Dinsdag 26/10/2021

'De realiteit is interessanter dan het verzinsel'

Auteurs van literaire non-fictie over hun genre

Literaire non-fictie is in. Auteurs als Geert Mak en Frank Westerman halen oplages die voorheen voor non-fictie ondenkbaar waren, worden door heel Europa vertaald en steeds vaker bekroond met literaire prijzen. In hun boek Meer dan de feiten. Gesprekken met literaire non-fictieauteurs proberen Han Ceelen en Jeroen van Bergeijk een antwoord te vinden op de vraag waar dat succes vandaan komt. Door Han Ceelen en Jeroen van Bergeijk

De interviewbundel The New New Journalism was zo'n boek waarover je in 2005 steeds opnieuw werd getipt. En terecht, want auteur Robert S. Boynton was niet over een nacht ijs gegaan bij zijn gesprekken met de belangrijkste beoefenaren van de Amerikaanse literaire non-fictie (verhalende journalistiek zoals die wordt bedreven in bladen als The New Yorker, The Atlantic Monthly, Esquire en Rolling Stone). Bekende en minder bekende auteurs als schrijver/bergbeklimmer Jon Krakauer (De ijle lucht in, De wildernis in), Eric Schlosser (van de aanklacht tegen de fastfoodindustrie Fast Food Nation) en Gay Talese (auteur van het 'beste tijdschriftartikel van de twintigste eeuw': 'Sinatra has a cold') werden door Boynton het hemd van het lijf gevraagd over hun werkwijze en keukengeheimen.

Het boek stond vol met heerlijke anekdotes. Talese bleek bijvoorbeeld enkele dagen te kunnen doen over vijf of zes zinnen, zo vertelde hij aan Boynton. En als die zinnen bij elkaar dertig pagina's vormden, prikte hij die aan de muur en ging ze aan de andere kant van de kamer met een verrekijker zitten lezen. Dit om het juiste 'perspectief' op zijn werk te krijgen. Collega Ted Conover ging een jaar lang undercover als cipier voordat hij een letter op papier zette voor zijn exposé over de gevangenisindustrie. En Jonathan Harr, auteur van het verfilmde A Civil Action, bracht maar liefst acht jaar door met het doorspitten van een stapel processtukken zo hoog als een woonhuis. Behalve dit soort opmerkelijke feitjes, sprongen vooral de verschillen tussen de auteurs in het oog. Ze bedreven weliswaar hetzelfde genre, maar bleken er totaal verschillende opvattingen op na te houden over álles. Of ze hun interviews opnamen of niet. Of ze zelf aanwezig wilden zijn in hun verhaal. En of je de werkelijkheid een beetje mocht aandikken.

Hoe zouden Nederlandse literaire non-fictieauteurs eigenlijk tegen dit soort vraagstukken aankijken, vroegen we ons na lezing van het boek af. Hebben die ook zo hun eigen technieken en methoden? En denken ze ook zo verschillend over hun vak? Zo ontstond het idee om een aantal van deze schrijvers te gaan interviewen over hun manier van werken. Een voornemen waarin we werden gesterkt omdat de tijd rijp leek voor een boek over Nederlandse literaire non-fictie. De afgelopen tien jaar zijn de belangstelling en de waardering voor het genre immers flink toegenomen. Auteurs als Geert Mak, Frank Westerman, Judith Koelemeijer en Annejet van der Zijl halen oplages die voorheen voor non-fictie ondenkbaar waren (Mak verkocht inmiddels meer dan een miljoen boeken, van Van der Zijls Sonny Boy gingen meer dan 175.000 exemplaren over de toonbank), worden door heel Europa vertaald en ook steeds vaker bekroond met literaire prijzen.

In het boek, bedachten we, zouden we daarom ook een antwoord kunnen proberen te vinden op de vraag waar dat plotselinge succes van de Nederlandse literaire non-fictie vandaan komt. Want hoe kan het dat zo'n genre juist tot bloei komt in een tijd waarin alles sneller, korter en oppervlakkiger lijkt te moeten? Heeft het iets te maken met het reality-tijdperk waarin we leven? Wordt er gewoon betere non-fictie geschreven dan vroeger? Is het vooral een kwestie van slimme marketing? Of zoekt men in deze tijden van globalisering, islamitisch terrorisme troost in verhalen die herinneren aan een warmer, veiliger verleden?

Deze en andere vragen hebben we voorgelegd aan Hugo Borst, Stella Braam, Martin Bril, Jan Brokken, Joris van Casteren, Lieve Joris, Judith Koelemeijer, Joris Luyendijk, Geert Mak, Rudi Rotthier, Gerard van Westerloo, Frank Westerman en Annejet van der Zijl. De antwoorden die we kregen waren, zo bleek, al net zo divers als die aan de andere kant van de oceaan.

Vertrouwen winnen is essentieel voor literaire non-fictieauteurs. Zij trekken immers lang met hun 'onderwerpen' op en zijn op zoek naar intieme details over hun leven. Hoe pakken ze dat aan?

Geert Mak: "Het belangrijkste is dat je uitstraalt: ik krijg van jullie vertrouwen, maar ik geef het ook terug. Een poosje na de verschijning van mijn boek Hoe God verdween uit Jorwerd belandde ik in het dorpscafé naast een van de hoofdpersonen. Hij zei: 'Het is een mooi boek geworden. Wij in het dorp zijn er best wys mei - best tevreden mee. Maar waar we nog het meest blij mee zijn, is wat je níét hebt opgeschreven.' Net als ieder mens heeft elk dorp zijn geheimen, en daar moet je teder mee omgaan. Ik ben journalist genoeg om bepaalde gevoelige dingen wél op te schrijven als ik vind dat het noodzakelijk is. Maar aan de andere kant bestaat er in de privésfeer ook zoiets als een recht op geheim. Wat ik schrijf, laat ik de mensen die het aangaat altijd lezen. Als een gevoelig probleem te herkenbaar is, verander ik de naam. Bij mij kan dat allemaal. En juist dan krijg je grote openheid en vertrouwen."

Hugo Borst: "Oprechte interesse tonen is het voornaamste. Mensen voelen het als je écht geïnteresseerd bent. Daarnaast is het, denk ik, ook een kwestie van persoonlijkheid. Ik raak heel makkelijk met mensen aan de praat, en het gekke is dat mensen mij dan ook van alles vertellen. Als ik in een kroeg sta, weet ik altijd meteen alles over het seksleven van de vrouwen daar. Ik kan iemand echt, en dat klinkt misschien onaardig, leegzuigen. Ik weet zeker dat als ik een willekeurig iemand aanspreek, ik na twintig minuten een prachtig verhaal heb opgetekend."

Joris van Casteren: "Mensen vinden het bijna altijd leuk als er iemand langskomt die interesse toont voor hun problemen. Maar tegelijk speel je natuurlijk ook een spelletje. Als ik de eerste keer bij mensen op bezoek ga, weet ik dat ik ze moet inpakken. Ik moet vrienden worden met degenen over wie ik schrijf. En dan zeg ik wel eens dingen die ik niet meen. Ik kies bijvoorbeeld altijd heel duidelijk de kant van mijn onderwerpen. Als ik in gesprek ben met een pitbulleigenaar, zeg ik dat ik het schandalig vind dat ze die dieren afmaken. Terwijl ik als ik met mijn dochtertje door het park loop, ook denk: weg met die beesten."

Een van de onderscheidende kenmerken van literaire non-fictie is dat auteurs gebruikmaken van verteltechnieken die afkomstig zijn uit de romankunst: spanning opbouwen, de chronologie omgooien, personages samenvoegen, in het hoofd van je personages kruipen, enzovoort. Hoever mag je daarin gaan?

Rudi Rotthier: "Je moet de werkelijkheid niet verliteraturen. Ik probeer altijd te kiezen voor de werkelijkheid tegen de formulering. Soms voeg ik wel eens personages samen. Als je vierendertig mensen hebt gesproken met elk twee interessante zinnen, wordt het bijna onmogelijk om dat allemaal in een leesbare context te krijgen. Soms gooi ik ook de chronologie om. Maar ik verplaats geen gesprekken van de ene plek naar de andere. Ik zie dat soort toegevingen aan de structuur altijd als een nederlaag. Ik vind: de realiteit is interessanter dan het verzinsel. Dus een constructie leidt altijd tot waardevermindering."

Joris Luyendijk: "Ik denk dat je de waarheid best een beetje geweld mag aandoen. Mits je daardoor de strekking van die waarheid beter eer kunt aandoen. Ik breng geen verslag uit van een parlementszitting. Ik vertel een verhaal bij het kampvuur. In mijn boek Een goede man slaat soms zijn vrouw ging het mij erom: hoe krijg ik de essentiële ervaring die ik in Egypte had - namelijk deze mensen zijn anders dan ik dacht en ze willen niet worden zoals ik - voor het voetlicht? Dan moet je gaan selecteren en uitlichten. Mensen vragen me soms of ik mijn vrienden uit het boek nog wel eens zie. Dat is een lastige vraag, want twee van die vrienden bestaan helemaal niet. Ze zijn samenvoegingen van verschillende mensen wier ervaringen sterk op elkaar leken."

Gerard van Westerloo: "Personages samenvoegen vind ik uit den boze. Ik las laatst ergens een verhaal over een boer, en daar stond bij dat die man een samenstelling was van vijf of zes boeren. Dat noem ik geen journalistiek meer. Literaire journalistiek blijft journalistiek. Dus het moet hoe dan ook controleerbaar blijven en op feiten gebaseerd zijn. Je kunt niet, omdat het mooier is, zo'n stuk van wat fictie voorzien."

Door het gebruik van literaire verteltechnieken rekken auteurs van literaire non-fictie hun vrijheid een stukje op. Maar waarom stappen ze niet gewoon over op fictie, waar ze kunnen doen wat ze willen?

Judith Koelemeijer: "Omdat ik geloof in de kracht van waargebeurde verhalen. Ik geloof dat mensen elkaars verhalen willen blijven horen, en ik geloof ook dat er talloze verhalen van gewone mensen zijn die het waard zijn om opgeschreven te worden. De werkelijkheid is vaak veel mooier en gekker dan je zou kunnen verzinnen. Het verhaal dat ik in mijn nieuwe boek vertel, had een fictieschrijver misschien nooit durven opschrijven, omdat het op veel punten zo onwaarschijnlijk of bizar is."

Frank Westerman: "Ik schrijf non-fictie uit overtuiging. Schrijven, dat is een nieuwe wereld scheppen door dingen te herbenoemen. Alles krijgt lading, betekenis, zin wellicht door de woorden die je eraan toekent. In fictie kun je dat tot in het extreme doorvoeren. Je kunt een wereld opbouwen uit woorden die mooier is dan de werkelijkheid. Volstrekt legitiem, maar het gevaar is wel dat die woorden op een gegeven moment alleen nog naar zichzelf verwijzen, of naar andere boeken. Dan zijn ze losgezongen van de werkelijkheid. Als dat gebeurt vervliegt er voor mij iets, raakt het me minder. Daarom wil ik mijn woorden enten op de bestaande realiteit."

Het woordje 'ik', in de traditionele journalistiek taboe, duikt in de literaire non-fictie geregeld op. Veel auteurs kiezen ervoor om zelf te figureren in hun verhaal. Anderen doen het niet. Waarom?

Frank Westerman: "Ik streef bewust subjectiviteit na. Dat is begonnen toen ik als NRC-correspondent in Joegoslavië werkte. Daarvoor probeerde ik net als iedere journalist zo objectief mogelijk te zijn. Maar als je in een oorlogssituatie zit, realiseer je je snel hoe onmogelijk die positie is. Ik heb drie maanden lang een Servische dienstweigeraar in huis gehad. Dan raak je vanzelf betrokken. Ook op andere momenten merkte ik dat ik partij koos. Niet voor een bepaalde groep, maar voor de underdog. Toen heb ik besloten: ik ben geëngageerd, dan kan ik het beter ook maar expliciet maken. Later, toen ik een verantwoording voor De graanrepubliek moest gaan schrijven, heb ik me nog iets anders gerealiseerd. Namelijk dat ik me mijn verhalen toe-eigen. Ik zat op de achterplat van Hoe God verdween uit Jorwerd te kijken hoe Geert Mak dat nou had aangepakt. Daar stond iets als: 'Dit is het verhaal van caféhoudster die en die en van kruidenier zus en zo.' Toen dacht ik: hé, zo is het bij mij niet. Ik vertel met het mij toevertrouwde materiaal mijn eigen verhaal, net als een museumdirecteur met een tentoonstelling."

Annejet Van der Zijl: "Ik had mezelf heel goed in Sonny Boy kunnen schrijven. Op zich was mijn zoektocht naar mijn hoofdpersonen kleurrijk en spannend genoeg - ik vertel er graag over tijdens lezingen -, maar toch ben ik blij dat ik die reis en mezelf buiten het boek gelaten heb. Ten eerste omdat ik mezelf niet zo bijster interessant vind om over te schrijven, en ten tweede omdat ik niet tussen mijn lezer en het verhaal in wil gaan staan."

Joris Luyendijk: "Dat ik mezelf opvoer in mijn verhalen, is een logisch gevolg van hoe ik de wereld zie. Ik geloof niet in een objectieve werkelijkheid die voor iedereen hetzelfde is. Ik vind dat ik met mijn aanwezigheid een stempel druk op wat er om me heen gebeurt. Wie ik ben, wat voor verwachtingen ik heb, dat speelt allemaal mee in hoe ik de wereld zie. Ik vind het eerlijker om dat aan de lezer te laten zien, zodat hij de beperkte houdbaarheid van mijn observaties kan inschatten. Zolang je niet de werkelijkheid gebruikt om over jezelf te vertellen, maar jezelf gebruikt om over de werkelijkheid te vertellen, zie ik daar geen probleem in. Een voorbeeld: ik was in Egypte toen de Irakoorlog begon. Via de satelliet kon ik CNN en de Nederlandse televisie zien, waar soms de term 'schone oorlog' viel. Het idee was: eventjes bombarderen, niet te veel doden, nieuw systeem. Maar als je eenmaal een keer bent gebombardeerd, kun je het begrip 'schone oorlog' niet langer gebruiken. Het punt is: hoe vertel je zoiets aan lezers in IJburg die nooit zijn gebombardeerd? Ik zie geen andere manier dan de doodsangst die je bij een bombardement doorstaat of uitstaat vanuit eigen ervaring vertellen. Dat heb ik dus gedaan in een artikel, en daarop kwam veel kritiek van collega's. Te subjectief. Van buiten de journalistiek kwamen op dat stuk juist ongekend veel positieve reacties, misschien wel meer dan op enig ander stuk uit mijn correspondentschap."

Literaire non-fictie is ongekend populair. Hoe komt dat?

Geert Mak: "Ik denk dat het komt door een toegenomen behoefte aan echtheid, aan authenticiteit, juist omdat er in deze tijd zoveel wordt genept. Deze vorm van journalistiek is een eerlijke manier om vanaf de grond een verhaal te vertellen, in tegenstelling tot bijvoorbeeld een krant die marktonderzoek doet en vervolgens precies schrijft wat de lezers prettig vinden om te lezen. Daarnaast willen mensen een verhaal. Het verhaal zet dingen in een context en is een manier om de wereld te ordenen. Het succes van Hoe God verdween uit Jorwerd kun je voor een groot deel verklaren uit het feit dat mensen hun eigen leven in een context geplaatst zagen. Nadat dat boek was uitgekomen, kreeg ik keer op keer te horen dat mensen zich erin herkenden. Zo was er een oude boer die eenzaam in de bovenkamer zat en Jorwerd in handen gestopt had gekregen. Dagenlang kwam er zo nu en dan een harde klap op de tafel en dan hoorde je, in het Fries: 'En zo is het!'"

Martin Bril: "Het zal wel iets met de vergrijzing te maken hebben. Ik ben zelf rond mijn veertigste ook opgehouden met fictie lezen. Fictie is iets voor pubers en vrouwen. Als je ouder wordt, ga je echte boeken lezen: klassiekers en boeken waar je iets van opsteekt. Maar het ligt ook aan de kwaliteit van de boeken die nu worden geschreven. Ik denk dat het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten daarin een grote rol heeft gespeeld. Tien of vijftien jaar geleden was het bijna onmogelijk om een groot non-fictieboek te financieren. Nu kan dat wel. Plus: we hebben momenteel een generatie auteurs die zijn pappenheimers kent. De mensen die nu bestsellers schrijven - Van der Zijl, Lieve Joris - bouwen voort op het fundament dat in de jaren zeventig is gelegd door mensen als Eelke de Jong, Martin Schouten, Armando en Sleutelaar."

Jan Brokken: "Literaire non-fictie is op de kaart komen te staan toen Geert Mak, Frank Westerman, Annejet van der Zijl en Judith Koelemeijer over het voorbije Nederland gingen schrijven. De lezers konden zich gemakkelijk met het onderwerp identificeren. In periodes waarin een samenleving zoekende is, zie je wel vaker dat men teruggrijpt op de geschiedenis. Ik wil trouwens wel een kanttekening plaatsen bij het succes van het genre, want de ironie wil dat de kranten en weekbladen daar nauwelijks aan hebben meegewerkt. Vrijwel alle mensen die er in de jaren tachtig en negentig mee bezig waren, zijn boeken gaan schrijven omdat er bij de bladen geen geld en ruimte was. De journalistiek kan dus wel trots zijn op Geert Mak, Frank Westerman en Annejet van der Zijl, maar eigenlijk zou men moeten zeggen: wij schamen ons diep, want deze mensen hebben buiten de dag- en weekbladen om moeten bewijzen hoe waardevol non-fictie kan zijn."

Han Ceelen en Jeroen van Bergeijk

Meer dan de feiten. Gesprekken met literaire non-fictieauteurs

Atlas, Amsterdam, 240 p., 19,90 euro

Geert Mak:

Dit is een eerlijke manier om een verhaal te vertellenFrank Westerman:

Ik streef bewust subjectiviteit naRudi Rotthier:

Je moet de werkelijkheid niet verliteraturen

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234