen en ik had nooit lang haar”, bekende de in 1955 geboren schrijver ooit: “Ik miste het allemaal, en ik vroeg me af wie er uiteindelijk gewonnen had, de conservatieven of de rock-’n-rollers.” McInerney was 41 toen The Last of the Savages uitkwam en lauwe kritieken kreeg. Hij moest iets met zijn carrière aanvangen, wist hij, en zijn idolatrie voor Fitzgerald kon hij daarbij maar beter achterwege laten. Model Behavior heette de novelle die in 1998 uitkwam, en de gêne was totaal. Het boek ging over een jongeman die voor een gerenommeerd tijdschrift werkt, gedumpt wordt door een topmodel en soelaas zoekt in de wereld van de glamour. Hier was een overjaarse jongere bezig, schreeuwden de critici, iemand die er maar niet in slaagde zijn debuut te evenaren en het daarom nog eens dunnetjes overdeed.En toen viel 9/11 dus uit de lucht. McInerney zat op dat moment al een paar jaar te klooien aan een roman die maar niet wou vlotten. Hij schreef columns over zijn dure wijnsmaak en af en toe een verhaal om zijn inkomsten wat op te krikken, maar daar raak je de geschiedenisboeken niet mee in. De aanslagen gaven hem een nieuwe kans, zo besefte hij meteen. Eindelijk kon hij de tweede fase van zijn carrière beginnen, en hij schreef The Good Life, een herkenbare McInerney over wat 9/11 met de gewone New Yorkers deed. Hij vatte het boek op als een vervolg op Brightness Falls, met dezelfde hoofdpersonages. Opnieuw liep er een huwelijk op de klippen, en opnieuw was dat een afspiegeling van zijn privébesognes. Na een facelift en een tweeling die het resultaat was van gekochte eicellen, een gehuurde baarmoeder en een vrijwillig gedeponeerd kwakje van McInerney was de southern belle toch uitgekeken geraakt op haar schrijver. Goeie ouwe Jay legde het daarop aan met Anne Hearst, telg uit een krantenimperium en de zus van Patricia Hearst, die in 1974 gekidnapt werd door het Symbionese Bevrijdingsleger en prompt zelf terroriste werd. Hearst en McInerney zijn fel gesmaakte gasten in het New Yorkse sociale circuit en de wildste verhalen doen de ronde over hen. Zo zouden ze bijvoorbeeld een flat gekocht hebben aan Central Park van bijna vier miljoen dollar. “Weet je”, zei McInerney ooit tegen een journaliste van Salon, “als ik mijn leven mocht herbeginnen, denk ik niet dat ik andere boeken zou schrijven. Ik wil geen conventionele carrière, hoeveel verdriet ik aan de mijne ook overgehouden heb. Ik heb liever mijn eigen wispelturige carrière, en een massa lezers. Ik heb liever dat ze over mij roddelen dan dat ik doodgezwegen word.”

IJzersterke verhalen van Jay McInerney nu gebundeld

De voornaamste reden waarom Jay McInerney een hedendaagse F. Scott Fitzgerald genoemd zou mogen worden, is het gemak waarmee hij een ijzersterk verhaal op papier zet, spits, treffend, relevant en o zo plezierig om te lezen. In De laatste vrijgezel staan er 20 zulke verhalen die samen een mooi beeld geven van 25 jaar schrijverschap.

McInerneys verhalen focussen nogal eens op kantelmomenten in het leven van zijn personages, waarbij ze opeens door de sociale schijnheiligheid heen zien en de bittere waarheid onder ogen krijgen. Neem nu bijvoorbeeld ‘Ik hou van je, schat’, waarin een man net op het moment dat de vliegtuigen de torens raken bij zijn maîtresse in bed ligt. Hij krijgt een telefoontje van zijn vrouw, haast zich naar huis en beseft niet dat hij zichzelf verklapt door zo vroeg thuis te komen. Zijn kantoor ligt immers veel verder weg. Een paar dagen later gaat zijn vrouw over tot een abortus, wat hij toeschrijft aan de spanning veroorzaakt door 9/11. Later krijgen ze een zoon, maar wanneer de man het niet kan laten om opnieuw naast de pot te pissen volgt een tweede abortus. Pas dan beseft de man waarom zijn vrouw haar zwangerschappen afbreekt, om hem te straffen. Maar hij weet ook dat hij haar als goede katholiek niet kan verlaten. “Natuurlijk blijf je met me samenleven”, zegt de vrouw in een prachtig staaltje zwarte humor, “met ons, je echtgenote en je zoon. Wat moet je anders? Ik hou van je, schat, dat weet je toch?”Misschien nog wel beter is ‘Penelope bij de vijver’. In dit verhaal zit een jonge vrouw in een luxueus vakantiehuis te wachten op een teken van leven van haar minnaar. Deze is in de running voor het presidentschap en daarom moet zij even onderduiken. Alleen weet ze niet precies of hij hun relatie wil beschermen tegen het journaille of dat het integendeel zijn carrière is die hem de meeste zorgen baart. Zoals steeds bij McInerney zal de realiteit bijzonder pijnlijk zijn. Dat een schrijver zijn inspiratie vaak uit eigen omgeving put, mag blijken uit het opmerkelijke feit dat in nogal wat van de latere verhalen zuidelijke echtgenotes voorkomen. McInerney was immers zelf lang met de southern belle Helen Bransford getrouwd, en hij wist dus waarover hij schreef. ‘Varkens in bed’ is bijvoorbeeld op de wens van zijn vrouw gebaseerd om haar lievelingsvarken tussen hen in bed te nemen. Meer dan eens werd de schrijver wakker van de scherpe nagels van het beest en het heeft ongetwijfeld bijgedragen tot het einde van zijn huwelijk. Gelukkig betoont McInerney zich meer dan een chroniqueur van zijn eigen leven en weet hij vanuit dit gegeven een pakkend verhaal te construeren. Er moet immers een reden zijn waarom de vrouw in het verhaal haar knorretje in bed wil, en die heeft met een persoonlijk verdriet te maken dat samenhangt met de politieke realiteit van de VS. (MV)

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234