Vrijdag 07/05/2021

DE SCHOOLDAG DIE NOOIT EINDIGDE

Geert Kruit en Eef van der Vliet voeren allebei een weinig benijdenswaardige titel. Ervaringsdeskundigen in gijzelingstrauma's, ze hebben er zelf nooit om gevraagd. Samen zaten ze in de lagere school van Bovensmilde toen op 23 mei 1977 een Moluks commando het lesrooster overhoop gooide. Bloed is er toen niet gevloeid, maar toch zijn de wonden nooit geheeld. Wiskundig verhoudt Bovensmilde zich tot Beslan als een ongelukje tot een catastrofe. Maar met wiskunde schieten ervaringsdeskundigen in gijzelingsdrama's niet veel op.

Erik Raspoet / Foto's Tim Dirven

De schoolgijzeling in Beslan heeft door de hele wereld een schokgolf van afschuw gejaagd. Op sommige plekken is de klap extra hard aangekomen. In Bovensmilde hebben de gruwelbeelden een onverwerkt verleden tot leven gewekt. Op 23 mei 1977 was dat tochtgat in de Noord-Nederlandse provincie Drente zelf het toneel van een schoolgijzeling. Vier gewapende Molukkers namen in de openbare lagere school 105 kinderen en vijf leerkrachten in gijzeling. Rond hetzelfde tijdstip was een paar dorpen verder, in het plaatsje De Punt, een tweede Molukse actie begonnen. Een commando van negen terroristen had een trein met 54 passagiers gekaapt. Met hun acties beoogden de jonge Molukkers een dubbel doel. Ze eisten de vrijlating van gevangen medestanders en een engagement van de Nederlandse regering voor de onafhankelijkheid van de Zuid-Molukken. De schoolgijzeling liep zonder bloedvergieten af. De kinderen werden na vier dagen vrijgelaten, nadat in de school een mysterieuze buikloopepidemie was uitgebroken. Voor vier leerkrachten zou de beproeving veel langer duren. Zij kwamen pas drie weken later vrij, toen de school door mariniers werd bestormd. Die ingreep verliep parallel met de ontzetting van de gekaapte intercity, waarbij overigens twee passagiers en zes kapers om het leven kwamen. Wiskundig bekeken verhoudt Bovensmilde zich tot Beslan als een ongelukje tot een catastrofe. Maar de slachtoffers van de schoolgijzeling in Drente weten wel beter. Met wiskunde hebben hun trauma's bitter weinig te maken. "Natuurlijk was het in Beslan oneindig veel erger", beaamt Geert Kruit (36). "Maar toen ik de beelden van de bestorming zag, kreeg ik een monumentale flashback. De apathie en de angst op de gezichten van die kinderen herkende ik maar al te goed. In Bovensmilde zijn geen doden gevallen, maar ook wij zijn door een hel gegaan. Wat denk je dat zo'n gijzeling betekent voor een kind van negen? Als er vreemde mannen in de klas staan te roepen en tieren? Als ze met mitrailleurs staan te zwaaien en met handgranaten lopen te kaatsballen? Als ze schreeuwen dat ze iedereen die probeert te ontsnappen zullen neerschieten, hoe klein hij ook is?"

Het zijn retorische vragen, want Geert Kruit kent de antwoorden maar al te goed. Hij doet zijn verhaal in Assen, in het restaurant van het onvermijdelijke Van der Valk-motel. Rondom ons weerklinkt het sonore geroezemoes van dinerende zakenlui en congresgangers. Dat hij hier met mij zit te praten is allesbehalve vanzelfsprekend. "Twintig jaar lang heb ik alles opgekropt", zegt hij. "Altijd voelde ik die angst. Zoals ik hier nu zit, met mijn rug naar de ingang, dat zou vroeger niet eens gekund hebben. Ik was altijd op mijn hoede, ik keek voortdurend om me heen. Ooit heeft een collega op mijn vorige werk een geintje uitgehaald. Hij sprong me in de rug en liet een stiletto openklappen. 'Je geld of je leven', riep hij. Een grapje, maar ik heb hem wel alle hoeken van het magazijn laten zien. Nog altijd kost het moeite mezelf onder controle te houden. Een deur die achter me dichtklapt, en ik schrik me rot. Als iemand me per ongeluk in de rug port, moet ik mezelf tegenhouden om hem niet aan te vliegen. Daarom houd ik niet van massabijeenkomsten. Afstand bewaren is mijn devies."

Uiterlijk valt er niets speciaals te merken. Potig, blond, grijsblauwe ogen, met zulke eigenschappen spring je in deze contreien niet echt uit de band. Maar na een poosje valt op hoe zijn ogen rusteloos de omgeving scannen. Dat hij zo druk gesticuleert, komt dan weer door zijn beroep. Geert Kruit is deeltijds praktijkleraar in een land- en tuinbouwschool voor dove kinderen. "Een baan in de sociale werkvoorziening", preciseert hij. "Ik ben medisch ongeschikt verklaard voor de reguliere arbeidsmarkt." Het is slechts een van de vele gevolgen die hij tot vandaag ondervindt. De gijzeling vormde een brutale cesuur in zijn prille leven. Weg was de kans op een onbekommerde jeugd, weg ook het vertrouwen in de medemens. In de plaats kwamen studieproblemen, nachtmerries en depressies. "Als kind ging ik nooit voor middernacht slapen", zegt hij. "Ik was bang voor de nachtmerries. Toen ik twaalf was, belandde ik in een regelrechte crisis. Mijn ouders hebben mij toen twee weken van school gehaald om op de Veluwe tot rust te komen. Ik weet het nog goed: op een keer heb ik daar de hele camping bij elkaar geschreeuwd. Na mijn studies ging het van kwaad naar erger. Ik viel in een zwart gat dat door mijn verleden werd opgevuld. De nachtmerries werden steeds erger. In mijn slaap heb ik meermaals de Molukse wijk uitgemoord. Een sociaal leven had ik niet. Ik wantrouwde de anderen, ik had genoeg aan mezelf. Op mijn werk functioneerde ik hoe langer hoe slechter. Ik was erg prikkelbaar. Het volstond bij wijze van spreken dat mijn vrouw andere gordijnen ophing, of ik was al uit mijn lood geslagen. Dat ging zo door, tot ik in 1996 in een diepe depressie wegzakte. Pas toen ben ik hulp gaan vragen. Er zat trouwens niets anders op. Als ik de stap niet zelf had gezet, dan had mijn familie het wel gedaan."

Geert Kruit ging in therapie bij een in oorlogstrauma's gespecialiseerde psychologe in Utrecht. "Zij heeft mij eruit gehaald", zegt hij. "Ik moest in mijn geheugen spitten, alles vertellen wat ik mij herinnerde. Ze liet me een dagboek bijhouden en video's bekijken van de gijzeling. Het was keihard, allerlei verdrongen herinneringen kwamen bovendrijven. Na zo'n sessie van acht uur was ik compleet groggy. Ik mocht trouwens onder geen beding zelf naar Utrecht rijden. In mijn toestand was ik een gevaar in het verkeer." Zijn therapeute bracht hem in contact met een overlevende van een concentratiekamp. Dat werd voor Kruit een verhelderende ontmoeting. Hij leerde eruit dat hij geen spoken najoeg, dat zijn trauma allesbehalve denkbeeldig was. "We hebben samen zijn concentratiekamp in Duitsland bezocht", zegt hij. "Hij had er vier jaar gezeten, terwijl ik slechts vier dagen ben gegijzeld. 'Maar dat maakt geen verschil', herhaalde hij telkens weer. 'Je hebt evenveel recht van spreken', zei hij, 'want je hebt dezelfde angst gekend.' Die man was zelf zwaar getekend, ondanks zijn therapie kon hij over niets anders praten dan over de oorlog. Uiteindelijk ben ik een stuk verder geraakt in mijn behandeling. Het trauma zal nooit verdwijnen, maar ik kan er nu nuchter over spreken. Vier jaar geleden heb ik meegewerkt aan 'Dutch Approach', een documentaire serie over de Molukse acties in de jaren zeventig. Dat ging goed, ik voelde me er zelfs opgelucht door. Vaak slaag ik erin de hele gijzeling uit mijn hoofd te zetten. Tenzij er iets gebeurt zoals in Rusland, natuurlijk. Weet je wat mijn eerste reactie was toen ik van Beslan hoorde? Mijn zoontje gaat morgen niet naar de peuterschool. Toch weer die angst." Zijn tweejarige uk siert nu de display van zijn mobiele telefoon. Met vaderlijke trots toont hij mij de foto."Hij is de kroon op mijn therapie", zegt hij. "Voor mijn behandeling wilde ik van geen kinderen weten. Ik ken genoeg mensen die hun problemen op hun kroost projecteren. In die val wilde ik niet trappen."

Het is maar de vraag of de kinderen van Beslan ooit de zegeningen van gespecialiseerde hulp zullen ondervinden. Psychotherapeuten zijn niet dik gezaaid in Noord-Ossetië, waar het naakte bestaan op zich al een opgave is. Het nemen van wraak op al dan niet vermeende schuldigen geniet wellicht een grotere prioriteit dan het verstrekken van geestelijke nazorg aan slachtoffers. De vergelijking loopt uiteraard mank. Nederland was anno 1977 een behoorlijk welvarend landje, waar toen reeds aan de lopende band psychotherapeuten en zielenknijpers werden gevormd. Toch liet ook in Bovensmilde de hulpverlening danig te wensen over. Geert Kruit is er nog altijd woedend over. "We werden compleet aan ons lot overgelaten", zegt hij. "Kinderen werden niet ernstig genomen, er werd blindelings van uitgegaan dat ze de schok wel vanzelf te boven zouden komen. Na de gijzeling hebben alle ouders een brief met goede raad gekregen. Ze moesten hun kinderen vertellen dat ze een uit de hand gelopen feestje hadden meegemaakt. Een feestje met bedorven eten en slecht drinken, waardoor iedereen ziek was geworden. Twintig jaar later heb ik die brief aan mijn therapeute laten lezen. Ze ontplofte haast van woede."

Het heeft weinig gescheeld of hij was aan het ontspoorde feestje ontsnapt. Zijn moeder heeft het zichzelf vaak verweten, dat ze haar zoon die maandagmorgen achter zijn veren heeft gezeten om vooral niet te laat op school te verschijnen. Kleine Geert kwam niet te laat, hij zat netjes in zijn bank toen plots een jonge Molukker in de klas verscheen met de dringende bede hem naar de aula te volgen. Toen de verbouwereerde lerares om een woordje uitleg vroeg, trok de ongenode gast prompt een pistool. Op dat punt start de film die hij ontelbare keren in zijn hoofd heeft afgespeeld. Het tumult toen de kinderen in de aula werden samengedreven. De bloednerveuze Molukkers, die met hun wapens zwaaiden en zich suf schreeuwden. Er moest papier worden gehaald om alle ramen af te plakken, en vlug een beetje! "Het was vreselijk eng", zegt Kruit. "De leerkrachten probeerden ons te sussen, maar we voelden met onze ellebogen dat het grondig fout zat. Het heeft bijvoorbeeld tot 's avonds geduurd voor we iets te eten kregen. De gijzelnemers waren beducht voor een list van de mariniers. Pas toen een Molukse kleuterjuf op haar knieën ging smeken, lieten ze eten en drinken komen. Bij iedere bevoorrading moesten we plat op onze buik gaan liggen. Als we niet snel genoeg reageerden, begonnen de terroristen te brullen." Gelukkig was er televisie in de aula. Barbapapa kon de hoogspanning enigszins ontladen. Er werd ook naar het journaal gekeken. Beelden van de treinkaping en de schoolgijzeling wisselden elkaar af. En toen brak dat ene moment aan waarop de film in zijn hoofd nog vaak zou blijven haperen. De reporter van dienst had een bezorgd kijkende man voor zijn microfoon gesleurd. 'Kijk nou, Geert', klonk het van alle kanten in de aula, 'je vader op de televisie'. "Ineens waren alle ogen op mij gericht", zegt hij, "ook die van de terroristen. Ik dacht dat ik door de grond zakte. Het laatste wat je als kind in zo'n situatie wilt, is opvallen. Na dat voorval was ik ervan overtuigd: als ze er straks iemand uit halen, dan ben ik het. Op dat moment ben ik dichtgeklapt. De volgende dagen bleef ik volstrekt apathisch, zonder een woord te spreken. Soms denk ik dat daar de kiem van mijn latere problemen is gelegd."

Woensdag steeg de spanning ten top. De Molukkers hadden een ultimatum gesteld. Tegen twee uur 's middags moest er een vliegtuig klaarstaan om met de kinderen naar Benin te vluchten, anders zouden ze de boel laten ontploffen. Nog altijd werkten de leerkrachten zich uit de naad om hun pupillen gerust te stellen. Over het ultimatum zwegen ze in alle talen, maar de kinderen voelden dat er iets bijzonders aan de hand was. "Er liep een gerucht", zegt Geert Kruit. "Dat we niet naar huis mochten maar dat ze ons naar een ver land zouden meenemen. Je hebt er geen idee van hoe hard zoiets bij een kind aankomt." Het ultimatum passeerde zonder dat de gijzelnemers hun enige granaat lieten ontploffen. Uren verstreken, de lamentabele omstandigheden eisten hun tol. Overdag was het snikheet, 's nachts dan weer barkoud. Was het gebrek aan hygiëne de oorzaak? De combinatie van ondraaglijke spanning, slaaptekort en onregelmatige etenstijden? Of werd er, zoals naderhand vaak werd geopperd, door de Nederlandse autoriteiten een virus binnengesmokkeld om zodoende de patstelling te doorbreken? Feit is dat de kinderen massaal diarree kregen en dat van lieverlede alle wastafels vol braaksel raakten. "De stank was verschrikkelijk", zegt Kruit. "De gijzelnemers eisten dat ze ons schone kleren en ondergoed brachten. We moesten ons uitkleden en wassen waar ze bij stonden. Die vernedering, dat gevoel dat je geen controle over je eigen leven hebt, ook dat heeft mij zwaar geraakt." De epidemie zou voor de kinderen een zegen blijken. Donderdagavond reeds lieten de gijzelnemers zieke kinderen door ambulances ophalen. Onder hen een fel verzwakte Geert Kruit, die zich schuldig voelde omdat hij zijn vriendjes had achtergelaten. Onnodig, want de volgende ochtend mochten alle kinderen naar huis.

Geert Kruit is geen globetrotter. Na jaren in Assen te hebben gewoond heeft hij een huis gekocht langs de vaart in Bovensmilde. "Het ligt aan de rand van het dorp", zegt hij. "In het centrum zou ik niet kunnen wonen, daar kleven te veel nare herinneringen aan." We rijden samen naar de plek van het onheil. Tijdens de ontzetting raakte de school zwaar beschadigd, maar dat was niet de reden voor de afbraak. De locatie, precies halverwege het 'blanke' dorp en de Molukse wijk, werd als te gevoelig beschouwd. We lopen het grasveld op, Kruit schetst met zijn handen een fata morgana. Hier was zijn klas, daar was de aula, en daar de gymzaal. "Ik zie het weer allemaal voor mij", zegt hij. "Het is telkens opnieuw confronterend. Er zijn dagen dat ik hier niet eens durf te komen. Vorig jaar werd op deze plek een verbroederingsfeest georganiseerd, als teken van verzoening tussen de Nederlandse en de Molukse gemeenschap. Van de gegijzelde kinderen kwamen er slechts een paar opdagen. Velen hebben nog altijd een probleem met Molukkers. Daar heb ik gelukkig nooit last van gehad."

Ironisch genoeg gold de ligging van de school vóór de gijzeling als een troef. Onderwijs moest immers een brug slaan tussen de twee gemeenschappen. "De klassen waren gemengd", vertelt Kruit. "Maar de Molukse kinderen werden bij het begin van de gijzeling naar huis gestuurd. Ze vertrokken met tegenzin, want ze wilden hun Nederlandse vriendjes niet achterlaten. Heel wat Molukkers waren trouwens woedend over de gijzeling en trokken naar de school om de vrijlating van de Nederlandse kinderen te eisen. De kapers hebben toen in de lucht geschoten om hun eigen mensen te verdrijven."

In feite was de Molukse wijk hopeloos verdeeld. Alle terroristen, ook de negen treinkapers, kwamen uit Bovensmilde, waar zo'n 1.500 Molukkers woonden. Toch was de grote meerderheid resoluut tegen de acties gekant. Vooral de schoolgijzeling viel slecht. Aan kinderen wordt niet geraakt, die zijn heilig. Veel Molukkers hinkten echter op twee gedachten. Keurden ze de acties af, met de doelstellingen waren ze het roerend eens. Om dat te begrijpen moeten we een blik werpen op een weinig fraaie bladzijde uit de Nederlandse geschiedenis. Want wat hadden die Molukkers eigenlijk verloren in dat kille polderland aan de Noordzee? Het verhaal van de exodus vangt aan tijdens de dekolonisatie van Nederlands-Indië. Heel wat Molukkers waren ingelijfd bij het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger (KNIL), dat in een even bloedige als uitzichtloze oorlog met de onafhankelijkheidsstrijders van Soekarno was verwikkeld. Eind 1949 verkreeg Indonesië, onder zware Amerikaanse druk, zijn onafhankelijkheid.

Nederland zat met zijn Molukse keursoldaten in de maag. Hen overleveren aan de wraak van Soekarno was geen optie, en dus werden vierduizend Molukse militairen met hun familie naar Nederland verscheept. De landverhuizers voelden zich bedot. Hadden de Nederlanders hen geen onafhankelijk vaderland op de Zuid-Molukken beloofd? Bij hun aankomst in het land van Oranje wachtte de trouwe soldaten nog een koude douche. Tijdens hun overtocht had de legertop de KNIL-veteranen collectief ontslagen. Beroofd van strepen en financiële rechten werden ze her en der ingekwartierd, onder meer in de voormalige concentratiekampen van Vught en Westerbork. Het was een tijdelijke regeling, zo werd van overheidswege gesust. Ze zouden immers terugkeren zodra de republiek Zuid-Molukken werd uitgeroepen. Van dat onafhankelijke vaderland is nooit iets in huis gekomen, ondanks de guerrillabeweging die tot vandaag tegen de Indonesische bezetting van het eiland vecht. Veel moeite heeft Nederland ook niet gedaan om die belofte van Djakarta af te dwingen. Onder Soeharto ontpopte Indonesië zich tot grootimporteur van Nederlands wapentuig dat goed van pas kwam om allerlei afscheidingsbewegingen te onderdrukken. Allengs werd het Den Haag duidelijk dat de 'tijdelijke regeling' wel eens behoorlijk lang zou kunnen duren, en dan konden ze net zo goed die nieuwkomers integreren. Om de inburgering te bevorderen werden op plaatsen als Bovensmilde, Assen en Groningen-Zuid nieuwe woonwijken gebouwd. Het waren echte getto's, waar de wrok over het Nederlandse verraad broeide. In de jaren zeventig ontplofte de zaak. Jongeren van de tweede generatie grepen naar de wapens. De dubbele kaping van mei 1977 was het hoogtepunt van het Molukse terrorisme. Bij een eerdere treinkaping waren al twee doden gevallen, en later zouden nieuwe gijzelingsacties nog slachtoffers eisen. Symbool van deze campagne is het graf van de zes neergeschoten treinkapers van De Punt. Jaarlijks vindt bij dat monument een heuse bedevaart plaats. "Vroeger had ik het daar erg moeilijk mee", zegt Kruit. "Het blijven tenslotte terroristen. Maar ik begrijp dat Molukkers het anders zien. In hun ogen waren die jongens idealisten die hun leven voor de Molukse zaak hebben gegeven. Zelf denk ik inmiddels genuanceerd. Ik snap dat die jongens iets wilden doen, maar de manier waarop was totaal verwerpelijk. Weet je, bij de presentatie van 'Dutch Approach' heb ik voor het eerst met een van de gijzelnemers gesproken. Hij heette Gustaaf, en hij had elf jaar vastgezeten. Het eerste wat hij zei, was dat hij nergens spijt van had. 'Kan best', repliceerde ik, 'maar ik vergeef jou niet.' Heb je al eens een Molukker bleek zien worden? Ik wel, toen ik Gustaaf haarfijn uitlegde hoe hij mijn leven heeft verwoest. Er vielen harde woorden, maar toch hebben we een kwartier lang elkaars hand vastgehouden. Vreemd genoeg voelde ik toch een band met die man."

Beslan. Ook Eef van der Vliet (64) heeft er ademloos naar gekeken. "Mijn eerste gevoel was woede", zegt hij. "Woede, niet zozeer jegens de terroristen maar wel jegens de Russische veiligheidsdiensten. Wat een potje hebben die ervan gemaakt, zeg. Van de weeromstuit voelde ik weer dankbaarheid voor de manier waarop de gijzeling in Bovensmilde werd afgehandeld. Al kun je de twee echt niet vergelijken. Onze Molukkers waren lieve jongens naast de beesten die in Beslan tekeer zijn gegaan. Ik kan er met mijn verstand nog altijd niet bij. Tsjetsjeense moeders die schieten op vluchtende kinderen. Best mogelijk dat ze zelf ooit werden verkracht of dat ze hun eigen kinderen in de oorlog hebben verloren. Maar dan nog blijft het afschuwelijk."

Eef van der Vliet mag zich de held van Bovensmilde noemen. Als schoolhoofd speelde hij een sleutelrol in de goede afloop van de gijzeling. Zijn kalmte straalde af op de kinderen in de aula, waar overigens ook zijn oudste dochter gevangenzat. Bovendien fungeerde hij als aanspreekpunt voor de gijzelnemers. Hij was de man die voor het oog van de camera's het eten in ontvangst mocht nemen uit de handen van twee Molukse kleuterleidsters. Op gezette tijdstippen moest hij contact opnemen met het crisiscentrum om de ernst van de situatie dik in de verf te zetten. "Daar hoefden ze mij niet toe te dwingen", zegt hij. "Hoe somberder ik de zaken voorstelde, zo redeneerde ik, hoe groter de kans dat ze de eisen van de Molukkers inwilligden en hoe sneller wij naar huis konden." De rol van ombudsman was echter niet van risico's gespeend, zo blijkt uit een merkwaardig incident dat zich in de eerste fase van de gijzeling voordeed. Van der Vliet was in de aula toen er plots keihard op een van de afgeplakte ramen werd geklopt. "Het effect was onbeschrijfelijk", zegt hij. "Alsof een stroomstoot van 220 volt door de aula werd gejaagd. Ik moest het raam openmaken, met een pistool in mijn nek. Er stond een vrouw in een verpleegstersuniform die haar kind kwam opeisen. Ik snapte er niets van. Die vrouw had helemaal geen kind op onze school, ik had haar zelfs nooit gezien. Later zou blijken dat het een zwakzinnige was die uit een instelling was ontsnapt. Ze had zich als verpleegster voorgedaan om door het cordon te breken. Het was een benauwend moment, want de Molukkers wilden niet geloven dat die vrouw gek was. Uiteindelijk kon ik hen toch overtuigen. Ze lieten me het crisiscentrum opbellen. Dat ze twee agenten in onderbroek moesten sturen om die vrouw weg te halen. Even later stonden er dus twee agenten, in onderbroek."

Het frivole intermezzo deed niets af aan de terreur, die op woensdag wel erg acuut werd. Onder leerkrachten werden huiveringwekkende afspraken gemaakt: iemand zou zich op de granaat storten als de gijzelnemers hun ultimatum hard maakten. "Achteraf bekeken denk ik niet dat ze het echt meenden", zegt Van der Vliet nu. "Dat blijkt uit het gemak waarmee ze de kinderen hebben laten gaan. Volgens mij hadden ze de hele gijzeling verkeerd ingeschat. De Molukkers redeneerden: kinderen zijn het hoogste goed in een samenleving. Als we een school gijzelen, dan zal de regering onze eisen wel snel inwilligen. Toen dat niet gebeurde, stortte de operatie als een kaartenhuisje in elkaar. Al weet je natuurlijk nooit. Isaac, een van de vier Molukkers, was een labiele jongen. Na de vrijlating van de kinderen hoorde ik hem tegen de anderen foeteren. Dat ze stom waren, dat ze die granaat toch hadden moeten gooien."

Na het vertrek van de kinderen vielen de uitgeputte Molukkers een na een in een diepe slaap. Tijd zat voor Van der Vliet en zijn drie collega's om het wapentuig te inspecteren. Een stengun, een buks, een pompgeweer en een roestige granaat, veel stelde het bij nader inzien niet voor. Waarom namen ze niet gewoon de benen? De vraag werd ook gesteld door de gijzelnemers, toen die nog half slaapdronken zagen hoe Van der Vliet met hun granaat aan het jongleren was. "Omdat we bang waren voor de gevolgen in De Punt", antwoordde hij toen. "Als ze jullie overmeesteren, zullen de passagiers op de trein er de gevolgen van dragen. Bovendien willen we niet dat ze jullie doodschieten."

Daarmee was de toon gezet. De volgende twee weken waren niets meer dan een langgerekte epiloog. De Molukkers beloofden hun gijzelaars met geen haar te krenken. Zeggen dat er vriendschap ontstond, is zwaar overdreven. Maar het Stockholm-syndroom liet zich wel degelijk gevoelen. "We hebben veel gepraat", zegt Eef. "De jongens hadden het voortdurend over de Molukse zaak. Van Nederland kenden ze eigenlijk niet veel af. Ze waren erg verbaasd toen ze hoorden dat de leerkrachten op onze school Ambonees studeerden om beter met de Molukse ouders te kunnen communiceren. Dat paste niet in het beeld dat ze van de Nederlanders hadden." Het eindigde in een chaos van lawaai en stof. Eerst scheerden straaljagers vlak over hun dak, op weg naar De Punt. Pantserwagens rolden door de school, er werd een schokgranaat naar binnen gegooid, overal ratelden mitrailleurs. Even later werden de leerkrachten door mariniers ontzet en lagen de vier gijzelnemers op de speelplaats, ongedeerd, zoals Van der Vliet tot zijn opluchting kon vaststellen.

Voor de buitenwereld was hij dus een held. Zelf voelde hij zich allerminst heldhaftig. Achter de façade van kalmte en zelfbeheersing gaapte een emotionele puinhoop. Marianne, zijn vrouw, was de eerste die het in de gaten kreeg. Toen ze hem drie dagen na de ontruiming doperwten voorschotelde, vloog hij uit. Bleek dat hij drie weken lang niets dan doperwten had gegeten. Liet ze de deur wat te hard dichtslaan, dan hing hij in de gordijnen. Hij had instinctief aan een ontploffing gedacht. Het ergste vond ze de nieuwe jurk in kaki waar hij zijn neus voor ophaalde. Wist zij veel dat de gijzelnemers zich ook in kaki hadden gehuld. "Ik moest het allemaal zelf uitvissen", vertelt ze. "Eef vertelde helemaal niets over de gijzeling, hij kropte alles op." Twintig jaar duurde dat opkroppen. Het gezin Van der Vliet was intussen allang naar Arnhem verhuisd. Na de gijzeling konden ze niet snel genoeg uit Bovensmilde vertrekken. Niet alleen vanwege de slechte herinneringen, maar ook vanwege het vijandige klimaat dat na de gijzeling tussen blank en zwart ontstond. "Het was vreselijk", zegt Marianne, die zelf Indisch is. "Toen de begrafenisstoet van de zes treinkapers passeerde, stond het hele dorp te juichen. 'Net goed', riepen ze. 'Jammer dat ze niet allemaal dood zijn.' Het was onmogelijk in het dorp een sereen gesprek over de Molukse zaak te voeren. Als je nog maar met een 'zwarte' praatte, was je meteen verdacht."

Uiteindelijk kreeg ook Eef van der Vliet de rekening gepresenteerd. Nachtmerries, neerslachtigheid, problemen op het werk, depressies, de vicieuze cirkel ging aan het draaien. 's Nachts maalde het in mijn hoofd", zegt hij. "Ik piekerde me suf over alles wat fout had kunnen gaan in Bovensmilde. Het was om gek van te worden." Ook hij is bij een psychiater gaan aankloppen. Met succes, anders had hij zich door het actualiteitsmagazine Nova niet als ervaringsdeskundige inzake gijzelingstrauma's laten opvoeren. "Ik wilde een boodschap overbrengen", motiveert hij zijn eerste publieke optreden. "Drama's zoals in Beslan of Bovensmilde laten sporen na die nooit worden uitgewist. Enkele jaren geleden was er een reünie van de gegijzelde kinderen. Het was onthutsend. Ik had nooit gedacht dat er nog zoveel kinderen in de hulpverlening zitten of pillen slikken. Geloof me, niemand komt ongeschonden uit een gijzeling."

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234