Zondag 22/05/2022

InterviewImmunologe Isabelle Meyts

‘De risicogroepen bij Covid-19? Eigenlijk weten we dat niet’

Volgens immunologe Isabelle Meyts is het helemaal niet zeker dat leeftijd de belangrijkste risicofactor is om een ernstige covidbesmetting op te lopen. 
 Beeld Damon De Backer
Volgens immunologe Isabelle Meyts is het helemaal niet zeker dat leeftijd de belangrijkste risicofactor is om een ernstige covidbesmetting op te lopen.Beeld Damon De Backer

Waarom wordt de een letterlijk doodziek van dit virus en heeft de ander niet eens een snotneus? Samen met tientallen collega’s wereldwijd ontrafelde immunologe Isabelle Meyts (KU Leuven) alvast een deel van het mysterie. ‘Zo’n 15 procent van de zwaar zieken blijkt een tekort te hebben aan type I-interferon, een eiwit dat ons lichaam moet verdedigen.’

Cathy Galle

We horen het al een hele crisis lang. Het zijn veelal ouderen en/of mensen met onderliggende aandoeningen die een hoger risico hebben om hevig ziek te worden en zelfs te sterven na een covidbesmetting. En toch circuleren er al sinds het begin van de crisis verhalen over tachtigplussers mét andere kwalen die geen enkel symptoom vertonen, en liggen er ook jongeren en zelfs kleuters zwaar ziek op intensieve zorgen.

Het is een mysterie waar vooral immunologen zich het hoofd over breken. Een consortium van meer dan vijftig genetische centra en honderden ziekenhuizen over de hele wereld onderzoekt al maanden de kwestie. Het Human Genetic Effort-consortium is een initiatief van de gerenommeerde Franse medicus Jean-Laurent Casanova. Hun bedoeling: uitzoeken hoe het komt dat niet iedereen even ziek wordt van dat één en hetzelfde virus.

En hun inspanningen boeken resultaat. In twee studies, die onlangs in het wetenschappelijk tijdschrift Science verschenen, leggen ze de nadruk op het belang van de zogenaamde type I-interferonen. Dat zijn eiwitten die het lichaam aanmaakt om te kunnen vechten tegen een infectie. “Uit onze onderzoeken bleek dat een groep patiënten die zwaar ziek werden en zelfs overleden een tekort hadden aan die interferonen”, stelt kinderimmunologe Isabelle Meyts, die de onderzoekseenheid Aangeboren Afwijkingen in Immunologie aan de KU Leuven leidt en deel uitmaakt van het consortium. “Een deel van hen, zo’n 3,5 procent, blijkt een genetisch defect te hebben waardoor ze dat eiwit minder aanmaken. Een ander deel, ongeveer 12 procent, blijkt auto-antistoffen tegen dat eiwit aan te maken. Auto-antistoffen zijn verdedigingsstoffen die niet gericht zijn tegen indringers van buitenaf, maar die in dit geval net die aangemaakte interferonen afbreken.”

Het consortium was van bij het begin gefocust op die type I-interferonen. Waarom precies die stof?

Isabelle Meyts: “Omdat het de meest voor de hand liggende piste was. Toen we begin maart met het virus werden geconfronteerd, werden we overspoeld door telefoons van ongeruste ouders van kinderen met een aangeboren slecht werkend immuunsysteem. Ze vroegen of ze hun kinderen moesten thuis houden. Maar wij zijn er van bij het begin van uitgegaan dat we ons vooral moesten focussen op dat stuk van het immuunsysteem dat heel specifiek de eerste verdedigingslijn vormt tegen virussen. En dat zijn die type I-interferonen. Zodra een virus in het neusslijmvlies, keel of mond binnenglipt, worden die stoffen aangemaakt om de infectie tegen te houden of binnen de perken te houden. We hadden eerder al beschreven dat een tekort aan die eiwitten ook bij dodelijke influenza en mazelen bij kinderen bijvoorbeeld een grote rol speelt.

“De hele crisis al wordt er vooral vanuit het virus geredeneerd. Wij immunologen redeneren vanuit de drager. De immuniteit van de drager is even belangrijk als het virus zelf. Met dit nieuwe virus is eigenlijk iedereen gelijk voor de wet. Niemand kan terugvallen op eerder aangemaakte antistoffen. Als niet iedereen even ziek wordt, kan het niet anders dan dat het immuunsysteem en de immuunrespons de bepalende factoren zijn.”

Nochtans wordt al maanden gezegd dat vooral onderliggende aandoeningen, zoals diabetes of hoge bloeddruk belangrijk zijn voor het risico op ernstige ziekte. Klopt dat dan niet?

“Al van bij het begin hebben we ons binnen het consortium kritisch opgesteld tegenover de idee dat die onderliggende aandoeningen zo belangrijk waren. Ze zijn wellicht niet onbelangrijk, maar het zijn volgens ons niet de primaire factoren die maken dat het virus zo verschillend ervaren wordt. Uit onze studies blijkt dat een tekort aan die interferonen een belangrijkere rol speelt.

“Eigenlijk weten we niet precies wie de risicogroepen voor covid zijn. Het is helemaal niet zeker dat leeftijd een rol speelt. We weten wel dat 50 procent van de mensen bij wie auto-antistoffen tegen interferon worden gevonden, ouder is dan 65 jaar, en dat 95 procent man is. Dat is ook de groep die het vaakst voorkomt in de coronastatistieken. Met andere woorden, ons onderzoek geeft dus een immunologische verklaring voor wat we eigenlijk al merkten in de praktijk. Maar er kunnen dus nog heel wat andere risicopersonen zijn die om de een of andere reden niet genoeg interferonen hebben.

“Waarom vooral 65-plussers en dan vooral mannen die auto-antistoffen aanmaken, weten we ook niet. Daar doen we nog volop onderzoek naar. In de komende maanden zal daar zeker iets over naar boven komen.”

Als een tekort aan die interferonen het probleem is, kunnen we die dan gewoon toedienen aan patiënten die het nodig hebben?

“Dat is een inderdaad een optie. Interferonen worden al vaak toegediend bij hepatitis C en multiple sclerose (MS). Ze zijn op de markt. Het zijn wel dure medicijnen. In China bijvoorbeeld hebben ze zelfs inhalators met interferon en ook neusdruppels. Al is er nog geen gepubliceerd onderzoek over de werking van die druppels.

“En je kunt interferon ook niet zomaar in het wilde weg aan iedereen toedienen. Je moet weten aan wie wel en wie niet. Want te veel en te vaak interferonen toedienen, heeft kwalijke gevolgen. De doelgroep afbakenen is dus niet eenvoudig. Je kunt moeilijk de hele bevolking gaan controleren op genetische defecten.

“Wat wel een mogelijkheid is: je zou je kunnen toespitsen op het opsporen van die auto-antistoffen. Want uit ons onderzoek blijkt dat wie die stoffen heeft, bijna 100 procent kans heeft om ernstig ziek te worden van dit virus. En bijna 50 procent overlijdt. Ongeacht of er onderliggende aandoeningen zijn of niet. Als je mensen met die stoffen kunt opsporen en je kunt hen interferonen toedienen, dan kun je voorkomen dat ze ernstig ziek worden en sterven. We spreken hier toch over 10 procent van de zwaar zieken.

“Een belangrijke voorwaarde is volgens ons wel dat je die interferonen in een heel vroeg stadium toedient. Anders heeft het weinig effect. Er zijn dan ook mensen die kritiek hebben op de interferonenpiste. Maar uit de meeste onderzoeken blijkt dat er wel een effect is als ze in een heel vroeg stadium toegediend worden. Je zag dan een verkorting van de duur waarin er symptomen optraden en ook een kortere hospitalisatieperiode.”

Hoe doe je dat praktisch, dat zo vroeg mogelijk toedienen?

“Je zou dat eigenlijk nog voor de eerstelijnshulp moeten doen. Door bijvoorbeeld mensen uit de bekende risicogroep, die naar een van de teststraten komen omdat er een vermoeden is van besmetting, ook meteen te testen op die auto-antistoffen.

“We zijn nu binnen het consortium aan het kijken op welke manier we dat praktisch het best zouden kunnen organiseren. Technisch gezien is veel mogelijk. Alle laboratoriumtesten zijn op zich te automatiseren, als je daarop wilt inzetten en als er geld achterzit. Dat heeft deze crisis ons wel geleerd.

“Maar toch ligt dat gevoelig, want om dat uit te zoeken moet je een klinische trial opzetten, een onderzoek dus op menselijke proefpersonen in een reële context. En er zijn al zoveel trials lopende in verband met dit virus. Op een moment dat ons zorgpersoneel onder gigantische druk staat, zijn we hier wellicht niet klaar voor. We kunnen nu nauwelijks aan wat we aan moeten kunnen. Laat staan dat er dan nog eens extra onderzoeken moeten gebeuren.”

Veel van die trials draaien blijkbaar ook op niets uit, bleek onlangs nog uit een paper van de wereldgezondheidsorganisatie (WHO).

“Klopt. Al kan je je er soms wel vragen bij stellen. Neem nu het onderzoek waarbij je patiënten gaat behandelen met bloedplasma van patiënten die de ziekte hebben doorgemaakt. Daar zijn de resultaten die gepubliceerd werden niet geweldig. Maar je kunt je wel afvragen of er hier geen link is met ons onderzoek naar de auto-antistoffen. Als zulke stoffen in het plasma aanwezig zijn, dan breng je niet alleen antilichamen tegen covid over op een patiënt maar ook stoffen die interferon, het eiwit dat net de verdediging tegen het virus hoort te zijn, afbreken. Dan kun je geen goed resultaat krijgen natuurlijk. Met het consortium willen we nu onder meer het gebruikte plasma checken op de aanwezigheid van die auto-antistoffen tegen interferon.”

Er is nu dus een verklaring waarom 15 procent van de ernstig zieken zo ziek wordt. Wat met de overige 85 procent? Tasten we daar nog volledig in het duister?

“Daar wordt verder naar gezocht. Er zijn nog een aantal aanwijzingen. Zo hebben we maar dertien van de honderden genen onderzocht op een defect. In plaats van blind te beginnen zoeken, zijn we begonnen bij die genen die eerder al aangeduid waren als belangrijk voor de reactie van een lichaam tegen virussen. Mochten we ook de andere genen kunnen onderzoeken, zullen we wellicht nog meer vinden. Dat is een werk van lange adem, maar heel boeiend.

“Er zijn wellicht nog honderden factoren die de aanmaak van interferonen kunnen beïnvloeden. Hoe meer we gaan onderzoeken, hoe meer groepen we wellicht gaan vinden die om de een of andere reden te weinig van die stoffen aanmaken. Maar ondanks alles wat we weten en alle wetenschappelijke achtergrond blijven we nog met heel wat vragen zitten. Zoals: waarom raken patiënt opnieuw besmet? Dat is bijzonder vervelend. Waarom maken we geen antistoffen aan die blijvend beschermen? Dat stemt tot nadenken over hoe we dit verder gaan moeten managen.”

Dat horen we vaak van experts: dat het virus ons telkens weer te snel af is. Het verrast ons voortdurend, in de slechte zin dan.

“Exact. Nog een voorbeeld: we merken dat het afweersysteem van een kind heel anders met dit virus omgaat dan het afweersysteem van een volwassene. Daarover lopen enkele studies. De resultaten zijn nog niet zo robuust, maar de voorlopige conclusie is wel erg verrassend en ook interessant: kinderen maken vaak een ander soort antistoffen aan tegen dit virus dan volwassenen, waardoor ze beter in staat zijn om zonder al te veel symptomen de infectie door te maken. Volwassenen maken dan weer voornamelijk antistoffen aan tegen een factor van het virus die minder relevant is voor de infectie, maar eerder pas als het virus al in de cel is geraakt.”

Hoe zou ons dat kunnen helpen in de strijd tegen het virus? Want dat kinderen globaal gezien minder ziek worden, wisten we al.

“Het kan belangrijk zijn bij de ontwikkeling van een goed en voor iedereen werkend vaccin. Het zou erop kunnen wijzen dat we ons met die vaccins moeten focussen op de antistoffen die kinderen aanmaken. En zo’n vaccin is de enige weg hieruit, zonder lockdowns en zonder stringente maatregelen.

“We zouden dat vaccin, als het er eenmaal is, ook prioritair moeten toedienen aan patiënten die auto-antistoffen blijken te hebben. Omdat het risico op sterven bij hen erg hoog is. Maar daarvoor moet er dus wel eerst gescreend worden. Ons consortium bestaat uit wetenschappers, ons doel is niet om testen te ontwikkelen. Maar er zijn zeker spin-offs mogelijk die die kunnen maken. Zo zou je bijvoorbeeld iedereen die een regulier onderzoek heeft bij de dokter kunnen screenen op de aanwezigheid van die auto-antistoffen. En je zou ook het type I-interferon kunnen meten. Zijn die auto-antistoffen aanwezig of is de hoeveelheid eiwit laag, dan kun je ingrijpen.

“Nu, als overheid moet je altijd een stuk pragmatiek inbouwen. En dan denk ik dat het inderdaad een goed plan is om bij de vaccinatie vooral te focussen op de 65-plussers. En dan vooral op de mannen. Wat dat is eigenlijk de grootste risicogroep.”

BIO

- Kinderimmunologe in het UZ Leuven en hoogleraar aan de KU Leuven
- Hoofd van de onderzoekseenheid Aangeboren Afwijkingen in Immunologie (KU Leuven)
- Leidt het zorgprogramma Primaire Immuundeficiënties in UZ Leuven
- Voorzitter van de European Society for Immunodeficiencies

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234