Dinsdag 25/06/2019

De prijs van een gebed

'Deze man heeft een baard en het uiterlijk van een echte moslim', zei de rechter. 'Ik heb geen reden om hem niet te geloven. De beklaagde zal opgehangen worden''Nu, na al dat lijden, wil ik deze wereld verlaten. Ik wil naar Jezus Christus. Uit protest tegen de wetten van dit land wil ik mijzelf doden'

Cathy Scott-Clark en Adrian Levy / Foto's Harriet Logan (Network)De heksenjacht op de Pakistaanse christenen

Ze worden verkracht, tot slaaf gemaakt, in de gevangenis gegooid en gefolterd, en hun huizen worden met de grond gelijkgemaakt. Hun misdaad: het zijn christenen in Pakistan, het Land van de Zuiveren, waar fanatieke moslims zich gedragen als boven de wet verheven beulen. 'Hoe het tegenwoordig is om christen te zijn in Pakistan? Ik ben doodsbang. Mijn man is doodgeschoten, en de rechter die het doodvonnis herriep is ook doodgeschoten. Is dat genoeg reden om bang te zijn?'

Haar moeder was de enige die het verhaal te horen zou krijgen. Het zeven jaar oude meisje fluisterde het één keer en heeft sindsdien nauwelijks nog gesproken. Ze keerde terug van het huis van een vriendin om halftwaalf 's ochtends, toen ze plots iemand hoorde roepen. Toen ze zich omdraaide, zag ze hoe vier mannen van haar dorp op haar toe kwamen gelopen. Nageena zette het ook op een lopen, trapte op haar sjaal, struikelde op de onverharde weg. Ze weet niet zeker waarom ze begon te lopen; omdat zij liepen, omdat ze nog nooit met haar gesproken hadden, omdat de enige man waar ze ooit mee gesproken had haar vader was. Maar de vier mannen waren sneller dan zij, omsingelden haar en grepen haar vast. Ze herinnert zich hoe ze door een houten deur een donkere kamer werd ingeduwd die naar vochtige jute en gras rook. Ze schreeuwde, maar kan niet beschrijven wat er daarna gebeurde.

De dorpelingen hoorden haar schreeuwen en buiten de dera of koestal troepten wat mensen samen. Ghulam Masih zag het tumult, rende erheen en duwde de deur open. Binnen zag hij Alla, Ditta, Rashid en Javid, de zonen van zijn buurman, die over zijn dochter heen gebogen stonden, haar kleren vol strohalmen, haar benen onder het bloed. Terwijl hij Nageena in zijn armen opving, vluchtten de mannen naar buiten en verdwenen in een rijstveld.

Ghulam en Shehnaz, zijn vrouw, droegen hun dochter naar het politiekantoor, dienden een klacht in tegen de vier mannen en werden in de bus gezet naar het ziekenhuis van Shekhupura, in de Pakistaanse provincie Punjab. Het was half elf 's avonds toen ze daar aankwamen, en dokter Zahida Noor stond op het punt om naar huis te gaan.

"Maagdenvlies afgerukt, scheurwonde, verse bloeding, verwonding en striemen op linker- en rechterdij, sperma- en bloedstalen genomen van de kleren", luidde het medische rapport. Dokter Noor vertelde Ghulam en Shehnaz dat de interne verwondingen van hun dochter zo ernstig waren dat ze nooit kinderen zou kunnen krijgen.

De volgende twee weken, terwijl Nageena zich onder haar ziekenhuislakens verstopte, arresteerde de politie van Sharqpur Alla, Ditta, Rashid en Javid nadat tientallen dorpelingen hun namen hadden bekendgemaakt. Het zou nog zes weken duren voor Nageena weer met haar moeder zou spreken, en toen ze het deed was het om te vragen waarom de vier verkrachters weer in haar dorp rondliepen. Mushtaq Ahmed, de politie-inspecteur, had hen vrijgelaten en de zaak geseponeerd. Hij zei dat hij geen bewijzen kon vinden en vertelde Nageena's familie dat ze de hele zaak maar moesten vergeten. Maar Ghulam bleef gerechtigheid zoeken en weigerde kordaat het nieuwe huis, het geld, het snoepgoed en de kleren die de vier verkrachters van zijn dochter hem cadeau wilden geven.

Negentien maanden later dacht de familie dat Ghulams vastberadenheid eindelijk vruchten had afgeworpen. Ze kregen een brief van een nieuw Pakistaans ministerie, het departement voor Mensenrechten, dat zei dat het het gerechtelijk dossier opnieuw bestudeerd had en Nageena een schadevergoeding van 12.O00 frank toekende.

Twee weken later was Ghulam Masih opnieuw in het politiekantoor van Sharqpur. Dit keer lag hij halfnaakt met zijn gezicht in het vuil, met zware ijzeren kettingen aan polsen en enkels gebonden. Inspecteur Mushtaq, met zijn gepolijste zilveren riemgesp en zijn perfect gekrulde en gelakte snor, beval zijn officier de chittar boven te halen, een grote leren riem. Mushtaq mocht graag toekijken hoe zijn gevangenen afgeranseld werden onder de enorme himalayaceder die voor het koloniale politiekantoor groeide.

Terwijl de riem Ghulams rug openreet, op 20 oktober 1998 om halfvijf 's middags, kwam een deurwaarder van het Hooggerechtshof in Lahore de poorten binnengesneld om de inspecteur een bevelschrift te overhandigen. Ghulam, zo stond erin te lezen, was gedurende veertien dagen onrechtmatig vastgehouden, had niet de kans gekregen een advocaat te raadplegen, was geregeld afgeranseld en beschuldigd van een moord die hij onmogelijk gepleegd kon hebben. De enige getuigen die zogenaamd gezien hadden hoe hij een oude vrouw vermoordde, waren de verkrachters van zijn dochter, en hun verklaringen waren tegenstrijdig met die van de dorpelingen die op het ogenblik van de moord met Ghulam op het veld aan het werken waren.

Waarom was aan de verklaringen van vier mannen die beschuldigd werden van kinderverkrachting dan zonder verder onderzoek gevolg gegeven, terwijl het verslag van Nageena's verkrachting stof lag te vergaren in het kantoor van de inspecteur? De gevangene was een christene, zo vertelde inspecteur Mushtaq ons, en de mannen die Ghulam ervan beschuldigde zijn dochter verkracht te hebben, waren goede moslims. Mushtaq had geen reden om ze niet te geloven. Hij draaide zich om, leidde Ghulam naar zijn cel en zei: "Mijn eerste plicht is de moslimplicht. De rechtbank zal er ook zo over denken en Ghulam Masih zal opgehangen worden. Je zult het wel zien." Shehnaz, die met de deurwaarder was meegekomen om een glimp van haar man op te vangen, moet gehoord hebben hoe hij vanuit zijn cel schreeuwde: "Ik sterf nog liever dan dat ik de aanklacht tegen de verkrachters van mijn dochter laat vallen!"

Het verhaal van Ghulam, Shehnaz en Nageena lijkt moeilijk te geloven: een klein meisje dat niet meer praat na een vreselijke verkrachting, een moeder die zo bang is dat ze nauwelijks haar huis nog uit komt, en een vader die de doodstraf wacht omdat hij gerechtigheid voor zijn dochter wilde. Maar voor de drie miljoen christenen in Pakistan symboliseert het verhaal de kwetsbare plaats die zij tegenwoordig in een vijandige samenleving innemen. Nageena werd verkracht omdat ze christen is. In de ogen van haar belagers maakte die godsdienst haar waardeloos, kwetsbaar en waarschijnlijk ook ongeloofwaardig. Haar vader wacht de doodstraf omdat hij het durfde op te nemen tegen een gerechtelijk systeem waarin het woord van een moslim officieel meer waard is dan dat van een christen.

In de hele Pakistaanse Punjab, waar de grote meerderheid van de christenen woont, worden gemeenschappen die al decennialang samenleven nu verdeeld door het geloof. In provinciesteden als Sahiwal en Gujranwala zitten grote aantallen christenen in gevangenissen en politiecellen na valse aanklachten. In Lahore aanvaarden de rechters kritiekloos de aanklachten die tegen christenen worden ingediend om de moslims op de publieksbanken niet tegen zich in het harnas te jagen. De wetgeving die meer dan honderd jaar geleden door de Britten werd ingevoerd om de religieuze gevoeligheden van alle gemeenschappen te beschermen, wordt nu aangewend om minderheden te vervolgen.

"Jaren van corruptie en financieel wanbeleid hebben de Pakistaanse staat uitgehold, en er zijn mensen die van die situatie misbruik willen maken om ons terug in het denken van de zevende eeuw te doen belanden, toen er alleen maar stammen waren en de islamitische wetten voor het eerst op schrift werden gesteld", waarschuwt Abid Hassan Minto, de moslimvoorzitter van de advocatenvereniging van het Hooggerechtshof en een van 's lands meest vooraanstaande advocaten. "De zeloten winnen aan macht, en het gerechtelijk en politioneel apparaat zal misschien niet sterk genoeg zijn om hen weerstand te bieden."

De dag nadat we Ghulam Masih in de gevangenis bezochten, verscheen hij voor het Hooggerechtshof in Lahore. De rechter weigerde de bewijzen onder ogen te zien van zijn foltering, zijn onrechtmatige arrestatie of het onmiskenbaar kwaad opzet dat tot zijn arrestatie had geleid. Ghulam zal berecht worden voor de moord op een zevenenvijftigjarige moslimvrouw en opgehangen worden als hij schuldig wordt bevonden. De verkrachters van zijn dochter blijven op vrije voeten.

Pakistan, letterlijk het Land van de Zuiveren, ontstond in augustus 1947 na afscheiding van India om de moslimminderheid te beschermen tegen de hindoemeerderheid. De stichter van de natie, Mohammed Ali Jinnah, prees het land destijds als een tolerante nieuwe democratie. "Je mag tot elk geloof, elke kaste, elke gezindheid behoren. Het staat iedereen vrij om naar de moskee te gaan of elke andere gebedsplaats... Er is geen discriminatie, geen onderscheid tussen de geloofsgemeenschappen", zei Jinnah op de dag van de onafhankelijkheid. Vijftig jaar na zijn dood maakt Pakistan een diepe religieuze crisis door.

Het begon in een auditorium in Lahore in 1986. Asma Jehangir, een islamitische advocate en campagnevoerster voor sociale hervormingen in Pakistan, omschreef de islam als een religie zonder iconen, waar de gelovigen een directe band hadden met God. Iedereen, zo zei ze, kan het geloof vinden, net zoals de profeet Allah gedaan heeft, ondanks zijn gebrek aan opvoeding.

Jehangir citeerde uit de koran, maar haar woorden wekten de woede van conservatieve mullahs die beweerden dat ze de Profeet belasterd had door te zeggen dat hij ongeletterd was. De Pakistan National Assembly werd onder zware druk gezet om haar te straffen en alle anderen die haar opvattingen deelden. Terwijl Jehangir gewapende lijfwachten in dienst nam om zich te beschermen, spande Ismaeel Qureishy, een collega van Jehangir bij het Hooggerechtshof, een gerechtelijke valstrik. Hij ontwierp een nieuwe wet op de godslastering. Hij nam een uittreksel uit het strafwetboek dat de Britten in 1860 ingevoerd hadden, en amendeerde het om voortaan de Profeet te kunnen beschermen tegen godslasteraars. Vier jaar later had de overijverige advocaat en zelfverklaarde beschermer van het geloof de betreffende wetten verder verfijnd. In juli 1992 keurde de Senaat, de tweede kamer van het Pakistaans parlement, een wet goed die stelde dat "eenieder die met woorden, gesproken of geschreven, visuele voorstellingen, of om het even welke aantijging, toespeling of insinuatie rechtstreeks of onrechtstreeks de gewijde naam van de Heilige Profeet Mohammed besmeurt, met de dood gestraft zal worden."

Onmiddellijk werden tientallen mensen gearresteerd, voornamelijk christenen. Er was immers niets meer dan een 'toespeling' nodig om iemand te beschuldigen en veroordeeld te krijgen, en vier maanden na de invoering van de wet zat de eerste christen dan ook al in de dodencel. Gul Masih werd van godslastering beschuldigd na een ruzie over een gebroken waterkraan in de stad Sargodha. Het bewijsmateriaal was niets meer dan een samenraapsel van contradictorische getuigenissen van buren die het met Gul aan de stok hadden gehad, maar hij werd toch veroordeeld. De belangrijkste moslimgetuige was Saijad Hussain. "Deze man heeft een baard en het uiterlijk van een echte moslim, ik heb geen reden om hem niet te geloven", zei de zittende rechter. "De beklaagde, Gul Masih, wordt schuldig bevonden en ter dood veroordeeld. Hij zal opgehangen worden." Gul werd geketend in een afzonderlijke cel opgesloten en mocht geen bezoek ontvangen, tot hij in 1995 in voorlopige vrijheid kwam omdat hij beroep had aangetekend tegen zijn veroordeling. Nadat hij het slachtoffer werd van verschillende moordpogingen, vluchtte hij alleen naar Europa. Zijn gezin leeft nu ondergedoken in Pakistan.

In achtergebleven stedelijke en landelijke gebieden over heel Pakistan heeft Qureishy's amendement een ware heksenjacht op christenen en andere minderheden ontketend. In de bibliotheek van het Hooggerechtshof van Lahore, met zijn rug naar de in leer gebonden boekdelen van het Britse strafwetboek gekeerd, zet Qureishy zijn visie voor een nieuw Pakistan uiteen. "De koran en de soenna, de heilige boeken, zijn duidelijk. Als een misdadiger andermans hand afhakt, dan zal de rechtbank alleen eisen dat ook zijn hand wordt afgezet en niet zijn voet", zegt hij. "Iedereen is vrij om zijn eigen geloof te belijden. De enige mensen die onder de wetten op de godslastering veroordeeld en gestraft zullen worden, zijn zij die schuldig zijn. De schuldigen zullen terechtgesteld worden en er zal geen genade zijn."

Op drie uur rijden van de gewelfde plafonds van het Hooggerechtshof in Lahore verbrokkelen de lemen huisjes onder een verzengende zon en voeren ezelkarren hele arbeidersgezinnen naar de katoenvelden. Een vrouw van middelbare leeftijd is al sinds de dageraad onafgebroken katoen aan het plukken. Ze heeft een blauwe sjaal om het hoofd gebonden en in de vouwen van haar salwar kameez heeft ze een kleine stoffen tasje. In het tasje zitten een rozenkrans, een pasfotootje van haar zoon en een brief.

Zoals altijd is Bashira Masih aan geld aan het denken tijdens haar twaalf uur durende werkdag. Ze kan zich geen pauze veroorloven, want de boer betaalt haar maar 1,15 frank per uur en ze moet minstens 300 frank verdienen om haar zoon in de gevangenis te kunnen opzoeken.

De vierentwintigjarige Ayub Masih zit in de dodencel van de centrale gevangenis in Sahiwal, veroordeeld wegens godslastering. Toen de katholieke student architectuur op 14 oktober 1996 uit Karachi thuiskwam, was in zijn dorp Arifwala een hevig dispuut aan de gang. Een moslimgezin had geprobeerd zijn ouders een stuk landbouwgrond afhandig te maken. Er werd een vergadering belegd waar ook Ayub aan deelnam. Volgens zijn getuigenis hadden de dorpelingen hem aangevallen, hem geslagen en naar het politiekantoor gebracht, waar hij op basis van Qureishy's wet in staat van beschuldiging werd gesteld en opgesloten.

Mohammed Akram, een van de getuigen, zei in politieverslag nr. 505/96: "Ayub Masih vertelde me dat mijn godsdienst verkeerd was en dat de zijne juist was, en dat ik De duivelsverzen moest lezen, het boek van Salman Rushdie waarin de spot wordt gedreven met de Heilige Profeet." Dat volstond om hem de dagvaarden. Tijdens zijn verdediging vertelde Ayub Masih het hof in Sahiwal: "Ik ben een christen, maar ik heb op school de islam bestudeerd en ik heb het grootste respect voor de Profeet."

Het proces sleepte verschillende maanden aan, en blijkbaar was dat te lang voor sommige moslims die Ayub aangeklaagd hadden. Op 6 november 1997, terwijl Ayub wachtte om voor de rechtbank te verschijnen, schoot Akram hem voor de ogen van tientallen functionarissen neer. Ayub had een schampschot in de arm, Akram kon ontkomen en werd niet aangeklaagd. In de plaats daarvan werd Ayubs proces nu in de gevangenis voortgezet en werd hij in een isoleercel opgesloten. Toen hij op 27 april 1998 ter dood werd veroordeeld, kreeg geen enkele onafhankelijke organisatie inzage in het arrest van rechter Abdul Khan.

Akram is nu de eigenaar van de betwiste grond in Ayubs dorp en de katholiek heeft beroep aangetekend tegen zijn vonnis. De voorbije twee jaar heeft hij zijn angst alleen kunnen uiten in brieven aan zijn bisschop, zijn advocate Asma Jehangir en zijn vriend Peter Jacob, een mensenrechtenactivist.

10/5/98 Beste Asma, Ze houden me dag en nacht in het donker, en ik kan zelfs niet eens in mijn bijbel lezen, wat erg vervelend is. Ik zit naast gevangenen van Sipah Mohammed (een extremistische moslimgroepering). Ik bid de hele dag. Ik ben doodsbang. Laat mij alstublieft weten wanneer mijn beroep voorkomt. Ik ben wanhopig.

3/8/98 Beste Peter, Laat iemand me alstublieft helpen. Ik ben in grote nood. Sinds mijn terdoodveroordeling word ik dag en nacht alleen in mijn cel gelaten. Ik heb geen ventilator, geen water en geen toilet. Ik ben doodmoe, haal mij hier alstublieft uit.

Vorige maand schreef Ayub ons vanuit de centrale gevangenis van Sahiwal, Blok 7. Zijn brief is geschreven in een mengeling van Urdu en Engels, en elke pagina is getiteld 'Jezus Christus'. Een ervan is versierd met een tekening van zijn geketende handen die een duif loslaten die zijn brief draagt. Zijn brief werd de gevangenis uitgesmokkeld.

"Ik ben u dankbaar omdat u zich om mij bekommert", schrijft hij. "Ik ben een zeer nederige dienaar van God die nu in de gevangenis zit. Ik heb verschillende ziekten en krijg geen medicijnen. Mijn toestand verslechtert voortdurend. Omdat ik veroordeeld ben wegens godslastering word ik alleen in een verduisterde cel opgesloten waar geen licht is, geen toilet en geen ventilator om de hitte wat te breken. Ik moet de andere gevangenen vertellen dat ik in de gevangenis zit wegens diefstal, want anders zouden ze me slaan omdat ik christen ben. Ik ben talloze keren gefolterd.

"Ik zou u iets willen vertellen over mijn moeder. Zij lijdt meer dan ik en ik kan het niet verdragen haar te zien huilen als ze mij in de gevangenis komt bezoeken. Ik wil voor mijn ouders zorgen als ze oud worden. Maar mijn moeder weet dat als ik hier ooit uit kom, ik naar het buitenland zal moeten gaan of sterven.

"Nu, na al dat lijden, wil ik deze wereld verlaten. Ik wil naar Jezus Christus. Uit protest tegen de wetten van dit land wil ik mijzelf doden en mijn leven aan God geven. Nu u mijn situatie kent, bid alstublieft voor mij en vraag God om begrip om me hierdoor te helpen."

Ayubs bisschop was John Joseph van Faisalabad, het katholieke boegbeeld van een internationale campagne om hem vrij te krijgen. Gedurende achttien maanden correspondeerden ze wekelijks, maar negen dagen nadat Ayub ter dood veroordeeld werd, vroeg John Joseph om naar het gerechtsgebouw gebracht te worden. Terwijl zijn chauffeur de auto keerde, haalde de bisschop een pistool uit zijn tas en pleegde zelfmoord. "Ik belde hem de avond voor zijn dood, en hij zei dat hij naar Sahiwal ging om ze iets te vertellen", zegt pater Emmanuel Mani, een goede vriend van de bisschop. "John Joseph had het gevoel dat Ayubs doodvonnis het einde van een lange lijdensweg was, en dat er misschien iets zou veranderen als hij zichzelf doodde."

De christenen in Lahore, Faisalabad en Sahiwal kwamen in opstand, er werden internationale protestbrieven naar de eerste minister en naar het Vaticaan gestuurd, maar de dag na de zelfmoord van de bisschop werden er alweer christenen gearresteerd en ter dood veroordeeld. Nu mag alleen Auybs moeder hem nog bezoeken. Ze begint in haar stoel heen en weer te wiegen als de scène in Blok 7 beschrijft: zij, buiten de celdeur, hij, haar vanuit het donker toefluisterend door de ijzeren tralies heen, zachte gesprekken die verdrinken in het geschreeuw van gevangenen die in naburige cellen gefolterd worden met stokken en zwepen.

"Ayub voelt zich schuldig over de dood van de bisschop. Toen ik hem vorige week zag, had hij koorts en griep. Hij is erg smerig, en zijn haar is zo lang dat ik hem niet meer herken. Ik moet hem alles geven; theeblaadjes, melk en honing om de cipiers om te kopen zodat ze hem wat water brengen. Ik heb niet genoeg geld hem te helpen. Er is geen elektriciteit, geen ventilator, geen water, geen licht. Alleen de bijbel. Er is geen toilet, en wat hij doet bedekt hij met vuil. Hij bid voor diegenen die hem beschuldigd hebben en wil niet praten over zijn doodstraf, maar hij is doodsbang van zijn bewakers."

De blasfemiewetten hebben de vervolging van christenen gelegitimeerd door hun opsluiting te vergemakkelijken, maar ze hebben de extremisten ook op ideeën gebracht. Aangemoedigd door een partijdig politieapparaat en een zwak gerecht gedragen fanatieke moslimaanhangers zich alsof ze boven de wet verheven beulen zijn. Christenen die beschuldigd werden van godslastering en in voorlopige vrijheid werden gesteld, werden gedwongen het land te ontvluchten nadat groepen moslim het recht in eigen hand namen en de doodstraf 'in ere herstelden'.

Salamat Masih was amper dertien toen hij, een oom en een vriend ervan beschuldigd werden slogans op een moskeemuur te hebben gekalkt. Ze mochten beroep aantekenen tegen hun doodvonnis toen het hof achterhaalde dat ze alle drie ongeletterd waren. Ismaeel Qureishy, de auteur van de blasfemiewetten, was hun aanklager tijdens het proces, en een tweede advocaat hitste de menigte op tegen de advocaat van de verdediging, Asma Jehangir.

Toen Salamat Masih, zijn oom Rehmat Masih en hun vriend Mansoor Masih in april 1994 het kantoor van hun advocate in Lahore verlieten, werden ze beschoten door drie mannen op motorfietsen met halfautomatische geweren. Een paar seconden later was Mansoor dood, getroffen door tien kogels. Salamats hand was verbrijzeld door een kogel van een AK-47 en Rehmat werd levensgevaarlijk gewond. Hij had acht schotwonden in de buik. Er kwam een schutter boven hem staan, maar zijn kogels blokkeerden in de patroonhouder en de Rehmat overleefde de aanslag.

In februari 1995 herriep rechter Arif Bhatti de doodstraf tegen de twee overlevenden, en opnieuw namen de buitengerechtelijke beulen het heft in eigen handen. Op posters van de extremistische moslimbeweging Sipah-e-Sahaba (het Leger van Mohammed) werd opgeroepen Salamat en Rehmat in het openbaar te lynchen en als gevolg daarvan moesten ze het land uitgesmokkeld worden.

Acht maanden nadat Salamat en Rehmat vrijgelaten werden, brak een gewapende bende binnen in de woning van advocate Asma Jehangir. Toen ze merkten dat zij er niet was, knevelden ze haar broer, haar schoonzus en twee kleine kinderen. Maar een huisbediende kregen ze niet te pakken, en die ontsnapte en waarschuwde de politie. Agenten arresteerde de indringers en vonden in hun auto een boek van Ismaeel Qureishy naast enkele kalasjnikovs, een eind touw en een paar messen. Op een bepaalde pagina, waar de 'godslastering' uit de doeken wordt gedaan die Jehangir in 1986 pleegde, stond een opmerking in de kantlijn: "Deze vrouw moet uit de weg geruimd worden."

Op 10 oktober 1997 werd rechter Bhatti van dichtbij doodgeschoten door schutters op motorfietsen toen hij het Hooggerechtshof in Lahore verliet.

Op het kerkhof langs de Mall, de brede laan die door het centrum van Lahore loopt, staat een enorm granieten kruisbeeld, opgericht ter nagedachtenis van Dewan Bahadur Singha, de leider van de Pakistaanse christelijke gemeenschap tijdens de afscheiding van India en de man die na lang twijfelen de beslissende stem uitbracht over de oprichting van Jinnah's natie. De Britten hadden hem ervan overtuigd dat christenen het beter zouden hebben in het nieuwe Pakistan. Hun geloof stond dichter bij de islam dan bij het hindoeïsme.

Achter Singha's graf ligt dat van Mansoor Masih, met een inscriptie in het Urdu: "Doodgeschoten op 5 april, een slachtoffer van de blasfemiewetten. Zijn begrafenis vond plaats in de Heilig-Hartkathedraal. Er waren zesduizend aanwezigen. Rust in vrede."

"Hoe het tegenwoordig is om christen te zijn in Pakistan? Ik ben doodsbang, mijn man is doodgeschoten, en de rechter die het doodvonnis herriep is ook doodgeschoten. Is dat genoeg reden om bang te zijn?", vraagt Rashida, de weduwe van Mansoor die nu ondergedoken leeft. "Ik ben uit mijn huis verdreven en mijn vrienden zijn mijn vijanden geworden na Mansoors dood, maar ik zal nooit mijn geloof opgeven, want dat is het enige wat we nog hebben", zegt ze terwijl ze de hand grijpt van haar driejarig zoontje, dat een paar maanden na de moord op zijn vader geboren werd.

Het begon met wetten om de naam van de Profeet te beschermen en het is ontaard in een pogrom. De vlek wegnemen, persoon per persoon, steen voor steen", zegt Shazia Alam, auteur en Urdu-vertaalster "Men raakt er steeds meer van overtuigd dat als je de christenen ver genoeg drijft, we op den duur zullen inpakken en wegwezen."

Shazia weet nog hoe ze zich in de kleerkast verborg toen in januari van vorig jaar drie mannen haar huis in Shekhupura binnendrongen en haar vader, de presbyteriaanse dominee Noor Alam, vermoordden. Sakina, haar moeder, werd gedwongen toe te kijken terwijl de mannen haar achtenvijftigjarige man sloegen met stokken, hem met messen bewerkten en hem daarna in het hoofd probeerden te schieten. Hij stierf later die avond in het ziekenhuis, met zijn vrouw en dochter naast zijn bed.

Tijdens de begrafenis vertelde een familievriend Shazia dat haar vader in brieven zijn eigen dood voorspeld had, en de mannen had genoemd die hem bedreigden. De dominee had de namen ook opgeschreven in zijn agenda, dat Shazia een paar dagen later terugvond.

Noor Alam werd vermoord omdat hij een kerk wilde bouwen op een stuk grond dat hij gekocht had van een moslim, die ook zelf de eerste steen legde. Christelijke gezinnen hadden in de streek geen enkele plaats waar ze konden bidden, maar sommige moslims konden die plannen niet aanvaarden. Amper een paar dagen voor de kerk ingehuldigd zou worden, sloot een groep moslims alle christenen op in hun huizen en brandde het gebouw in het midden van de nacht plat. De dominee diende een klacht in bij de politie en beloofde de parochianen dat hij de kerk zou heropbouwen. Toen begonnen de doodsbedreigingen. "Ik zei tegen de mannen die ons huis binnendrongen dat ze ons geld konden nemen als ze ons maar lieten leven", zegt Sakina. "Hij kreeg dreigtelefoontjes maar wilde er niet over praten. Hij zei dat ik me geen zorgen moest maken. Hij was een goede man, hij wilde de gemeenschap alleen maar helpen. Nu ben ik alles kwijt, mijn man en mijn huis."

Het enige wat overblijft van de kerk van dominee Noor Alam is een hoopje stenen en wat verkoold timmerwerk. Maar zelfs het puin is de dorpelingen die in de buurt wonen een doorn in het oog. Elke dag worden er een paar bakstenen gestolen, en binnenkort zal er helemaal niets meer over zijn van de kerk van Shekhupura.

In Sahiwal, waar Ayub Masih in de gevangenis zit, zijn de huizen van een hele gemeenschap christenen met de grond gelijkgemaakt. Telkens als een van hen zijn huis opnieuw probeert op te bouwen, komt er een groep moslims langs om het weer af te breken. De zeshonderd huisbedienden en arbeiders kregen de toelating om kleine bakstenen huisjes te bouwen op een stuk grond buiten de stad, vlak naast het reservoir waar het rioolwater wordt gezuiverd. Met de grond viel toch niets meer aan te vangen, want er loopt afvalwater doorheen en er hangt een misselijk makende geur. In september vorig jaar werden de christenen op een dag gewekt door bulldozers die hun huizen begonnen af te breken. "Het geluid was vreselijk", zegt Shahida Masih. "We liepen naar buiten en vroegen de werklui wat ze aan het doen waren. Ze duwden ons opzij. Ik greep mijn baby en alles wat ik nog kon pakken. Mijn huis werd helemaal verwoest, en ze gooiden ook onze kerk om."

Een paar weken later keerden Shahida en haar buren, die nergens heen konden, terug naar het zuiveringsstation en begonnen nog kleinere huisjes te bouwen met gebroken stenen en modder. Maar in oktober trokken de moslims weer ten strijde tegen de gemeenschap. Op posters die in Sahiwal werden opgehangen, stond: "De christenen voeren iets in het schild tegen de islam. Wij roepen op tot verzet. In alle moskeeën zullen de mullahs protestredes houden, en wij roepen alle geleerden op om ons protest te steunen."

Als de gebouwen weg zijn, blijft alleen het geloof over, en zelfs dat kan iemand ontnomen worden. In januari van vorig jaar kregen Seema en Khushi Masih in Rawalpindi, dicht bij de Pakistaanse hoofdstad Islamabad, plots bezoek van de politie. Die eiste dat zij hun drie dochters van elf, dertien en vijftien zouden afstaan omdat Nadia, Naima en Nabila zich zogenaamd bekeerd hadden tot de islam, en dat de moslimgemeenschap beledigd zou zijn als men de kinderen bij hun christelijke ouders zou laten blijven. De politie beval het echtpaar zijn kinderen aan de islamitische huisbaas te geven, die boven het appartement woonde.

"Het is bijna onvoorstelbaar om op een dag thuis te komen en vast te stellen dat je je kinderen kwijt bent", zegt Seena. "Terwijl wij gaan werken waren, kregen de meisjes geschenken van het rijke gezin van boven: horloges, halskettingen en kleren. Ze vertelden hen dat als ze zich bekeerden tot de islam, ze voor altijd bij hen mochten komen wonen en dan nog veel meer geschenken zouden krijgen. Wij wisten daar helemaal niets van, tot plots de politie voor de deur stond."

Seema en Khushi wendden zich tot het gerecht, maar toen ze de voogdij aanvroegen plaatste de magistraat de kinderen in een tehuis. Het echtpaar kreeg te horen dat het geval erg ingewikkeld was en dat de kinderen in het tehuis zouden blijven tot de rechter een beslissing genomen had. In maart schreven de drie kinderen naar de rechter en smeekten om terug naar huis te mogen. Maar Seema en Khushi, die hun dochters ondertussen niet mochten zien, denken nu dat ze misschien veiliger zijn in het tehuis. Tijdens de zittingen in de rechtbank waren groepen moslims komen opdagen die de meisjes bedreigden, en de plaatselijke moskee heeft een fatwa uitgesproken tegen de kinderen en gewaarschuwd dat de meisjes "in kleine stukjes zullen gehakt worden" als ze zich opnieuw tot het christendom bekeren.

Elf maanden nadat Nadia, Naima en Nabila bij hun ouders werden weggehaald, zitten ze nog altijd in het tehuis van Dar-ul-Aman. De deuren van het tehuis zijn gesloten, de kinderen mogen niet naar buiten en bezoekers worden niet toegelaten. Via een tussenpersoon hebben de meisjes om hun vrijlating verzocht. Ze vertelden ons dat ze in vreselijke omstandigheden moesten leven en dat ze elke dag een gebedsbijeenkomst hadden met zes islamitische godsdienstleraars. "Laat ons alstublieft onze ouders zien, we willen gewoon naar huis", schrijven ze.

In het binnenland van Punjab binden mannen houten latten onder hun voeten om zich te beschermen tegen het vuur van de steenovens dat onder hun voeten brandt. Hun gezichten zijn bedekt met dikke lagen roet en zweet. Boven hen hangen dikke zwarte rookwolken als van honderden schoorstenen. Overdag vertrappelen kinderen grote hopen modder tot mortel terwijl hun moeders de kleverige brij tot rijen bakstenen kneden. 'sNachts slapen ze in dakloze slaapzalen onder afbeeldingen van het Laatste Avondmaal.

Bijna allemaal zijn ze geboren in de steenovens van Shekhupura. Mumtaz is negen maanden zwanger, maar draagt nog altijd twee metalen emmers water. Ze giet het water in een zo groot mogelijke boog over de gebakken leem om te voorkomen dat het stof haar man en kinderen zou verstikken. Ze zegt dat ze zal blijven werken tot de dag dat haar zesde kind geboren wordt. Bantu, haar zoontje van acht, is nog nooit uit de steenbakkerij geweest, waar hij met de hand de kleverige modder van een houten schop schraapt. Geen van beiden wordt betaald om de bakstenen te maken waarmee Lahore is opgebouwd, want ze zijn eigendom van Yacoob Virek, hun werkgever.

Ze werken om een schuld terug te betalen die nu drie generaties oud is, maar niemand in de familie kan zich nog herinneren hoeveel hun overgrootvader destijds geleend heeft. "Het kan voor een huwelijk geweest zijn, of misschien om een andere schuld terug te betalen", zegt Mumtaz terwijl ze over haar schouder kijkt of Virek niet ziet dat ze tegen buitenlanders staat te praten.

Er is een wet die slavenarbeid verbiedt in Pakistan, maar over de hele Punjab zijn honderdduizenden christenen illegaal aan de steenbakkerijen gebonden door een schuld die door de torenhoge interesten alsmaar groter wordt. Het stof en de modder, de tbc en het eczema verstoppen hun longen en infecteren hun huid, maar niemand gaat naar een dokter omdat zijn honorarium dan gewoon bij de schuld wordt opgeteld. De steenovenarbeiders zijn onroerende goederen. Als Virek een rekening moet vereffenen, verkoopt hij een gezin aan een van zijn concurrenten. Als ze weglopen stuurt hij er mannen met honden en geweren op uit om ze terug te halen.

Als de christenen niet in de steenbakkerijen werken, werken ze als landarbeiders. Soms, zoals in het geval van Iqbal Masih in het dorp Niteherke, worden ze 'snachts aan een eetbak voor het vee geketend door zamindars (landeigenaars) als Mohammed Sara. In de steden zijn er veel meer christenen die de straten vegen of toiletten schoonmaken dan er lesgeven of werken in de gerechtshoven. Tegenwoordig zijn de christenen in Pakistan zelfs slechter af dan de onaanraakbaren in India: sociaal gestigmatiseerd vanwege hun armoede én hun geloof.

De missionarissen die in de negentiende eeuw in grote aantallen naar de Punjab trokken hadden weinig succes bij de hindoes van de hogere kasten, de geschoolde sikhs en moslims, en in plaats daarvan kerstenden ze voornamelijk de armere kasten en klassen. Honderd jaar nadat de kerk massaal het doopsel begon te verstrekken, vervolledigde president Zia ul Haq, de militaire dictator, het uitsluitingsproces. In 1985 voerde hij een afzonderlijk kiessysteem in waarbij moslims hun eigen kandidaten verkiezen, die zo 209 zetels in het nationaal parlement kunnen bemachtigen. Christenen kunnen maar vier politici verkiezen, maar die hebben geen enkele lokale machtsbasis en erg weinig invloed. Tegenwoordig is de enige lokale vertegenwoordiger van de christenen de kerk. Maar in de steden en dorpen van de Punjab lijken de kerkelijke leiders vaak meer begaan met hun eigen status dan met het leven van hun congregatie.

In oktober van vorig jaar weigerde John Samuel, de protestantse bisschop van Faisalabad, een jonge christen op te vangen die beschuldigd werd van godslastering, omdat hij bang was dat de menigte die de jongen achternazat zijn huis zou bestormen. "Het is erg ingewikkeld. De kerk kan zich er niet in mengen", vertelde de bisschop, terwijl de politie de beschuldigde 'voor zijn eigen veiligheid' arresteerde.

In de steden is de kerk verdeeld. Bisschop John Joseph verkoos het martelaarschap om zijn kudde op te zwepen. De pauselijke nuntius, de officiële vertegenwoordiger van de paus in Pakistan, gaf geen commentaar op de dood van de bisschop. Nu vragen veel mensen, onder wie de moeder van Ayub Masih, zich af wat zijn dood veranderd heeft. "Ik ben voor het martelaarschap als het goed gepland wordt en niet voor niets gebeurt", zegt bisschop Samuel Azariah, moderator van de kerk van Pakistan. "John Joseph had niet mogen doen wat hij gedaan heeft, tenzij als hij mensen achterliet die de zaak vooruit konden helpen."

De kerk houdt zich dus op het laffe af afzijdig, maar ze gaat ook gebukt onder de erfenis van de Europese missionarissen en staat afkerig tegenover elke verandering. "We zijn nog altijd een koloniale instelling, die gaat bekeren in de dorpen maar verder de christenen aan hun lot overlaat", zegt bisschop Azariah. "Nu moeten we ons losmaken van het blauwe kleed dat ik draag, de enorme bisschoppelijke huizen, en meer vertrouwen wekken tussen de religieuze leiders en de gewone mensen. Als we niets doen, geloof ik echt dat de christenen uit Pakistan verdreven zullen worden."

Terwijl de bisschoppen en nuntiussen, priesters en pastoors zich beraden over hun toekomst, heeft ook Ismaeel Qureishy niet stilgezeten in zijn kantoor in het Hooggerechtshof van Lahore. Hij leidt nu het gerechtelijke en klerikale offensief om de sjaria in Pakistan in te voeren, de wetten van de koran en de soenna. Als hij daarin slaagt, zullen de teksten van de Profeet, geïnterpreteerd door conservatieve islamitische geestelijken en advocaten, kracht van wet krijgen en officieel de grondwet en strafwet van het land vervangen.

Voor Qureishy is dat een religieuze imperatief en eerste minister Nawaz Sharif, die hem steunt, zegt dat de heilige schriften orde en gemoedsrust zullen brengen in het land dat nu in een diepe politieke en sociale crisis zit. Maar Pakistan is nu zoals Duitsland in de jaren dertig was: klaar voor een oorlog. In de steden en dorpen schieten de prijzen voor elementaire grondstoffen de hoogte in, net als de misdaad, het geweld en de instabiliteit. Nu al bestrijden christenen in de stad Leiah de politieverordening dat ze zichzelf, hun winkels en huizen moeten merken met kruisen.

De sjaria is nog niet tot nationale wet verheven, maar de christenen worden wel al vervolgd volgens de principes ervan. Asyia Parveen was dertien toen ze verkracht werd door een moslim. Er waren twaalf getuigen die zagen hoe Jawed Iqbal haar in de ochtend van 21 oktober 1996 in de velden achtervolgde. Dit jaar werd de aanklacht tegen hem geseponeerd, zijn familie eist een schadevergoeding van bijna 9 miljoen frank, en Asyia wordt beschuldigd van seks buiten het huwelijk door een rechter die onder druk wordt gezet om de islamitische hadood-wetten op overspel toe te passen.

In het lemen huisje midden in de suikerrietvelden waar haar familie nu ondergedoken leeft, vertelt Asyia: "Hij had een pistool en zei dat hij me zou neerschieten. Waarom word ik gestraft voor een misdaad als ik het slachtoffer ben? Ik ben voor altijd onteerd. Als ik in het openbaar verschijn, word ik door iedereen vernederd. Ik kan nooit meer naar mijn dorp teruggaan of trouwen." Ze trekt haar sluier over haar ogen, want ze is te beschaamd om iemand in haar ogen te laten kijken. Als ze schuldig wordt bevonden, zal ze tachtig stokslagen met een bamboestok krijgen.

© The Sunday Times Magazine Vertaling: Wim Coessens

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
© 2019 MEDIALAAN nv - alle rechten voorbehouden