Zondag 07/06/2020

De rede is dood. Leve de rede!

De Engelse journalist en Marx-biograaf Francis Wheen ziet dat het niet goed is. Het irrationalisme is onstuitbaar in opmars, het einde van de Verlichting lijkt nabij.

Francis Wheen

How Mumbo-Jumbo Conquered the World. A Short History of Modern Delusions

Fourth Estate, Londen, 338 p., 11,98 pond.

How Mumbo-Jumbo Conquered the World is een scherp, ironisch en soms emotioneel geladen essay dat een balans opmaakt van de tijdgeest van de voorbije vijfentwintig jaar. Wheen, jarenlang columnist voor The Guardian, bekijkt de wereld door een kritische linkse bril en schrikt van wat hij ziet. Zijn stelling? Een kwarteeuw geleden heeft het westerse denken een gevaarlijke bocht genomen en de idealen van de Verlichting op de helling gezet. En dat kan alleen maar slecht aflopen.

1979. Wheen begint zijn boek met een flashback naar het jaar dat hij als een keerpunt van de moderne geschiedenis ziet. Twee ontwikkelingen zijn emblematisch. In januari vlucht de sjah van Iran naar het buitenland en wacht Teheran vol ongeduld op de terugkeer van ayatollah Khomeini, de geestelijke leider. De verwachtingen zijn groot. "De dag dat de Imam terugkeert zal niemand nog liegen, niemand zal de deuren van zijn huis op slot doen, de mensen zullen broeders worden en het brood van hun vreugde samen delen, in rechtvaardigheid en eerlijkheid", schrijft een Iraanse krant. Medhi Bazargan, Khomeini's gezant in Teheran, voorspelt "een bewind zoals we dat tien jaar hebben gekend onder de Profeet Mohammed en vijf jaar onder de Imam Ali". Wheens droge commentaar: "Het was dus de bedoeling een bewind te herstellen dat bijna 1.300 jaar geleden voor het laatst had bestaan."

In dezelfde periode staat ook het Verenigd Koninkrijk in rep en roer. De 'winter of discontent', waarin zowat iedereen staakt en de chaos toeneemt naarmate de bergen huisvuil zich opstapelen, nadert zijn climax. De Labour-premier, 'Sunny Jim' Callaghan, haalt de voorpagina's wanneer hij bij zijn terugkeer van een top in Guadeloupe op de vraag van een journalist naar zijn mening over de crisis antwoordt: "Welke crisis?" Nog geen twee maanden later is zijn regering gevallen en lijdt Labour een verpletterende verkiezingsnederlaag. Begin mei neemt Margaret Thatcher, de IJzeren Dame, haar intrek in Downing Street, terwijl in Iran de islamitische revolutie hoogtij viert.

Voor Francis Wheen staan deze twee gebeurtenissen niet los van elkaar maar luiden ze een nieuw tijdperk in, dat van het einde van de Verlichting. Maar wat betekent die Verlichting eigenlijk? We krijgen een mini-minicursus filosofie waarin Wheen zijn helden aan het woord laat, van Descartes en Spinoza tot Bacon, Locke en Hume, Kant, Diderot en d'Alembert, Benjamin Franklin en Thomas Jefferson. Zijn eigen definitie van de Verlichting is even kort als helder en tegelijkertijd een principeverklaring: "De Verlichting was meer een houding dan een ideologie, de veronderstelling dat men bepaalde waarheden over de mens, de maatschappij en de natuur kon kennen, door deductie of waarneming, en dat de ontdekking van deze waarheden de kwaliteit van het leven zou veranderen."

Sinds de denkers van de Verlichting was de rede tweehonderd jaar lang het instrument dat ons naar waarheid en objectieve kennis zou leiden. Nu is de rede op de terugtocht, als ideaal en als realiteit. Een bizar verbond van postmodernisten en primitivisten, 'New Age en Oud Testament', heeft het Verlichtingsdenken ondermijnd: "Niet alleen idioten of fanatici die beweren dat onwetendheid zaligmakend is om hun eigen onnozelheid te verbergen, maar ook mensen die beter zouden moeten weten. We hebben nu een punt bereikt waarop een Britse premier die zich als progressief voordoet schaamteloos het onderwijs van creationisme in plaats van evolutie verdedigt. Zelfs intellectuelen die de waarden van de Verlichting respecteren durven ze niet in het openbaar te verdedigen, bang als ze zijn om voor 'liberale imperialisten' of erger te worden versleten."

De slaap van de rede brengt monsters voort, zegt Wheen. Sommige zijn duidelijk sinister, zoals het islamitische fundamentalisme met zijn dromen van een terugkeer naar de Middeleeuwen en zijn terroristische uitwassen. Andere lijken onschuldig of zelfs komisch, maar zijn dat niet, zoals Ronald Reagans geloof in de astrologie, dat ertoe leidde dat hij zijn beleid meer dan eens door zijn astroloog liet bepalen. Wheen windt er geen doekjes om: het obscurantisme en de aanval op de rede zijn een ernstige bedreiging voor de beschaving.

Wheen is boos en naarmate hij zijn stelling verder uitwerkt, kun je hem moeilijk ongelijk geven. Waar hij ook kijkt, overal ziet hij illustraties van irrationaliteit. Ook in domeinen die op het eerste gezicht onverdacht lijken, zoals de economie. Wheen neemt het economische liberalisme onder vuur dat onder Reagan en Thatcher tot opperste waarheid werd uitgeroepen en de economie nog altijd bepaalt, met zijn deregulering en zijn aanbidding van de vrije markt. Hij wijst erop dat de theorieën waarop het liberalisme gebaseerd is uit de lucht gegrepen zijn, drijft de spot met de 'onzichtbare hand' die verondersteld wordt de vrije markt te regelen (een mooi staaltje van irrationaliteit), analyseert de crash van 1987, toen alleen een drastisch ingrijpen van de overheid een totale ineenstorting van de beurzen voorkwam, en het fiasco van de speculatiegolf in nieuwe technologie van de eerste jaren van deze eeuw.

Niet alleen de economie en de politiek krijgen ervan langs. Hij hekelt ook de mode van de managementgoeroes en de moderne vormen van massahysterie tot het toenemende geloof in astrologie, ufo's en esoterische nonsens, of het hardnekkige succes van homeopathie, chiropraxie en andere scholen van alternatieve of complementaire geneeskunde. Hij gaat in de aanval tegen alle vormen van religieus fundamentalisme, tegen het Amerikaanse buitenlandse beleid, tegen theoretici als Francis Fukuyama en Samuel Huntington maar ook tegen linkse Amerikaanse opiniemakers als Noam Chomsky en Michael Moore. Wheen is streng maar rechtvaardig: als het IMF ervan langs krijgt, wordt even later de antimondialistische beweging op haar beurt aangepakt.

Hoewel hij geen geheim maakt van zijn eigen politieke opvattingen, is de keuze van zijn doelwitten niet ideologisch bepaald maar gebruikt hij het respect voor het Verlichtingsdenken als maatstaf. Vandaar dat hij zijn grootste venijn spaart voor de postmodernisten. Zij zijn nog gevaarlijker dan primitivisten als Osama bin Laden, schrijft Wheen, omdat zij met hun ontkenning van zekerheden en realiteiten en hun "weigering om de legitimiteit van waardeoordelen te erkennen", de notie zelf van een kenbare werkelijkheid ondermijnen. Hij noemt hen "de doodgravers van de realiteit" en waarschuwt dat zij in een onzalig verbond met "de strijders voor de heilige zaak, de antiwetenschappelijke relativisten, de economische fundamentalisten, de mystici van de New Age en de nieuwe onheilsprofeten" ons in een nieuwe duisternis dreigen te storten.

Wheens critici doen zijn betoog af als de klaagzang van een gefrustreerde intellectueel van middelbare leeftijd die niet meer mee kan en overal spoken ziet. Je kunt inderdaad niet aan de indruk ontsnappen dat de auteur zich vaak meer door zijn gevoelens laat leiden dan door rationele nuchterheid. Dikwijls slaat zijn ironie om in sarcasme en merk je dat hij, ondanks zijn pogingen om afstandelijk te blijven, gedreven wordt door een soort machteloze woede. Hij heeft dan ook gemakkelijk de neiging om met kanonnen op muggen te schieten en slordig denken te verwarren met irrationaliteit, zodat hij iedereen die het niet met hem eens is op een grote hoop gooit.

Dat alles volstaat echter niet om hem voor een oude zeurpiet te verslijten. Zijn analyses zijn scherp, zijn voorbeelden even talrijk als overtuigend. Hij is het jongetje dat roept dat de keizer in zijn blootje loopt. Francis Wheen komt uit dit boek naar voren als een onafhankelijke - zeg maar Verlichte - denker die niet bang is om met weinig modieuze ideeën uit te pakken en ze bovendien briljant verdedigt. Hij past naadloos in de traditie van een Britse journalistiek die tegen de trend durft in te gaan, met illustere voorgangers als George Orwell als lichtend voorbeeld. In zekere zin is hij zijn eigen paradox: zolang we mensen als hem hebben, zijn de idealen van de Verlichting ver van dood.

Bart Holsters

De postmodernisten zijn nog gevaarlijker dan primitivisten als Osama bin Laden, waarschuwt Francis Wheen

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234