Zaterdag 14/12/2019

de scheiding

In een bijdrage die oorspronkelijk verscheen in The New Yorker en die hij voor De Morgen heeft bewerkt, duidt de vermaarde Nederlands-Britse opiniemaker Ian Buruma de verdeeldheid onder de Belgen als een typisch Europees verhaal. Buruma was daarvoor eind vorig jaar een week op bezoek in ons land. Hij doorkruiste Brussel van de Europese wijk tot Kuregem, spoorde naar Charleroi en bezocht Vilvoorde, en sprak met tientallen politici, professoren, schrijvers, journalisten en burgers. Dit is Brussel door de ogen van Buruma: hoofdstad van een land en een Unie, tussen eenwording en versplintering.

art De Wever is een uniek figuur onder de rechtse Europese populisten. Hij staat niet vijandig tegenover de Europese Unie, en is net zo min geïnteresseerd in de zogenaamde dreiging van de islam voor de Westerse beschaving. Hij is integendeel vooral bezig met de toekomstige dood van België. “Ik denk dat België traag zal uitdoven”, vertelde hij me in oktober. “Traagjes, zoals een kaars, en amper iemand zal het merken.”

We zagen elkaar op het hoofdkwartier van de Nieuw-Vlaamse Alliantie in Brussel. Zoals de EU vertoeft Brussel in een permanente identiteitscrisis: het is tegelijk de hoofdstad van België, en de hoofdstad van Vlaanderen, ook al heeft minder dan een tiende van de inwoners het Nederlands als moedertaal. De Wevers hoofdkwartier in Brussel lijkt met zijn kale muren en simpele meubilair op een geïmproviseerd campagnekantoor in een district waar de N-VA waarschijnlijk nooit zal winnen, een beetje misplaatst in de majestueuze Koningsstraat.

De Wever staat bekend om zijn voorliefde voor frieten, en is zwaar aangekomen sinds hij in 2004 als parlementslid zijn intrede deed in de politiek. In combinatie met zijn roze wangen, zijn slordige, donkere kuif en zijn openstaande hemd, geeft hij de indruk van een enthousiaste, wat mollige schooljongen, de beste in de klas. De Wever betreurde de dood van België niet. De opkomst van zijn partij toont aan dat de altijd al brokkelige identiteit van België op het punt staat om te slaan in een zuivere breuk. Meestal komen de winnende partijen van Vlaanderen en Wallonië na uitgebreid vergaderen en dineren, wel tot een akkoord.

Niet deze keer. Nogal wat Belgen luiden de alarmbel. België, in de woorden van Eric Van Rompuy, een Vlaams Parlementslid, “ligt in coma”. Brussel, zo vertelde een Vlaamse schrijver me, “is een kruitvat dat op het punt staat te ontploffen”. Een Amerikaan die al lang in Brussel woont, vertelde me zelfs dat hij de mogelijkheid van geweld niet uitsluit.

Het probleem van België is dat de burgers nog zo weinig gemeen hebben met elkaar. Ongeveer 60 procent van zijn 10,8 miljoen inwoners spreekt Nederlands en woont vooral in Vlaanderen, terwijl 40 procent Frans spreekt en vooral in Wallonië woont. En dan is er nog de kleine Duitssprekende gemeenschap in het oosten. De Vlamingen en Walen hebben hun eigen politieke partijen, kranten, tv-zenders, schrijvers en popsterren. Maar de kwesties die hen verdelen, zijn niet louter cultureel of linguïstisch. Wallonië wordt gecontroleerd door de Franstalige socialistische partij, die het oude industriegebied beheert als een baronie en elk idee van scheiding verwerpt, gedeeltelijk omdat ze voor haar overleven aangewezen is op grote transfers van federale fondsen. Zoals de rechtse kiezers in Noord-Italië, die geen belastinggeld veil hebben voor het armere zuiden, houden de Vlaamse kiezers van De Wever hun geld liever voor zichzelf. De meesten willen weliswaar (nog) geen scheiding van Wallonië, maar ze willen wel uit elkaar gaan, met Brussel als kind waarvoor gevochten wordt.

De Vlaamse schrijver Pascal Verbeken vergeleek de twee grote gewesten van België met een Siamese tweeling met maar één hart: scheidt ze van elkaar en eentje gaat gegarandeerd dood. Wordt Brussel een onderdeel van Vlaanderen? Van Wallonië? Van de Europese Unie? Of een stadsstaat misschien? De Wever knikte ernstig toen ik de kwestie opwierp. “Ja, zonder Brussel was het al gebeurd”, zei hij. “Je moet weten: Brussel is het kind van België. Het is België, noch Waals, noch Vlaams, maar Belgisch. Brussel vecht om België in stand te houden. Maar in Wallonië zijn de mensen even negatief over Brussel als in Vlaanderen.” De Vlamingen voelen zich er niet thuis, legde hij uit, omdat Brussel, “gedeculturaliseerd” is, een van oorsprong Vlaamse stad, die in de negentiende eeuw verfranste omdat Frans nu eenmaal de taal was van de hoge cultuur en de maatschappelijk mobiliteit. En de Walen haten Brussel omdat het altijd de stad was van de rijke bourgeoisie, die geld verdiende met de mijnen en de zware industrie in het zuiden, het zwarte land, le pays noir.

Je kunt Brussel weliswaar omschrijven als het kind van België, in zekere zin is het er ook de ouder van. De onafhankelijke staat België was een creatie van de Brusselse elite, die in 1830 besliste dat ze niet meer geregeerd wilde worden door de Nederlandse koning. Franstalige Vlamingen en Walen scheurden zich met de steun van de katholieke kerk af van het voornamelijk protestantse Nederland en voerden hun eigen koning in, die, zoals de meeste Europese koningen, uit Duitsland kwam. Het Vlaams Gewest was in die tijd vooral arm en landelijk. Alle welvaart kwam van het industriële zuiden. Tot halverwege de twintigste eeuw werden de meeste treinen in Europa vervaardigd met staal uit het zwarte land. Toen de mijnen en staalfabrieken de deuren begonnen te sluiten in de jaren zestig bleven voormalige explosief groeiende steden zoals Charleroi en La Louvière verwaarloosd achter en ging Brussel gewoon verder de Europese toer op.

Nu Vlaanderen het rijke gewest is geworden en hoogopgeleide Nederlandstalige Vlamingen zoals De Wever zich eerder richten naar de Angelsaksische wereld dan naar Frankrijk, blijft er in Brussel geen elite meer over om de natie samen te houden. De Vlaamse en Waalse politieke leiders kennen elkaar nog amper. Toen De Wever Elio Di Rupo wilde feliciteren met zijn verkiezingsoverwinning in Wallonië, vond hij zelfs zijn gsm-nummer niet. En dat zijn de mannen die samen een regering moeten vormen.

Dat dit plaatsgrijpt in het centrum van Europa heeft - en dat is het minste wat je kunt zeggen - symbolisch belang. Zoals De Wever het stelde: “De paradox van vandaag is dat terwijl Europa naar elkaar toe groeit de natiestaat uit elkaar valt.” Dat is een overdrijving, maar de notie van nationale soevereiniteit en vertrouwen in de oude politieke elite is overal verzwakt door de economische globalisering en door de overdracht van macht van nationale naar Europese instellingen, waarnaar vaak en zelden positief verwezen wordt als ‘Brussel’. Overal in Europa eisen alsmaar meer mensen met hun versie van de Tea Partymantra hun land weer op - van ‘Brussel’, van de “linkse elites”, of van immigranten.

De verdeeldheid onder de Belgen is in dat opzicht een typisch Europees verhaal. En De Wever is een typisch Europees populist, in die zin dat hij zich afkeert van de oude Belgische elite en meer macht opeist voor een jonge staat, een Vlaamse staat. Populisten in de VS zetten zich graag af tegen elke vorm van staatsbemoeienis. Op de vraag of hij zich kon vinden in het angelsaksische neoliberalisme, antwoordde hij dat hij zich thuis voelde in het continentale Europa.

Collaboratie

De verdeeldheid in Europa was natuurlijk nooit de bedoeling geweest. Toen de eerste stappen richting Europese eenmaking werden gezet in de jaren vijftig en zestig, met name met het Verdrag van Brussel van 1965, stond België als democratische, meertalige en multiculturele staat model voor het pan-Europese ideaal. Ooit, dachten Euro- idealisten, zouden alle Europeanen even goed overeenkomen als de Walen en Vlamingen.

België leek voorbestemd als het ideale centrum voor het nieuwe Europa, niet het minst vanwege zijn geschiedenis: het zou de geboorteplaats zijn van Karel de Grote (742-814) en van Karel V, keizer van het Heilig-Roomse Rijk (1500-1558). Het nieuwe dynamisme van België werd gesymboliseerd door de Wereldtentoonstelling in Brussel in 1958, met dat enorme zilveren eerbetoon aan de moderniteit genaamd het Atomium. Hier lag de toekomst van het verenigde Europa, een continent van natiestaten, maar vooral ook van sterkere gewesten. Die wens werd in bepaalde opzichten werkelijkheid. De terugval van de nationale soevereiniteit en de groeiende regionale solidariteit - bij onder meer de Basken, de Vlamingen, de Schotten, de Catalanen - ging helaas niet gepaard met een groei van compenserende liefde voor de Europese Unie. België ontwikkelde zich geleidelijk tot een model voor wat fout kan lopen als het centrum begint weg te smelten. En de andere regio’s in Europa kijken angstvallig toe hoe dit verhaal zal aflopen.

Dat wil niet zeggen dat de spanningen tussen Frans- en Nederlandstaligen een recent fenomeen zijn. Aan de universiteit van Gent sprak ik met Bart De Wevers oudere broer Bruno, die er Belgische geschiedenis doceert. Hij legde uit dat de taalkloof ook altijd een sociale kloof was. Overigens is Gent de universiteit waar voor het eerst uitsluitend in het Nederlands gedoceerd werd. Dat recht werd pas bezegeld in 1930, honderd jaar na de Belgische onafhankelijkheid, en de woorden van de toenmalige rector, August Vermeylen, prijken op de muur van het kantoor van Bruno De Wever: “Wij willen Vlamingen zijn om Europeeërs te worden.” Professor De Wever, een slankere versie van zijn beroemde broer, vertelde me over de Vlaamse beweging, die allereerst was opgekomen voor gelijke rechten en die eind negentiende eeuw vooral geleid werd door professoren en literatoren. Tijdens de bezetting van België in de Tweede Wereldoorlog bekende het Vlaams-nationalisme zich noodlottig tot de collaboratie. Germaans broederschap, dachten vele - zeker niet alle - Vlaamse activisten, was de beste manier om hun zaak vooruit te helpen. De Wevers grootvader, een schoolmeester, werd lid van het Vlaams Nationaal Vebond in 1943. “Geen al te beste timing”, mompelde Bruno De Wever. Na de oorlog werd hun vader, een spoorwegarbeider, lid van de Vlaamse Militanten Orde. “Toen de Tweede Wereldoorlog voorbij was, was de Vlaamse beweging zwaar aangetast door de collaboratie, een trauma dat nog is gegroeid door het islamofobische Vlaams Belang”, legde Bruno De Wever uit.

Waalse politici maken graag gebruik van het collaboratieverleden om elk Vlaams activisme verdacht te maken. Onlangs vertoonde een Franstalige tv-zender een documentaire waarin ook het collaboratieverleden van De Wevers grootvader aan bod kwam. (Bart De Wever wees er als reactie in een krant op dat de notoirste nazicollaborateur Léon Degrelle was, een Waal.) “Er bestaat geen twijfel over dat er continuïteit is geweest op het vlak van mensen en ideeën met dat zwarte verleden”, zegt Bruno De Wever. “Maar in Vlaanderen waait er ook een frisse wind. Wij hebben op eerlijke wijze afgerekend met het verleden. Meer dan Wallonië, waar de geschiedenis van Legrelle en het Waalse Legioen nog altijd afgedaan wordt marginaal fenomeen dat met de meerderheid niets te maken had.” Omdat Bart De Wever en zijn partij de xenofobe retoriek vermijden die typisch is voor rechtse populisten, hebben ze het Vlaams-nationalisme opnieuw respectabel gemaakt, en de electorale winst in Vlaanderen is ten dele ten koste gegaan van het Vlaams Belang. Anderen, aan Waalse zijde maar ook bij links in Vlaanderen, blijven De Wever zien als de respectabele voorman van het extreme Vlaams-nationalisme. Maar De Wever beweert dat zijn agenda de culturele en linguïstische conflicten overstijgt. “Wij hebben culturele emancipatie verwezenlijkt”, zegde hij me. “Dat maakt niet langer deel uit van ons discours. We zijn geïnteresseerd in democratie en efficiëntie.”

Een klein beetje meer efficiëntie zou best wel mogen in België. “België is een labyrint van instellingen”, verklaarde Bart De Wever. “Als je het gemiddelde lid van het federale parlement vraagt hoe het systeem functioneert, en wie de bevoegdheid heeft om wat te doen, dan zou hij in paniek wegrennen.” Maar ‘efficiëntie’ is ook een codewoord in de Franstalig-Nederlandstalige cultuuroorlog, omdat Vlaams-nationalisten - en ook nogal wat Walen - het door de socialisten geleide Wallonië beschouwen als een model van inefficiëntie. Ik lunchte in de Europese wijk met Christian Laporte, een eminente journalist bij de Franstalige krant La Dernière Heure. Hij koos voor steak tartaar, wat Belgen filet américain noemen. Franstalig België, zei hij, “is een oase van socialisme in Europa”. Vroeger waren het paternalistische industriëlen die de regio erbovenop hielden, de partij doet nu hetzelfde - zij het met overheidsgeld, waarvan de stromen niet altijd doorzichtig zijn. Vandaar Bart De Wevers discours over ‘transparantie’. “Het verbaast dan ook niet dat de grote machine van de Parti Socialiste niet verantwoordelijk gesteld wil worden”, zei Laporte. “Ze is bang dat haar aanwending van federaal geld in vraag gesteld zal worden.”

De hoge kost van die administratieve transparantie werd duidelijk in het beruchte geval van Marc Dutroux. Een gebrek aan samenwerking en coördinatie tussen diverse lokale autoriteiten vertraagde zijn arrestatie. In oktober protesteerden 300.000 mensen in de straten van Brussel om hun verontwaardiging uit te schreeuwen - een van de weinige gevallen waarbij Vlamingen en Walen elkaar vonden voor een gemeenschappelijke zaak. De thuisstad van Dutroux, waar hij zijn ergste misdaden beging, was Charleroi, een van de plekken waar de industriële revolutie begon op het continent. Ik kuierde door de afbrokkelende industriële buitenwijken en groezelige straatjes vol zwartgeblakerde huisjes in het gezelschap van Pascal Verbeken, auteur van een uitstekend reisboek over de regio getiteld Arm Wallonië. Verbeken, die in tegenstelling tot de meeste Vlamingen oprecht geïnteresseerd is in en sympathie heeft voor het Franstalige landsgedeelte, wees op de vele Vlaamse namen in het oude kerkhof buiten Charleroi.

“De mensen zijn vergeten dat in de goede jaren tussen 1840 en 1950 meer dan een half miljoen Vlamingen naar hier verhuisden op zoek naar werk”, zei hij. “Maar dat past niet bij het imago dat Vlamingen nu van zichzelf hebben.” Het grootste café in het stadscentrum heet La Maison de Huit Heures, naar de oude socialistische eis van een werkdag van maximaal acht uur. In de somberste, meest onderkomen uithoek van Charleroi, weggepropt naast de spoorweg, staat het huis dat vroeger eigendom was van Marc Dutroux. Op de gevel prijkt een groot beeld van een kind met een vlieger, dat beklad is met graffiti.

Pascal Verbeken is somber gestemd over de koers van zijn land. “Weet je, iedereen praat tegenwoordig over het einde van België”, zei hij. “En ze richten zich vooral op het Vlaams-nationalisme. Maar België verdwijnt op zoveel verschillende manieren, elke dag een beetje meer. Guy Verhofstadt kan wel ronken over de model-Europeaan, die onder het genot van een glas bourgogne naar Sibelius luistert en Cavafy leest. Maar wat heeft dat te maken met de verloedering van oude industriële wijken, die worden overspoeld door immigranten uit Turkije, Bulgarije, Roemenië, die totaal geen herinneringen delen aan ons Belgische verleden? Het Vlaams-nationalisme is een reactie op een samenleving die te snel verandert. Niemand kan het meer volgen.”

Klein Marrakech

Als Brussel België is, zoals Bart De Wever stelt, dan is het ook het toonbeeld van het verdwijnende België dat Verbeken betreurt. Een derde van de bevolking werd elders geboren, en hun aantal groeit, vooral nu vele in België geboren inwoners naar de betere buitenwijken verhuizen. Er zijn wijken dicht bij het stadscentrum, niet ver van de prachtige Grote Markt met haar schitterende 17de-eeuwse stadhuis, waar bijna uitsluitend nog immigranten uit Noord-Afrika, Turkije, Congo, of Rwanda wonen. Molenbeek, een traditionele arbeidersgemeente die vroeger ‘klein Manchester’ genoemd werd, heet tegenwoordig ‘klein Marrakech’ in de volksmond. Bart De Wever praat liever niet over zulke plekken. Maar de problemen van ‘klein Marrakech’ hebben een invloed op de spanningen tussen Frans- en Nederlandstaligen die België verscheuren.

De Brusselse immigrantenwijk Kuregem is berucht om haar hoge graad criminaliteit en werkloosheid. In een kramp van ‘nultolerantie’ voerde de politie er onlangs een raid uit met helikopters en ordetroepen. Een deel van Kuregem is sub-Saharisch Afrikaans. Op elke straathoek zie je jonge mannen, die wachten om oude auto’s op te kopen voor export naar Afrika. De rest is grotendeels Noord-Afrikaans, vooral Marokkaans. Daar maakte ik kennis met de eigenaar van een kruidenierszaak. Laat ik hem Ahmed noemen. Ahmed en zijn echtgenote, een vriendelijke vrouw in hoofddoek met kind tegen de borst gedrukt, werden in België geboren uit Marokkaanse ouders. Ahmed had een netjes getrimde baard en lachte vaak, ook al drukte hij zijn wanhoop uit over de omstandigheden in zijn wijk. Hij sprak Frans en Arabisch. Frans is de lingua franca op straat, omdat, zo legde Ahmed uit, veel Marokkanen elkaars dialect niet verstaan.

“Vroeger, toen ik hier opgroeide, was het fantastisch”, zei hij glimlachend. “Hier woonden vooral Belgen, een paar andere Europeanen, weinig immigranten. Maar nu... Je ziet het zelf: drugs, diefstal, brandstichting. Het zijn Marokkaanse mensen zoals wij, dat weet ik wel, maar ik wil niet dat mijn kinderen de straat op gaan. De bendes zijn gewapend. Ze kopen kalasjnikovs van de Oost-Europeanen. Ik maak me zorgen over mijn zoon. Eén slechte vriend, en hij wordt zelf een crimineel.”

Ook al zijn Ahmed en zijn vrouw Franstalig, toch sturen ze hun kinderen naar een Nederlandstalige school. “Beter onderwijs”, zei hij. Ik achterhaalde de reden. In Nederlandstalige scholen zitten minder kinderen van immigranten. Als Ahmed het kon betalen, zou hij verhuizen naar de rand. “Maar dat gaat niet. Ik zit hier vast.”

Vilvoorde, een vriendelijke oude stad die ooit bekendstond om haar paardenmarkt, is zo’n randgemeente waarnaar Ahmed graag zou verhuizen. Het is ook een van de kleine steden waarover Waalse en Vlaamse politici bekvechten. Een andere is Halle. Het dispuut is typisch Belgisch. Vilvoorde en Halle behoren - ook al zijn ze Nederlandstalig en liggen ze in Vlaams-Brabant - tot hetzelfde tweetalige kiesdistrict als Brussel. Een bordje tegen de muur van het OCMW in Vilvoorde informeerde bezoekers in het Nederlands dat er uitsluitend Nederlands wordt gesproken, en dat diegenen die het Nederlands niet machtig zijn een tolk dienen mee te nemen. Het was niet meteen duidelijk welk nut zo’n bordje heeft voor niet-Nederlandstaligen. Maar in België sta je niet te lang stil bij zulke dingen.

Ik had een afspraak met Hans Bonte, een socialistisch gemeenteraadslid, die ook het OCMW leidt. Bonte straalt met zijn open gezicht en zijn kortgeschoren haar energie en goede wil uit, een beetje zoals een vriendelijke sportcoach. Alvorens van wal te steken over de heikele kwestie van de Belgische identiteit vertelde hij me iets over de Vilvoordse identiteit: “Vanuit het perspectief van de authentieke Vilvoordenaar is dit een echte Vlaamse stad, met haar eigen puur Vlaamse identiteit. Vanuit het perspectief van Brussel is dit een meertalige Brusselse buitenwijk.”

De Nederlandstalige Vlamingen, zei hij, hadden er geen problemen mee de kleine groep voornamelijk rijke Franstaligen op te nemen. “Maar de politici in Brussel, eerst Yves Leterme, nu Bart de Wever, maken het voor ons erg moeilijk, omdat ze de gemeenschappen radicaliseren, ook al doen we ons best om mensen te doen samenleven.” Ik vroeg Bonte uit over de vloed van niet-Europese immigranten naar de rand. Was dat een probleem? Bonte zuchtte. “Ja”, zei hij. “Ziet u, dat zijn vooral Franstalige Marokkanen, en dat irriteert de Vlamingen. Vanuit hun perspectief leidt dit niet alleen tot verkleuring, maar ook tot verfransing. Mensen herkennen hun eigen stad niet meer.”

Hij vermoedde dat een vijfde van Vilvoorde momenteel Franstalig is. “Mensen die Marokkanen vroeger makaken noemden, gebruiken dat scheldwoord nu voor alle Franstaligen”, zei Bonte. Ondertussen noemen de Franstalige immigranten de Nederlandstaligen “sales flamands”, vuile Vlamingen. Het verwondert dan ook niet dat de xenofobie groeit in Vilvoorde.

België-Oekraïne

Is er een uitweg uit dit verraderlijke etnische en linguïstische moeras? Op een avond was ik in mijn hotelkamer aan het werken aan mijn notities, met één oog op de tv gericht. Het Belgische voetbalteam speelde tegen Oekraïne. Voetbal houdt vele Europese landen nog samen, en de Rode Duivels waren ooit de trots van België. Ik bekeek de wedstrijd op een Franstalige zender, maar de coach van het team is een Nederlandstalige Vlaming, en dat geldt ook voor vele spelers. Ik vroeg me af welke taal er in de kleedkamer gesproken wordt. Plotseling viel mijn oog op een korte boodschap op het tv-scherm, die de prestaties van de Rode Duivels ophemelde: “Our team”, stond er, in het Engels. Vele mensen in Brussel zeiden dat ik met Philippe Van Parijs moest praten, een Franstalig filosoof en politiek econoom. Hij is van mening, zo liet ik mij vertellen, dat Belgische intellectuelen met elkaar in het Engels moeten communiceren. Dit laatste bleek wat overdreven. Als iemand een model-Belg genoemd mag worden, dan is hij het. Zijn vader was Vlaams, en dus praat hij vloeiend Nederlands, maar hij werd opgeleid in het Frans, praat Engels met zijn Britse vrouw en Nederlands en Frans met zijn kinderen.

In het huis van Van Parijs komt op regelmatige tijdstippen de zogenaamde Paviagroep samen van Belgische intellectuelen, Vlamingen en Walen, om te praten over de toekomst van België. Het belangrijkste idee van de Paviagroep is de creatie van een federale kieskring in het centrum van de Belgische confederatie van Vlaanderen, Wallonië en Brussel. In plaats van een vergaarbak van stemmen uit de gewesten te zijn, moet het federale parlement volgens de groep voor een tiende bestaan uit mensen die rechtstreeks verkozen worden door de Belgen. Dat betekent, zei Van Parijs enthousiast, dat Franstalige politici campagne moeten voeren in Nederlandstalige gebieden, en vice versa.

Er zijn diverse obstakels voor de federalistische droom van de Paviagroep. De communale belangen zijn te groot. Een goede kennis, Thomas Tindemans, zoon van de voormalige premier, zei me dat een federale kieskring de Vlaamse dominantie alleen zou versterken, omdat er nu eenmaal meer Vlaamse kiezers zijn, en dus verworpen zou worden door de Franstaligen. Klopt niet, zei Bart De Wever. Hij vertelde me “dat de verdediging van regionale rechten zo ingebakken zit in België dat een numerieke meerderheid de Vlamingen niet dominanter zou maken”. Maar hij gelooft ook niet in ‘creationisme’, de kunstmatige vorming van een staat. Het interesseert hem niet de comateuze Belgische natie tot leven te wekken.

Van Parijs slaat dergelijke argumenten in de wind. Hij vindt zelfs dat een gelijksoortig systeem ontworpen moet worden voor de EU, met een percentage zetels in het EU-parlement die rechtstreeks verkozen worden door alle EU-burgers. “Het is uiteraard gemakkelijker om een gevoel van solidariteit te creëren in een eentalige gemeenschap”, zei hij. “Maar de problemen in België en in de EU kunnen alleen opgelost worden op ruimere schaal. Brussel noch België kan bestuurd worden zonder federaal niveau. Hetzelfde geldt voor Europa. We suggereren dus een oplossing die België nog niet bedacht heeft, maar die ook kan dienen als een model voor Europa.”

Toen ik Bart De Wever vroeg hoe de huidige politieke impasse in België opgelost moet worden, haalde hij gelaten de schouders op. “De toekomst? Dat is koffiedik kijken.” Toen ik de eminente Vlaamse schrijver Geert van Istendael vroeg of hij dacht dat de Belgische natie het zou overleven, zei hij dat hij dat altijd geloofd had maar nu niet meer zo zeker was. Ik stelde de vraag aan de Franstalige journalist Christian Laporte. Hij keek op van zijn filet américain en zei: “Gelukkig vergieten Belgen gretig woorden en veel inkt, maar zelden bloed.”

Hetzelfde kan gezegd worden over de altijd verwarrende, meestal twistende en schijnbare hopeloze lappendeken genaamd de Europese Unie. En toch toont de bloederige Europese geschiedenis aan dat als naties, rijken en unies uit elkaar vallen, er vaak geweld volgt. Bart De Wever, ogenschijnlijk een van de minzaamsten der Europese nationalisten, voert zijn land naar de rand van de desintegratie. Een land dat instort precies in het centrum van Europa zou niet veel goeds beloven voor de zo al kwetsbare Europese Unie. Anderzijds moet Bart De Wever als historicus België kennen als de scène van versplinterde Europese dromen. Amper vijftien kilometer van zijn kantoor ligt een gemeente genaamd Waterloo.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234