Woensdag 01/04/2020

De rebel die zijn eigen mythe overleefde

Brando beweerde dat hij een hekel had aan acteren. 'De enige reden waarom ik hier in Hollywood ben, is omdat ik de morele moed niet heb om het geld te weigeren'

Brussel

Eigen berichtgeving

Jan Temmerman

In The Wild One (1954) is Johnny Strabler de in zwart leer gehulde leider van een motorbende, die een klein stadje terroriseert. Als een meisje hem vraagt waartegen hij nu eigenlijk rebelleert, laat zijn laconieke antwoord niet lang op zich wachten: "Whaddya got?" Met andere woorden: alles en iedereen kwam in aanmerking om hem tot jeugdig en dus radicaal verzet te inspireren. Johnny was de originele 'rebel without a cause' (want de film met die titel en met James Dean in de hoofdrol werd pas een jaar later in de bioscopen uitgebracht). Dat rebelse imago is Brando nooit helemaal kwijtgeraakt, maar in tegenstelling tot James Dean is Brando een oude, dikke en eenzame man geworden. Only the good die young? Neen, dat nu ook weer niet, maar sommige 'goeden' leven te lang waardoor hun mythe uiteindelijk door de werkelijkheid beschadigd raakt.

Marlon Brando werd op 3 april 1924 in Omaha, in de Amerikaanse staat Nebraska, geboren. Zijn vader was een rokkenjager en zijn moeder zat aan de fles. De jonge Marlon werd herhaaldelijk van school gestuurd en ook de militaire academie kon hem niet in bedwang houden. Hij trok dan maar naar New York om daar bij Stella Adler en Lee Starberg te gaan studeren aan de nu legendarische Actor's Studio, waar het naturalistische 'method acting' hoog in het vaandel stond geschreven. In 1944 schitterde hij voor het eerst op Braodway in het toneelstuk I Remember Mama en enkele jaren later werd zijn reputatie definitief gevestigd door zijn brutale, bijna dierlijke macho-vertolking van Stanley Kowalski in A Streetcar Named Desire van Tennessee Williams. In 1951 zou hij dezelfde rol hernemen in de door Elia Kazan geregisseerde filmversie. Het leverde hem meteen zijn eerste Oscar-nominatie op. Brando's intense, gebalde acteerstijl, waarbij hij er niet voor terugschrok om stukken dialogen binnensmonds te houden, zou naderhand heel wat acteurs inspireren, van James Dean en Paul Newman tot Dustin Hoffman en Robert De Niro.

De prille jaren vijftig bleken zeer succesrijk. Na Streetcar volgden Viva Zapata!, Julius Caesar (Brando speelde rol van Marcus Antonius), The WIld One en in 1954 On The Waterfront, waarvoor hij zijn eerste Oscar als Beste Acteur kreeg. In dit, eveneens door Elia Kazan geregisseerde drama, speelt Brando de rol van Terry Malloy, een bokser die zich als dommekracht laat gebruiken door corrupte vakbondsbonzen, daar uiteindelijk spijt van krijgt en zijn opdrachtgevers verlinkt. Uit die film komt dan ook die onsterfelijke dialoog, waarin een huilende Terry zijn hart, maar ook zijn woede en verdriet uitstort bij zijn broer Charley (rol van Rod Steiger), die hem indertijd, bij uitgekochte bokswedstrijden, hielp bezwijken voor het makkelijke geld: "You don't understand. I coulda had class. I coulda been a contender. I coulda been somebody, instead of a bum, which is what I am, let's face it. It was you, Charley." Jaren later zou Marlon Brando herhaaldelijk zichzelf 'beschuldigen' door te pas en te onpas te verklaren dat hij een hekel had aan acteren: "De enige reden waarom ik hier in Hollywood ben, is omdat ik de morele moed niet heb om het geld te weigeren."

Dat soort uitspraken kwam er bijvoorbeeld toen hij in 1978 het voor die tijd fenomenale recordbedrag van vier miljoen dollar vroeg én kreeg om een bijrolletje te spelen in Superman. Voor A Streetcar Named Desire stelde hij zich nog tevreden met een cheque van 75.000 dollar.

Na het succes van On The Waterfront vond Brando dat het tijd werd om rollen te gaan spelen in films die absoluut niet van hem verwacht werden, zoals de musical Guys and Dolls (Brando danst! Brando zingt!) of de satire The Teahouse of August Moon, waarin hij een Japanse tolk speelde, met een zweem van homoseksualiteit. En in de oorlogsfilm The Young Lions uit 1958 koos hij voor zichzelf de rol van luitenant Christian Diestl, een... nazi-officier. Het leverde hem nochtans zijn vijfde Oscar-nominatie op.

In 1962 speelde hij opnieuw een rebel, dit keer als Lt. Fletcher Christian, die de muiterij leidt tegen Captain William Bligh (rol van Trevor Howard) in Mutiny on the Bounty. De productie verliep moeizaam en ging zwaar over budget, wat onder meer werd toegeschreven aan het 'moeilijke' gedrag van Brando op de set. Toen de film dan ook nog eens matig presteerde aan de bioscoopkassa, begon Hollywood het vertrouwen in de steracteur te verliezen.

Dat wantrouwen werd uiteindelijk zo groot dat de Paramount-studio het absoluut niet zag zitten dat regisseur Francis Ford Coppola al even absoluut Marlon Brando wilde casten in de rol van Don Vito Corleone voor de verfilming van de Mario Puzo-bestseller The Godfather. Het scheelde trouwens weinig of regisseur Coppola werd zelf ontslagen door producer Robert Evans, maar uiteindelijk werden de plooien gladgestreken nadat Brando een auditie had gedaan. Misschien dacht de acteur wel aan die bewuste vernedering toen hij de roemruchte 'The horror! The horror!'-dialoog mummelde in het magistrale Vietnam-epos Apocalypse Now, waarvoor Coppola hem opnieuw had ingehuurd.

In 1972 werd The Godfather een weergaloos succes en Marlon Brando kreeg zijn tweede Oscar. Hij weigerde die zelf af te halen en stuurde in zijn plaats een indiaans meisje, dat van de gelegenheid gebruik moest maken om te protesteren tegen de manier waarop Hollywood door de filmgeschiedenis heen de indianen had geportretteerd en gediscrimineerd. Dit goedbedoelde protest verloor weliswaar aan geloofwaardigheid toen later bekend raakte dat het eigenlijk om een als indiaanse uitgedoste actrice ging.

Hoe dan ook, Brando was weer helemaal terug van weggeweest. Hij zal op dat moment wellicht bedolven zijn onder allerlei voorstellen van Hollywood, maar rebels als hij nog steeds was, verkoos Brando in Europa een 'schandaalfilm' te gaan draaien: Last Tango in Parijs van regisseur Bernardo Bertolucci. Toch kreeg hij ook voor die rol een Oscar-nominatie als beste acteur. En toen hij naar Hollywood terugkeerde om in 1976 de western The Missouri Breaks te draaien, met Jack Nicholson, in een regie van Arthur Penn, leek hij dat vooral te doen om een burleske vertolking te kunnen neerzetten, compleet met een 'Iers' accent én vrouwenkleren!

Zijn laatste echt memorabele rol speelde hij als de even getormenteerde als verknipte Colonel Walter E. Kurtz in Apocalypse Now, al was Brando ook nog genietbaar in de maffiakomedie The Freshman uit 1990, waarin hij ongegeneerd zijn eigen legendarische Godfather-imago parodieerde. Zo nu en dan liet hij nog eens een glimp van zijn magistraal talent zien, zoals in het apartheidsdrama A Dry White Season (opnieuw goed voor een Oscar-nominatie voor beste mannelijke bijrol) of bewees hij die andere Hollywood-rebel, namelijk Johnny Depp, een vriendendienst door een rolletje te aanvaarden in diens regiedebuut The Brave uit 1997.

Maar inmiddels was de mythe van Marlon Brando vooral bezig zichzelf te overleven. Hij haalde nog regelmatig het nieuws, maar dan voornamelijk met allerlei onheilstijdingen uit zijn privé-leven. Brando had negen kinderen uit verschillende huwelijken en verhoudingen. In 1991 was er het geruchtmakende proces, waarbij zijn oudste zoon Christian veroordeeld werd wegens moord op de vriend van zijn halfzuster Cheyenne. Enkele jaren later pleegde Brando's dochter Cheyenne zelfmoord. Af en toe werd in de media gewag gemaakt van gezondheidsproblemen (onder meer veroorzaakt door zijn overgewicht) en van financiële problemen (die te maken hadden met de dure kosten van het Christian-proces en met exuberante alimentatie-eisen van een ex-vriendin). Zijn levenwijze leek steeds meer op die van een kluizenaar, al raakte onlangs bekend dat hij toch nog plannen had voor een nieuwe film, met de intrigerende titel Brando and Brando. Die zal er dus niet meer komen. Gelukkig blijven er de talrijke onvergetelijke filmbeelden uit even talrijke klassiekers, waarin Marlon Brando bewees dat hij met recht en reden als een der grootste en belangrijkste acteurs uit de filmgeschiedenis mag worden herinnerd. Zelf zou hij dergelijke complimenten sarcastisch weggelachen hebben. Zijn definitie van een acteur was immers: "Dat is een man die, als je niet over hem praat, niet eens luistert." Maar hij heeft ook gezegd: "Het enige dat een acteur verschuldigd is aan zijn publiek, is dat hij hen niet mag vervelen." En dat heeft de man, die ook onsterfelijk is gemaakt door zijn afbeelding als Johnny in The Wild One op de hoes van de Beatles-klassieker Sgt. Pepper's Lonely Hearts Club Band, door de vermelding van zijn naam in the 'China Girl'-song van David Bowie en in de Fellini-film La Dolce Vita (tijdens een discussie over het salaris van filmsterren) inderdaad nooit gedaan. In het slechtste geval kon men zich ergeren aan de roekeloze of ronduit destructieve manier waarop hij met zijn talent en zijn mythische reputatie omsprong door allerlei waanzinnig duur betaalde cameo's te aanvaarden, maar vervelen? Neen, dat woord past niet in een zin waarin de naam Marlon Brando staat.

Reporter, pagina 45

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234