Dinsdag 07/12/2021

De Schepper herschapen

Een (on-)Hollandse roman in acht afleveringen

Harry Mulisch, Gerrit Komrij, Adriaan van Dis, Maarten 't Hart, Remco Campert, Marga Minco, Hugo Claus & Joost Zwagerman

De Bezige Bij, Amsterdam, 171 p., 599 frank.

Spielereien zijn in onze letteren vrij zeldzaam. Helemaal als ze bovendien het geesteskind zijn van niet minder dan acht schrijvers, en niet de geringsten. In 'literaire estafette' hebben zij het opmerkelijke De Schrijver voortgebracht, een grillig, mystificerend verhaal over de zoektocht naar een mythische auteur, Matthijs de Schrijver, over wie helemaal niets bekend is, "behalve dan, dat hij in 1947 zijn eerste en enige roman publiceerde: Weerzin. Over dit boek, dat destijds zulke felle reacties pro en contra opriep, hoef ik niet uit te weiden (...). Vrijwel onmiddellijk werd het door verscheidene schrijvers geïmiteerd, - zoals ook nu soms nog, - en nog steeds wordt het gerekend tot de literaire toppen van het naoorlogse lustrum." Het was 1989 toen Harry Mulisch het voorgaande schreef, in de eerste van de zeven afleveringen van De Schrijver die destijds in Knippenbergs krant verschenen. Het jaartal is niet geheel zonder belang: al was de Reve-manie ook toen echt wel over haar hoogtepunt heen, de koers van de Volksschrijver was nog niet zo drastisch gekelderd als nu en zijn navolgers waren toen nog talrijker dan tegenwoordig. En over Reve gaat het hier onmiskenbaar - dat 1947 het verschijningsjaar van De Avonden is, had u zelf al opgemerkt.

Mulisch' ik-figuur, werkzaam op een naamloos Instituut, krijgt namelijk het manuscript toegestuurd van Een Hollandse roman, een "Vaderlandse letteroefening door Matthijs de Schrijver". Na vier decennia zwijgen nieuw werk van de Grote Onbekende! Onze 'ik' is begrijpelijkerwijze door het dolle heen. En wat voor werk! "Zeg ik te veel als ik beweer, dat deze schitterende vertelling de roman Weerzin ver voorbijstreeft en in zekere zin zelfs overbodig maakt? Ik ben mij bewust van de draagwijdte van deze opmerking, die niet iedereen mij in dank zal afnemen. Maar is het niet zo, dat de honderden bladzijden van dat vereerde werkstuk hier zijn ingedampt tot de pure essentie? (...) Zelden, nee, nooit is het absurde levensgevoel van die na-oorlogse jaren beklemmender verwoord (...). Zelfs in de meest schrijnend-naturalistische, zo men wil grofste passages, hoort het geoefende oor de diepreligieuze ondertoon."

Een voor de goede verstaander vilein commentaar, want de alles bij elkaar goed twaalf pagina's beslaande 'Hollandse roman' die eraan voorafgaat is een geestloos onding. Zij het een misschien gechargeerde, maar wel geslaagde parodie op Reves debuut, waar tegelijk de geest van W.F. Hermans doorheen waait - Mulisch neemt zijn boezemvijanden meteen maar allebei op de hak. Het doelloos rondlopen in een verregende stad (Reve), het agressieve gekanker op alles en iedereen (Hermans), de zinledige conversaties (Reve), de troosteloze, botte seks (Hermans), de aandacht voor het uiteinde van het darmkanaal en deszelfs voortbrengselen (Reve): het wordt allemaal trefzeker en gortdroog getekend, met voor de liefhebber gaandeweg hilarisch effect. Hilarisch? Mulisch? Jazeker. Een fragment uit 'Hoofdstuk V':

"Hij drukte, maar er gebeurde niets. Het was of zijn buik vol cement zat. Met heimwee dacht hij terug aan de keren, dat hij de schijterij had gehad. Een ontploffing - en meteen was de hele pot bruingepleisterd, zijn eigen billen incluis. Dat waren nog eens tijden geweest." In 'Hoofdstuk XIX' probeert de hoofdfiguur zich met zijn geliefde te verenigen: "'O schat, (...) kom bij me.' 'Ja, maar hoe?' Goede raad was duur." Vergeefs, zelfs als hij zijn geslacht met een vork bij haar naar binnen poogt te prakken (enig surrealisme (Hermans) is nooit weg). Waarna het integrale slothoofdstuk luidt:

"Wat een treurnis, dacht Lucas. Hij ging in de kast zitten en begon zich af te trekken.

Het regende nog steeds."

In het vervolg wordt dan Mulisch zelf door de mangel gehaald: Komrij introduceert in het tweede hoofdstuk prompt de schrijver Theo Ego ('God Ik'), die "naam (maakte) door romans over de Tweede Wereldoorlog, maar ook door zijn boek over het Egyptische dodenrijk en zijn autobiografie Ik en geen einde, een titel die zinspeelde op Goethe und kein Ende, met welk laatstgenoemde klassieke auteur hij zich graag vergeleek". En zo gaat het door - een zevenklapper van voor de met de literaire petite histoire vertrouwde lezer amusante toespelingen en steken onder water. Zien we daar in Parijs, waar het verhaal de (door Komrij zeer hermansiaans Ton Botvanger gedoopte) hoofdfiguur heenvoert, niet een erg op Hermans gelijkende figuur opduiken? Voert Adriaan van Dis niet, quasi bescheiden, "het door de treurbuis omhooggevallen succesartiestje Nathan Lepel" op? En? Zo? Voort?

Jammer is alleen dat de intrige, aanvankelijk door Komrij en Van Dis, en ook wel door Maarten 't Hart, met verve voortgezet, ten slotte doldraait. Campert kwam in zijn (op zich overigens zeer leesbare) aflevering met de wending dat al het tot dan toe gebeurde een droom was geweest. Een noodgreep die Marga Minco nog wist te pareren, maar Hugo Claus, die het destijds weer van haar overnam, had er kennelijk niet veel zin in en breide een hopeloos verkitscht, nuffig gemaniëreerd onslot aan de geschiedenis.

Te bewonderenswaardiger is daarom de definitieve afronding waarvoor Joost Zwagerman dit jaar heeft gezorgd. Het verhaal echt redden kan hij niet, maar het lukt hem wel om, in de geest van parodie die over het boek zweeft als God over de vloed, van zijn hoofdstuk ('Botvangers boemerang') een ironische hommage aan de Grote Drie te maken - en dan vooral aan Mulisch, die elf jaar geleden de aanzet tot deze fantastische vertelling gaf. Weliswaar blijkt de hele Hollandse schrijverij één grote oplichterij, maar, nietwaar: "Waarover men niet spreken kan, moet men loeien," aldus de laatste zin. Hoogste tijd voor Botvanger, schrijver dezes, om schoon schip te maken.

Waar dat laatste allemaal op slaat - men leze zelf. Want al is De Schrijver, vanwege de nogal flink rammelende plot, niet bepaald een geslaagde klassieke roman - er vallen hele scholen mussen zonder reden van het dak -, leuk is dit boek zeker wel. Op zijn minst voor de lichtelijk verliteratuurden onder ons. Wie wil, mag er zelfs een luchthartige bespiegeling over de creatie, ja over God Zelve in zien, deze in dit boek voortdurend herschapen Schepper - hoe Zijn initialen ook mogen luiden.

Niet bepaald een geslaagde klassieke roman, maar leuk is dit boek zeker wel

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234