Zondag 13/06/2021

De prehistorische spaarpot vanBernissart

Volgende week gaat in het Henegouwse plaatsje Bernissart een uniek experiment van start. Wetenschappers zullen 400 meter diep boren naar de plaats waar mijnwerkers in 1878 de iguanodonten hebben ontdekt. Voorlopig blijven de ambities beperkt tot het maken van een gesofisticeerde bodemscan. Maar wat als de resultaten spectaculair uitvallen? Een nieuw massagraf van iguanodonten, fossielen van onbekende soorten, de specialisten sluiten het niet uit. De burgemeester dagdroomt van een themapark, de bazin van Le Muséum heeft visioenen van horden Japanse toeristen. De toekomst van Bernissart ligt in een heel ver verleden.

Erik Raspoet / Foto's Filip Claus

Bernissart bezit alle eigenschappen van een door God en zijn apostelen vergeten gat. Niets, maar dan ook niets kan de automobilist verstrooien op zijn doortocht naar de Franse grens. Het marktplein? Een geasfalteerde leegte met een glasbol en een monument voor de krijgsgevangenen. De kerk? Een bakstenen gevaarte van dertien in een dozijn. Van het mijnverleden valt geen spoor te bekennen, of het zou op het kerkhof moeten zijn, waar Waalse, Vlaamse, Italiaanse en Poolse namen elkaar gezelschap houden. Op menige grafzerk wordt het mijnwerkersbestaan in een kernachtige formule samengevat. 'Sa vie n'était que le travail, le bonheur et la générosité.' Meestal hoort zo'n epitaaf bij veteranen van Harchies en Hensies-Pommeroeul, mijnen die tot lang na de Tweede Wereldoorlog standhielden. In Bernissart zelf ging de put al in 1921 dicht wegens onrendabel. Gelukkig bevatte de ondergrond niet alleen vette steenkool van inferieure kwaliteit. In 1878 deden mijnwerkers hier een van de belangrijkste vondsten uit de geschiedenis van de paleontologie. In een kleiput op een diepte van 322 meter werden uitzonderlijk gave fossielen van negenentwintig iguanodonten gevonden. Sindsdien is Bernissart een gat met wereldfaam.

Het gerucht doet hier de ronde. Een formidabele machine is in Bernissart gearriveerd. En inderdaad, we zijn onder de indruk van het gevaarte op rupsbanden dat de helling opkruipt. "Dit is nog niets", zegt de projectleider van de firma Smet Boringen. "Wacht maar tot je de eigenlijke boormachine hebt gezien, die is wel vijf keer groter." De omgeving is groen, niets laat vermoeden dat we op de terril van Sainte-Barbe staan. De Charbonnage de Bernissart telde vier putten, die allemaal een naam droegen. Naar aloud gebruik werd in de nomenclatuur de patroonheilige van de mijnwerkers niet over het hoofd gezien. Het was in een galerij van Sint-Barbara, recht onder onze voeten als de berekeningen kloppen, dat de iguanodonten werden aangetroffen.

De arbeiders planten de boorkop in de vette grond. Het gaat slechts om een proefboring, een van de laatste voor ze aan het grote werk kunnen beginnen. De coördinaten zijn afgebakend, de ondergrond is gestabiliseerd, alles is klaar om volgende week de Grote Machine los te laten. Ongetwijfeld zullen de televisiebeelden de wereld rondgaan. De missie van de Grote Machine houdt immers niet alleen de autochtonen in de ban. De boringen moeten aan het licht brengen of de ondergrond van Bernissart nog meer fossiele schatten bevat, zoals algemeen wordt vermoed. Misschien komt het antwoord snel, in de vorm van bodemmonsters die de machine zal uitspuwen. De kans is reëel dat de boorkop op een van zijn 400 meter lange tochten door de aardkorst een skelet doorkruist. Het meest echter wordt uitgekeken naar de resultaten van de tomografie, zeg maar de bodemscan, die door de Faculté Polytechnique de Mons wordt uitgevoerd. De technologie bestaat al langer, alleen werd ze nooit eerder op zo'n diepte en op zo'n schaal toegepast. Er wordt gescand in een zone ter grootte van een voetbalveld. Afgezien van dimensie en materie ligt de vergelijking met een medische echografie voor de hand. Als er in de ondergrond fossielen zitten, dan zal de tomografie er een driedimensionaal beeld van op de monitor toveren.

Burgemeester Freddy Wattiez zal de komende weken niet op een schietgebedje meer of minder kijken. Hij mag dan wel een agnostische socialist zijn, zijn politieke geloofwaardigheid heeft hij in de handen van Sint-Barbara gelegd. De resultaten van het bodemonderzoek zullen immers bepalen of hij in de gemeentelijke annalen wordt bijgeschreven als de man die Bernissart uit het moeras wist te trekken. Wattiez, een veertiger die balanceert op de grens tussen struis en zwaarlijvig, gooit de weinig rooskleurige statistieken op tafel. Werkloosheid, steuntrekkers, gemiddeld inkomen, opcentiemen: de fusiegemeente van 11.400 inwoners scoort in alle opzichten een stuk slechter dan het gemiddelde in de provincie Henegouwen, die op haar beurt als de armste van het koninkrijk geldt. "We zijn getekend door ons verleden", zegt hij, zelf telg zijnde van een mijnwerkersgeslacht. "Na de laatste mijnsluiting in 1975 is de reconversie hier nooit op gang gekomen. Bernissart is een afgelegen plek, op de rand van de Borinage, pal op de Franse grens. Investeerders staan niet te trappelen. Behalve een industrieel schoonmaakbedrijf is er geen enkele belangrijke werkgever. Jongeren zien geen toekomst meer. We merken het aan de bevolkingspiramide: er zijn veel kinderen en vooral veel gepensioneerden, de actieve bevolking trekt weg."

Freddy Wattiez is niet de eerste burgemeester die de kaart van het toerisme trekt om het tij te keren. Bernissart heeft objectieve troeven. Er is het uitgestrekte Bois de Bonsecours, er zijn de bij vogels en ornithologen erg geliefde moerassen van Harchies, het befaamde kasteel van Beloeil ligt vlakbij. Bovendien heeft Bernissart een heus meer, waarover de meningen verdeeld zijn. Zelf was ik danig ontgoocheld na mijn bezoek. Het meer, in feite een doorgezakte terril die werd uitgegraven voor de bouw van de Autoroute de Wallonie, bleek niet veel meer dan een uit de kluiten gewassen visvijver. De inwoners van Bernissart daarentegen spreken over hun lac alsof het Gardameer er niets bij is. Volgens sommige bronnen heeft het weinig gescheeld of Walibi had zich niet in Waver maar aan de oever van dit meer gevestigd. Feit is dat diverse projecten om rond het meer een vakantiedorp te bouwen nooit van de grond zijn gekomen.

Hopelijk vergaat het burgemeester Wattiez beter met zijn plan om Bernissart op de toeristische kaart te plaatsen. De slogan prijkt al op zijn ambtelijke briefwisseling: Bernissart, la cité des iguanodons. "In feite is het onrechtvaardig", zegt Wattiez. "Bernissart is de plaats waar de belangrijkste ontdekking uit de geschiedenis van de paleontologie werd gedaan. In de hele wereld kennen ze onze gemeente als de vindplaats van de iguanodonten. Toch heeft Bernissart nooit enig profijt getrokken uit die ontdekking. Alle fossielen werden destijds naar Brussel afgevoerd, ze lokken vandaag nog altijd massa's bezoekers naar het Koninklijk Museum voor Natuurwetenschappen. Pas op, ik wil die overdracht niet veroordelen. Wat konden ze anno 1878 in Bernissart ook met die beenderen aanvangen? Dit was een mijnstad, de meeste inwoners konden amper lezen of schrijven, laat staan dat ze wisten wat een fossiel was. Maar de tijden zijn veranderd, nu is het onze beurt om een graantje mee te pikken. Het zijn tenslotte onze bodemschatten."

Er was al een dino-logo, er was al een rue Iguanodon. Sinds mei kan Bernissart ook uitpakken met een paleontologisch museum. Het vorige museum, daarover zijn vriend en vijand het eens, was die naam niet waardig. Generaties scholieren haalden de schouders op voor het plaasteren afgietsel van een halve iguanodon. Alleen het bekken en de onderste ledematen vielen te bewonderen, voor een volledig exemplaar was het plafond veel te laag. Heel wat anders is het kersverse Musée de l'iguanodon, dat in een omgebouwde gymzaal van de gemeenteschool werd ondergebracht. Meer dan 250.000 euro heeft Bernissart erin gepompt, vooral de klimaatregeling en de beveiliging waren peperduur. De inspanning werd echter beloond: Bernissart kreeg van het Koninklijk Museum voor Natuurwetenschappen een authentieke iguanodon in permanente bruikleen. "De voorwaarden van het contract zijn ongemeen streng", zegt burgemeester Wattiez. "We hebben het beest moeten verzekeren voor 6,1 miljoen euro, zoveel is een iguanodon tegenwoordig waard."

In de gemeenteraad werd het plan unaniem goedgekeurd. Liberalen, christen-democraten en groenen volgden gedwee de sinds mensenheugenis regerende PS-meerderheid. Toch wordt de burgemeester soms door twijfels overvallen. Een kwart miljoen euro voor het dino-museum, nog eens 125.000 euro als voorschot op het bodemonderzoek dat voorts door het Waals Gewest en het Nationaal Fonds voor het Wetenschappelijk Onderzoek wordt gefinancierd. Het zijn bedragen die kunnen tellen in een armlastige gemeente. Hoe zullen de kiezers die gok over vier jaar beoordelen? Cité des iguanodons, het klinkt mooi. Maar de waarheid is dat Bernissart niet stormloopt voor het prestigieuze museum. De iguanodon die nu in Bernissart staat, werd al eens eerder uitgeleend voor een tentoonstelling in het Musée des beaux-arts van Valenciennes. Zestigduizend entreekaartjes vlogen de deur uit, burgemeester Wattiez kan er alleen maar van dromen. "We hebben sinds mei drieduizend bezoekers geteld", zegt hij. "Het komt wat traag op gang, vooral de lokale bevolking laat het afweten. Ik denk niet dat al één op de vijf inwoners een voet in het museum heeft gezet. Ach, het is de mentaliteit van de streek. Er is te weinig dynamisme, de mensen kijken de kat uit de boom. Toch bespeur ik beterschap, het plan begint aan te slaan bij de middenstand. Op de markt is nu een frituur die l'Iguane heet, een van de cafés werd tot Le Muséum omgedoopt. En onlangs zag ik dat een boer een nieuwe windroos op zijn dak heeft geplaatst, in de vorm van een iguanodon. Weet je, ik spiegel me aan het voorbeeld van Redu, een onooglijk dorp dat zich toch maar mooi tot het Mekka van het boek heeft opgeworpen. Waarom zou Bernissart dan niet de hoofdstad van de paleontologie kunnen worden?"

Er staat volgende week dus heel wat op het spel op de terril van Sainte-Barbe. Vast staat dat de resultaten van het bodemonderzoek in het nieuwe museum worden tentoongesteld. Maar wie weet zit er meer in, veel meer zelfs. Burgemeester Wattiez wil niet dagdromen, maar de verleiding wordt hem te machtig. Wat als de tomografie een rijke oogst oplevert? Een nieuw massagraf van iguanodonten? Of beter nog: een ander, misschien wel onbekend specimen van de dinosauriërs? Specialisten van het Koninklijk Museum voor Natuurkunde achten de kans op spectaculaire vondsten allerminst denkbeeldig.

Hun optimisme steunt op de aard van de site waar in 1878 de iguanodonten werden gevonden. De fossielen werden aangetroffen in wat mijnwerkers een cran plachten te noemen. Dergelijke kleiputten vormen natuurlijke onderbrekingen in de steenkoollagen van het Henegouwse bekken. Mijnwerkers waren er niet happig op. Soms moesten ze in de blubber tientallen meters gangen maken om de coupure te overbruggen. Crans ontstonden in het Krijttijdperk, toen dit stuk van Henegouwen een moerasgebied was dat krioelde van het leven. Geologen hebben het mechanisme kunnen achterhalen. Chemische processen in onderliggende en dus oudere kolenkalklagen deden grote holten ontstaan die mettertijd aanleiding gaven tot instortingen. Daarbij werden vaak reusachtige hoeveelheden klei de diepte ingesleurd. Het effect was een weldaad voor de paleontologie. Met de klei werden immers massa's kadavers meegesleurd. Niet alleen van iguanodonten. Naast een ruim assortiment planten, vissen en insecten werden in Bernissart fossielen van prehistorische schildpadden, krokodillen, salamanders alsook een vingerkootje van een vleesetende megalosauriër opgegraven. Die oogst was overigens niet het resultaat van één instorting maar van ten minste vijf verzakkingen die zich wellicht over een tijdspanne van miljoenen jaren hebben voorgedaan. Vergelijk het met een teletijdmachine.

De ouderdom van de plantenetende iguanodonten van Bernissart wordt op 120 tot 140 miljoen jaar geschat, het Krijt of laat-secundair tijdperk. Ze werden echter aangetroffen tussen sedimenten uit het veel oudere Carboontijdperk. Welke verrassingen heeft de teletijdmachine nog in petto? Met enige fantasie heeft de kleiput de vorm van een frietzak. Destijds werd alleen de tip, het onderste, smalle segment tussen min 320 en min 360 meter, doorzocht. Maar waarom zouden er in de veel uitgestrektere lagen tussen min 100 en min 200 geen fossielen rusten? Die afzettingen werden 'maar' 65 miljoen jaar geleden gevormd, op het einde van het Krijttijdperk, toen heel andere specimen dit gebied bevolkten.

De vraag is dus of het bij een röntgenfoto blijft dan wel of er een expeditie komt om de fossiele bodemschatten aan de oppervlakte te brengen. Dat laatste is alvast vlugger gezegd dan gedaan, want de put van Sainte-Barbe is allang ingestort. Een nieuwe put graven is technisch perfect mogelijk, maar dan moet de helft van het dorpscentrum worden ontruimd. Een studente mijnbouw van de universiteit van Bergen heeft in haar eindverhandeling een alternatief onderzocht. Met een hellingscoëfficiënt van 15 procent volstaat een twee kilometer lange gang om de oorspronkelijk vindplaats te bereiken. "Het kan allemaal", zucht burgemeester Wattiez. "Maar je bent algauw vertrokken voor minstens 25 miljoen euro. Dat geld is er niet, noch bij het Waals Gewest, noch op federaal niveau. Maar wie weet, als de resultaten spectaculair zijn, kunnen we misschien wel investeerders warm maken. Dinosauriërs zijn enorm populair. Waarom bijvoorbeeld geen themapark in Bernissart? Ik wil niet op de zaken vooruitlopen, maar een ding is wel zeker: als er fossielen worden opgegraven, dan zal Bernissart er wel beter van worden."

Ik ben de enige klant in het Italiaanse restaurant langs de rue de Valenciennes. Antonino, de baas, neemt dan ook ruim de tijd om zijn scepsis te ventileren. "Fossielen opgraven", schampert hij. "Dat plan is zo oud als de straat. De Duitsers hebben het tijdens de oorlog geprobeerd, als kind heb ik hier nog Japanners met soortgelijke intenties weten rondlopen. Ik geloof er allemaal niet in. Zie je hoe de trottoirs er bij liggen? Laat ze die eerst maar eens herstellen voor ze belastinggeld verspillen aan hun dinosaurussen. Pas op, ik ben al in het museum geweest. Niet onaardig, maar veel te duur als je het mij vraagt. Vier euro voor één dinosaurus waar je na vijf minuten op uitgekeken bent, vindt u dat ook niet overdreven? Dat ze met dat geld een camping bouwen aan het meer van Bernissart, dan zullen we wel toeristen over de vloer krijgen."

De pasta smaakte heerlijk, maar de kritiek bleek achteraf al te ongezouten. Het museum is zijn 4 euro dubbel en dik waard. Er is een aardige collectie mineralen en fossielen die de geologische en paleontologische geschiedenis van Henegouwen illustreren. Geïnteresseerde bezoekers kunnen gemakkelijk een uurtje doden met de didactische tijdreis naar het ontstaan van de aarde. En natuurlijk is er de iguanodon in vol ornaat. Vijf meter hoog en tien meter lang, de prehistorische rug gerecht en de kop fier omhoog. Bij leven en welzijn zou het dier zich niet lekker hebben gevoeld in die houding. Tegenwoordig gaat men ervan uit dat iguanodonten viervoeters waren die zich slechts sporadisch oprichtten, om bladeren van de bomen te ritsen of om te vluchten. Kan men het Louis Dollo, de Frans-Belgische mijningenieur-paleontoloog die de fossielen bestudeerde en in elkaar puzzelde, kwalijk nemen dat hij de iguanodonten met chronische rugpijn heeft opgezadeld? Dollo stond voor een verpletterende taak. Niet alleen was er het volume van het onderzoeksmateriaal, 600 blokken met een totaal gewicht van 130 ton. Bovenal ontbrak het aan vergelijkend studiemateriaal, want over de iguanodonten was omstreeks 1880 nagenoeg niets bekend. Een eerdere vondst van enkele tanden en botfossielen, in het Engelse graafschap Sussex in 1822, had tot wilde gissingen geleid. Het ging om een grote planteneter, dat was klaar als een klontje. De eerste poging tot reconstructie in 1835 liep echter danig uit de hand. Het monster mat liefst 60 meter en droeg op zijn neus een scherpe hoorn die, zo zou de vondst in Bernissart uitwijzen, niets anders was dan de duim van de iguanodon.

René Gosselin zou een uitstekende gids van het museum zijn. De 74-jarige mijningenieur uit Bernissart is al tientallen jaren gebeten door de iguanodonten, zozeer zelfs dat hij er een boek over schreef. Beslagen in geologie en paleontologie, maar ook thuis in de vele anekdotes die de geschiedenis van Bernissart kruiden. Soms heeft hij ze uit de eerste hand, zoals die van de queeste naar iguanodonten die de Duitsers tijdens de Eerste Wereldoorlog ondernamen. "Mijn grootmoeder heeft me er vaak over verteld", zegt hij. "Voor de Duitsers was het een topprioriteit, ze hadden enkele van hun grootste specialisten naar Bernissart gestuurd. Voor het graafwerk werden lokale mijnwerkers opgeëist. De Duitsers zijn gestrand in het zicht van hun doel: ze zaten op amper 30 meter van de oorspronkelijke vindplaats toen op 11 november 1918 de wapenstilstand werd getekend. Zo gefrustreerd waren de Duitsers dat ze de hele mijn van Bernissart wilden opblazen. Het dynamiet lag klaar, de hele site was al ontruimd, maar om de een of andere reden hebben ze de lont niet aangestoken." Hun ontgoocheling was begrijpelijk, want de hele wereld benijdde België zijn monopolie op de Iguanodon bernissartensis. Al heel vroeg kwamen er lucratieve aanbiedingen. Franse, Duitse, Amerikaanse en Britse musea, iedereen stond in de rij. Omstreeks 1890 werd er in het parlement zelfs meermaals over gedebatteerd. Negenentwintig fossielen, was dat niet wat van het goede te veel? Met de miljoenen die toen al voor een fossiel werden geboden, zo werd er geargumenteerd, konden de belastingen naar omlaag. De verkoop ging niet door, en tot vandaag zitten de negenentwintig fossielen in de collectie van het Koninklijk Museum voor Natuurwetenschappen in de Brusselse Vautierstraat, waar erg zuinig met de prehistorische schat wordt omgesprongen. Slechts heel zelden en enkel met loodzware verzekeringspremies wordt een skelet voor een tentoonstelling uitgeleend.

Twist en afgunst zijn vaste prik in het verhaal van de iguanodonten. Het begon al direct na de ontdekking. Wie mocht het vaderschap opeisen? Er kwam kletterende ruzie van tussen mijndirecteur Fages en de Leuvense zoöloog Van Beneden, de eerste specialist die zich in Bernissart over de vondst kon buigen. Uiteindelijk zou ene Jules Creteur de geschiedenis ingaan als de ontdekker van de iguanodonten. Volgens de overlevering was het zijn pikhouweel dat op 28 februari 1878 een langwerpig object beroerde. Een fossiele boomstronk, werd eerst gedacht. De dierlijke oorsprong bleek pas toen de vezelstructuur aan het licht kwam. Niet dat we de nagedachtenis van Jules Creteur willen bekladden, maar zijn historische rol is overdreven. "Inderdaad", beaamt René Gosselin. "Gangen graven in een kleiput doe je niet alleen, er was die dag een hele ploeg aan de slag. Het kan net zo goed een andere mijnwerker geweest zijn die als eerste op de beenderen is gestoten. Waarom is Creteur dan komen bovendrijven? Omdat hij zijn public relations heeft verzorgd, hij heeft zijn rol dik in de verf gezet. Op het einde van zijn leven heeft hij zelfs een extra pensioen aangevraagd, als ontdekker van de iguanodonten. De andere mijnwerkers waren daar niet gelukkig mee, het zat er bovenarms op in Bernissart."

Hopelijk herhaalt de geschiedenis zich niet. Want ook het initiatief voor het bodemonderzoek wordt betwist. Voor de lezers van Le Monde is het duidelijk. Pierre Capront, een steenrijke radioloog uit Beloeil met een passie voor paleontologie, mag de eer opeisen. In een interview met de Franse kwaliteitskrant doet Capront niet bescheiden over zijn aandeel. Hij is de man achter de vzw die het onderzoek organiseert, de man ook die de nodige fondsen heeft verzameld. Capront, zo geven zelfs zijn ergste vijanden toe, heeft inderdaad verdiensten. De medicus houdt al zo'n dertig jaar de droom van de iguanodonten in de regio tussen Bergen en Doornik wakker. Talloos zijn de initiatieven die hij heeft aangekondigd, het ene al ambitieuzer dan het andere. Want Pierre Capront ziet de zaken groot, ook nu. Moet het bodemonderzoek nog aanvangen, hij verkeert in gedachten al in een ander tijdperk. Bernissart wordt het Europees centrum voor de paleontologie, dat staat vast. Geld mag geen beletsel zijn, desnoods belt hij persoonlijk Steven Spielberg op. Lukt Jurassic Parc III niet? Dan verkoopt hij toch gewoon een aantal van die iguanodonten die zonder enige twijfel boven water zullen komen. Naar rato van 6 miljoen euro per stuk zal het zaakje rap gefinancierd zijn.

Precies die hang naar megalomanie verklaart waarom de initiatieven van Pierre Capront nooit van de grond komen. In het Koninklijk Museum voor Natuurwetenschappen is hij persona non grata, Guy Spitaels heeft hem in Ath ooit persoonlijk de deur gewezen, de Waalse regering gaf niet thuis als hij weer eens met een plan van anderhalf miljard kwam aanzetten.

Nee, als straks de Grote Machine gromt, dan is dat onder meer te danken aan René Gosselin. Hij was het die zes jaar geleden een nieuwe vzw onder gemeentelijke voogdij oprichtte om het vertrouwen van publieke sponsors te winnen. En hij was het die in de archieven van het Koninklijk Museum in Brussel dook om de geologische notities over de opgravingen uit te pluizen. De gegevens sterkten hem in zijn vermoeden dat de bodem van Bernissart nog lang niet al zijn geheimen prijs heeft gegeven. De gemeente had wel oren naar zijn pleidooi voor een nieuw onderzoek. Alleen mangelde het aan een wetenschappelijk onderbouwd dossier om hogerop subsidies los te weken.

De man die dat hiaat opvulde, stapt behoedzaam door de modder van Sainte-Barbe. Jean-Pierre Tshibangu, diensthoofd mijnbouwkunde aan de Faculté Polytechnique de Mons, keurt de laatste proefboringen. Met bewonderenswaardig geduld probeert hij de beginselen van de tomografie aan ons lekenverstand te brengen. Hoe een van de vier zorgvuldig gepositioneerde pijpen wordt volgestouwd met zend- en captatieapparatuur. Hoe de geluidspulsen tussen twee pijlpunten evolueren, traag wanneer ze zich een weg door de klei banen, snel wanneer het medium een fossiel is. Hoe de computer door de combinatie van allerlei gegevens uiteindelijk een driedimensionaal beeld oplevert. Jean-Pierre Tshibangu (45) zal wel nooit aan iguanodonten hebben gedacht toen hij aan de universiteit van Lubumbashi mijnbouwkunde studeerde. Koper en kobalt delven, daar werden ze voor opgeleid. Na een korte carrière bij Gécamines in Kolwezi hield de briljante mijningenieur het voor bekeken. In 1985 trok hij naar België om er aan wetenschappelijk onderzoek te doen. Geen slechte gok, zou blijken. Terwijl het met de Gécamines de dieperik in ging, rees zijn ster aan het academische firmament. De Faculté Polytechnique de Mons is immers geen clubje dilettanten. De vroegere Ecole des Mines teert op de knowhow die de Waalse steenkoolnijverheid in meer dan tweehonderd jaar heeft opgebouwd.

Jean-Pierre Tshibangu, intussen tot Belg genaturaliseerd, is populair in de streek. In Doornik kennen ze hem als een van de experts die de kathedraal van de ondergang probeert te redden. De kerk, erkend als werelderfgoed, lijdt onder ernstige stabiliteitsproblemen en staat gedeeltelijk op instorten. Een mirakel, dat verwachten ze van hem ook in Bernissart. Als er ooit een dinopark komt, dan wacht hem zeker een standbeeld. Eigenlijk heeft hij dat nu al verdiend. Tshibangu heeft met zijn assistenten immers niet alleen de technische en financiële haalbaarheid van een bodemonderzoek aangetoond, hij heeft daarenboven onvermoeibaar gelobbyd om de nodige fondsen los te weken. Hele weekends heeft hij aan bedelbrieven gezeten, hij vindt blindelings zijn weg naar alle ministeriële kabinetten in Namen. "Niet te hard van stapel lopen", wijst hij de hooggespannen verwachtingen van de hand. "Voorlopig zijn onze ambities beperkt en louter wetenschappelijk van aard. In de eerste plaats willen we aantonen dat de kleiput destijds niet volledig werd onderzocht. Als we tegelijkertijd kunnen bewijzen dat de techniek van de tomografie ook op grote diepte werkt, ben ik al heel tevreden. Van opgravingen lig ik niet wakker, maar ik sluit ze niet bij voorbaat uit. Je ziet zelf hoe Bernissart er aan toe is. Deze gemeente kan wel een duwtje in de rug gebruiken. Als ik daarbij kan helpen, des te beter."

We nemen een afzakkertje in Le Muséum op de markt. Cité des iguanodons, de bazin gelooft er wel in. Als ze zich laat gaan, ziet Sandrine horden toeristen in Bernissart, Duitsers en zelfs Japanners. "Ons café ligt ideaal", prakkiseert ze. "Achter ons het museum, voor de deur de markt, waar de bussen kunnen parkeren. We zullen moeten uitbreiden. En croque-monsieurs serveren."

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234