Zondag 05/12/2021

De politicus als product

De laatste decennia is de macht van onze politieke klasse erg aangetast. De verhuizing van bevoegdheden naar de Europese Unie is een belangrijke, maar zeker niet de enige vorm van drainage. Net nu krijgen onze politici toch meer media-aandacht dan ze ooit gehad hebben. Hoe komt dat toch, vraagt Luc Huyse zich af.

Het verhaal stond in The New York Times van 17 februari 2004. Er zijn voorverkiezingen voor de Democraten in Wisconsin. Een van de kandidaten loopt door de straten van een doordeweeks stadje. Hij is alleen. Er is geen journalist, geen cameraman te zien. Hij stapt de plaatselijke fabriek binnen. Praat even met de arbeiders, die ongeïnteresseerd knikken. In de cafés kijken de klanten nauwelijks op als hij zich voorstelt. Goed tien maanden later, in januari 1961, is hij president John Fitzgerald Kennedy. In februari 2004, vier decennia verder, lokt de Wisconsin-primary honderden journalisten, Amerikaanse en buitenlandse.

Het is vrijdag 21 mei 1971. In Brussel wordt De Nieuwe Maand, een progressief maandblad, aan de pers gepresenteerd. De redactie, een mix van christen-democratische en socialistische jongelui, is erg ambitieus. Ze wil het gedachtegoed van de linkse frontvorming uitdragen. Maar in de media is er, de dagen nadien, niet de minste aandacht. Zijn onder meer lid van de redactie: Wilfried Martens, Jean-Luc Dehaene, Karel Van Miert en Norbert De Batselier. In februari 2004 wordt de liberale 'generatie 2016', Patricia Ceysens en compagnie, een paar vierkante meter krantenpapier en hopen zendtijd gegund. De redactie van De Nieuwe Maand 'leverde' twee premiers, een partijvoorzitter en Europees commissaris, en een voorzitter van het Vlaams Parlement. Wie niet beter weet, moet wel verwachten dat de generatie 2016, gezien de ruime attentie die ze van de journalisten krijgt, het nog honderd keer beter zal doen.

Over de parlementsverkiezingen van 10 maart 1974 begonnen de dagbladen pas enkele weken voor de stembusgang zachtjesaan te berichten. Een krant als De Standaard bracht zelfs toen niet eens elke dag electoraal nieuws. De campagne voor de verkiezingen van 13 juni 2004 is daarentegen al een paar maanden bezig. In de eerste helft van januari, vijfentwintig weken voor de komende dag des oordeels, verschenen al iets meer dan honderd artikels waarin 13 juni een rol speelt. Sommige titels liegen er niet om. In Het Nieuwsblad van 9 januari: "Verkiezingskoorts steekt de kop op". Het Belang van Limburg op 10 januari: "Verkiezingen: eindsprint is ingezet". En VTM bracht op 9 januari warempel het eerste verkiezingsdebat met de partijvoorzitters.

Het evenwicht tussen de politieke betekenis van een persoon of een gebeurtenis en de media-aandacht ervoor is zoek. Als Bert Anciaux in november 2002 zijn nieuwste boek presenteert, zijn er vijf cameraploegen en een veelvoud van journalisten aanwezig. Wie heeft er sindsdien van de publicatie, De verrijkte samenleving, nog gehoord? Van figuren als Hugo Coveliers en Jean-Marie Dedecker, veredelde backbenchers van een partij die nog geen kwart van de kiezers achter zich heeft, is elke zucht een interview waard. Over Dyab Abou Jahjah en zijn AEL is soms bericht alsof de islamitische revolutie voor de deur stond. De recente botsing tussen Guy Verhofstadt en Karel De Gucht is in honderdduizend woorden en klanken in beeld gebracht. En in de aanloop naar het proces-Dutroux heeft de lezer/luisteraar/kijker wekenlang een waar bombardement ondergaan. Alleen al in de Vlaamse dagbladpers zijn in de maand februari bijna zeshonderd artikels verschenen, gemiddeld vijfentwintig per dag. In De Morgen, bijvoorbeeld, vierenveertig keer met dank aan Douglas De Coninck, negentien keer via de pen van Cathy Galle en vijftien keer met de hulp van Anne de Graaf. Overkill? Ik geloof van wel. Ook al is de zaak-Dutroux een politiek dossier van eerste rang. Hoe komt het overigens dat De Standaard en De Morgen in de val van de overdosis zijn gerold en Het Laatste Nieuws niet? Waarom de VRT wél en VT4 niet?

Ik herlas Vlaamse kranten van de maand maart uit 1964, 1974 en 1984. Het contrast met vandaag is aanzienlijk. Binnenlandse politiek komt in die jaren wel aan bod, maar mondjesmaat. In 1964 gaat het dan nog overwegend om berichten die regering en partijen de wereld insturen. Tien jaar later is er nauwelijks meer aandacht voor de nationale politiek, al duiken de eerste interviews met en grote foto's van politici op. Ook in maart 1984 staat de rem nog op. Op de dijkbreuk is het wachten tot in de jaren negentig. Peter Van Aelst en Kristel Van Mierlo van de UIA hebben veel systematischer dan ikzelf in de achteruitkijkspiegel gekeken. Zij gingen na hoe De Standaard en Het Laatste Nieuws tussen 1958 en '99 omgingen met nieuws over politiek België. Hun bevindingen zijn verschenen in het vaktijdschrift Res Publica (2003/4). Ik citeer: "In De Standaard van 1958 was er naast de voorpagina telkens één pagina binnenlands nieuws voorhanden, in 1999 ging het gemiddeld om bijna vier pagina's, met meer en vaak ook grotere artikels gewijd aan politiek. Bij Het Laatste Nieuws tekent deze toename zich minder af, en is er sprake van een wat grilliger verloop van het aandeel binnenlands nieuws." In de audiovisuele media is de groei van de politieke berichtgeving nog groter. De daarvoor beschikbare zendtijd is toegenomen. Zo zijn er op Radio 1 eenentwintig journaals per dag, naast programma's als Voor de dag en Actueel. Televisiezenders brengen meer duiding en tonen politici en politiek bovendien in talkshows en spelprogramma's.

Dat alles doet een merkwaardige paradox ontstaan. De laatste dertig, veertig jaar is de macht van onze politieke klasse erg aangetast. De verhuizing van bevoegdheden naar de Europese Unie is een belangrijke, maar zeker niet de enige vorm van drainage. Net nu krijgen onze politici meer media-aandacht dan ze ooit gehad hebben. Hoe komt dat toch?

Pas vanaf de jaren tachtig is het in de schrijvende pers gewoonte geworden om de producent van een artikel te identificeren. Eerst gebeurt dat met initialen. Later staat de naam er voluit bij, soms zelfs prominent onder de titel. In de audiovisuele media treedt de individuele journalist nog sterker op de voorgrond. Hij is ankerman, zij ankervrouw van het nieuws. Of hij/zij is de specialist van de Wetstraat, van Dutroux, noem maar op. Van die ontwikkeling profiteren ook de mensen van de krant. Yves Desmet is een vaste gast in VTM-programma's. Collega's van hem zijn geregeld te zien in De zevende dag. Sommige journalisten zijn nu hele of halve BV's. Die status verplicht hen om continu over hun terrein te rapporteren. Vandaar die vele berichten over de dagelijkse dosis onheil in de politiek. Soms schrikken ze er zelf van. Zoals Bart Sturtewagen deed in De Standaard van 18 februari 2004: "Voor het kleine Wetstraat-wereldje en een paar duizend nieuwsomnivoren zijn het gouden tijden. Het houdt maar niet op. De peiling die de kaarten herschudt, de leiderschapssaga in de VLD, de scheuring van Groen!." En wat verder: "Waar gaat dit in godsnaam nog over? En hoe komt dit hele circus over bij degenen die slechts van op grote afstand het politieke theater gadeslaan?" Toch draaien de journalisten in dat circus mee. De vraag of de consument al dat nieuws, bijvoorbeeld over de broederstrijd tussen De Gucht en Verhofstadt, wel lust, lijkt niet aan de orde. In DM Boeken van 25 februari 2004 bespreekt Walter Pauli over drie volle bladzijden een nieuwe publicatie over de dood van koning Albert I. Hij vindt het boek maar niks. Het artikel eindigt met een paar intrigerende zinnen: "Nogmaals: waarom krijgt zo'n slechte publicatie zoveel aandacht? Wel, wij - pers, publiek - vreten tegenwoordig alles, als het maar spectaculair klinkt en we een zogezegd 'gezagsargument' hebben om ons achter te verschuilen." Pers? Ja, nu en dan toch. Maar het publiek? Soms heb ik de indruk dat de kloof tussen journalist en de bevolking even groot is als die tussen politicus en burger.

De opmars van de televisie levert een tweede verklaring. De kranten van 1974 en 1984 waar ik het daarnet over had, laten goed zien dat de schrijvende pers geleidelijk meer over politiek begint te praten naar aanleiding van iets wat op het scherm is vertoond. Vlak voor de verkiezingen van 10 maart 1974 titelt De Standaard: "BRT-studio navelstreng van verkiezingsnacht". Op 12 maart brengt de krant een artikel over 'de vedetten van de verkiezingsshow' met vijf grote foto's. Dat is het begin van een veel ingrijpendere ontwikkeling: een quote van een politicus op radio of televisie leidt in de kranten tot een beschouwing of een nieuwe uitspraak, wat dan weer extra zendtijd oproept. Of vice versa. Een sneeuwbaleffect dat wel eens een nieuwslawine veroorzaakt.

De beroepspolitici zul je daarover niet echt horen klagen. Zij hebben de aandacht van de journalisten broodnodig. In die zin is de paradox waarover ik sprak inderdaad een schijnbare tegenstelling: precies omdat zij macht verloren hebben, zoekt de politieke klasse het licht van de media. De perceptie die zo ontstaat, camoufleert gedeeltelijk de realiteit. Op dat vlak zijn pers en politici dus gelukkig getrouwd. Het zal ook wel geen toeval zijn dat veel vaker dan vroeger perschefs van partijen of ministers in een parlement of executieve gaan zitten: Guy Vanhengel, Miguel Chevalier, Bart Somers, Bart Tommeleyn en Ludo Van Campenhout bij de VLD, Philippe De Coene bij de SP.A, Els Van Weert, Koen T'Sijen en Stijn Bex bij Spirit. Zij hebben hun mediatraining al achter de rug voor ze een mandaat opnemen. Dat komt goed van pas.

Belangrijker nog is wat de 'vermarkting' van het nieuws is genoemd. In Koppen van 17 februari 2004 zond TV 1 Dutroux, een tijdsdocument uit. Daarin zegt Jean-Denis Lejeune, de vader van Julie, dat Dutroux een product is geworden. Een product dat doet verkopen. Blijkbaar is tien, vijftien jaar geleden in redacties en commerciële directies de indruk ontstaan dat ook berichtgeving over de vaderlandse politiek goed verkoopt. Vandaar was het slechts een kleine stap naar meer. En naar wat vermarkting altijd meebrengt: concurrentie, competitie en opbod. De gevolgen daarvan zijn niet mis.

Uiteraard zitten er aan deze evolutie positieve kanten. In het Vlaanderen van de jaren zestig en zeventig was er gewoon veel te weinig politieke berichtgeving. Bovendien is de deugdelijkheid van wat de media brengen over het algemeen veel hoger dan vroeger. Wie degelijke informatie wil, moet niet lang zoeken. De invloed daarvan op de kwaliteit van de democratie is onmiskenbaar. Er zijn ongetwijfeld journalisten die zich daarvan zeer bewust zijn en het liefst omzichtiger met het nieuwsaanbod zouden omgaan. Hoor ik hen zeggen dat de concurrentiedruk een ommezwaai momenteel onmogelijk maakt?

Dat de politicus een verhandelbaar product op de mediamarkt lijkt te worden brengt ook risico's mee. De groeiende invloed, op de politiek, van de technische en commerciële logica die vandaag eigen is aan persorganen is er een van. Wie goed wil verkopen moet het product zo aantrekkelijk mogelijk maken. Dat betekent: grote nadruk op de persoon van de politicus, spreken over de politiek als een arena, berichten met de snelheid van een clip.

Rapporteren over de politiek via verhalen over de individuele politicus ligt in de lijn van de wetmatigheden van de moderne verslaggeving. Mensen laten zich beter dan ideeën en standpunten in beeld brengen. Dat geldt zeer zeker voor de televisie. Yves Desmet heeft gelijk: "Televisie is in wezen niet echt geschikt om bijzonder ingewikkelde verhalen uit te leggen" (DM 2/3/2004). Daar, maar daar niet alleen, is de focus op de mens achter de politicus een uitweg. Van Aelst en Van Mierlo schrijven dat 'personality politics' ook in de schrijvende pers aanwezig is. Krantenkoppen verwijzen vaker naar de mensen van de politiek. Ook foto's zijn een handig instrument: de pasfoto's uit de jaren vijftig zijn nu vervangen door beelden "... die tot een vierde van de (voor)pagina vullen. Theo Lefèvre vierde zijn overwinning bij de verkiezingen van 1958 in De Standaard met een foto van 3 bij 5 centimeter, Verhofstadt kreeg veertig jaar later het twintigvoudige toebedeeld." Bovendien levert de politicus als persoon nieuws dat heel geschikte ingrediënten bevat: gevoelens, karaktertrekken, woede, tranen bij winst en verlies, maar ook weetjes over partner en kinderen. Nogmaals Van Aelst en Van Mierlo: "Voorlopig is dit soort berichtgeving verre van dominant, maar de outing van politici als mensen van vlees en bloed heeft allicht zijn hoogtepunt nog niet bereikt. Media en politiek zijn op dit vlak immers bondgenoten in de strijd om zoveel mogelijk kijkers of kiezers aan zich te binden." De persoonlijkheid van een politicus weegt ongetwijfeld zwaar op wat er in de politiek omgaat. Daarom is informatie over die kant van de bewoners van de Wetstraat bijzonder nuttig. Maar als die invalshoek overheerst, dreigen belangen en belangengroepen in de schaduw te blijven.

Onthullend schrijven over politici is bij ons pas in de vroege jaren tachtig doorgebroken. Trendsetter was Hugo de Ridder. Eerst in zijn De keien van de Wetstraat (1983), maar vooral in Geen winnaars in de Wetstraat (1986). In dat laatste boek is politiek geen Chinees schimmenspel. De politici spreken "... niet de taal van het gezag, die de indruk wekt dat er of niets is gebeurd, of iets wat voor de burgerij misschien van belang is, maar tevens te moeilijk", zoals de Nederlandse journalist Henk Hofland ooit schreef. Neen, ze slaan wit uit van woede, praten met tranen in de stem, schieten in een koude colère. Zo wil De Ridder het ook: "Dit relaas heeft geen historische, wel diepmenselijke pretenties. De historicus zou de depressie van Karel Van Miert verzwijgen, de ontroering van Willy Claes niet zien, de twijfels van Frank Swaelen verhullen, de irritatie van Leo Tindemans begraven, de ambitie van Mark Eyskens negeren, de faalangst van Wilfried Martens niet ontdekken." De Ridder wil de politieke besluitvorming reconstrueren in "een soort docudrama". Zo is het dus allemaal begonnen.

Politiek is oorlog, of toch bijna. Die indruk krijg je toch als je ziet hoe in mediaberichten sprake is van open conflict en felle competitie, van broederstrijd en vadermoord. Vaak valt het licht dan op de personen die het gevecht het best belichamen. Als het eventjes kan, is er rapportage in termen van een tweekamp. (Nu en dan doet de gebruikte terminologie vermoeden dat een bericht in de sportredactie is ontstaan.) Eén aspect van het politieke leven wordt zo erg uitvergroot. Dat moet problemen geven. Politiek is strijd, maar ook zoeken naar een vergelijk. Productieve compromissen zijn moeilijker te vinden als journalisten via hun fixatie op het conflictuele hindernissen opwerpen. (Soms leidt de zucht naar oorlogsnieuws tot amusante voorvallen. Ivo Belet had nog maar net de redactie van Terzake ingeruild voor een plaatsje in CD&V of zijn Stevaert-vriendelijke uitspraken in Humo keerden zich, na journalistieke detectie van conflictstof, tegen hemzelf. Van hetzelfde laken een pak?)

Een paar weken geleden vroeg de VTM-nieuwsredactie me om in een interview aan te geven hoe de zaak-Dutroux de kwestie van de politieke verantwoordelijkheid had beïnvloed. Was men, bijvoorbeeld, nog altijd zo happig om ministers meteen te ontslaan? Interessant thema, dat wel. Maar bij navraag bleek dat de zender twee quotes van twintig seconden nodig had. Zo gaat dat nu. Van journalisten wordt op de mediamarkt verwacht dat zij ons dag na dag (in momenten van opwinding uur na uur) informeren. Elke hapering in de nieuwsstroom wordt afgestraft. De boodschappen dienen daarenboven kort en krachtig te zijn. Vandaar de voorliefde voor de politicus of de waarnemer die aan de lopende band oneliners levert. En als de aandacht van de consument toch dreigt te verslappen kan wat verbale krachtpatserij (tijdelijk) helpen: dan verschijnen uitdrukkingen als 'de moeder van alle verkiezingen', 'het proces van de eeuw' en, met het oog op de Europese verkiezingen, 'de clash der titanen'. Zo werkt een democratie echter niet. Daar is twijfelen, nuanceren, afwachten van groot belang.

Dat alles weegt op de beeldvorming die de politiek ondergaat. Er is de laatste maanden herhaaldelijk geklaagd over de bemoeizucht van de overheid. Zij zou ons via tientallen geboden en verboden het leven zuur maken. Dat is gesneden brood voor tafelspringers als Jean-Marie Dedecker, die in De Standaard bijna een hele bladzijde mocht vullen met zijn jeremiades. Ik heb mijn twijfels. De totale regeldruk die op de mens weegt, is hoogstwaarschijnlijk afgenomen. Familie, buurt en de kerk dicteren minder dan vroeger wat mag en wat niet mag. Wellicht geldt dat eveneens voor de overheid in haar rol van regisseur. Alleen is er ook hier uitvergroting door de pers. Als Patricia Ceysens decreteert dat bedrijven meer groen in de werkruimten moeten aanbrengen komt zij daarmee uitgebreid in de krant en op het scherm. De zichtbaarheid van regels, niet hun aantal, lijkt me verhoogd te zijn. (Trouwens, België is een land van straffe strafwetten die evenwel dikwijls geen uitvoeringsbesluiten krijgen. Vaak zijn het papieren tijgers.)

Betwistbare beeldvorming is er ook inzake opiniepeilingen. Ik citeerde hier al Bart Sturtewagen. Hij heeft het over een peiling (van De Standaard en de VRT) die "de kaarten heeft herschud". Dat is een grove overschatting van wat dat instrument de facto waard is. Jaak Billiet, dé expert ter zake, toonde in De Tijd van 3 januari 2004 nog maar eens aan hoe discutabel dergelijke prognoses zijn. De krant zelf sprak in de titel van het interview met Billiet van "de zwendel met opiniepeilingen". Die enquêtes kosten geld, veel geld. Dat moet renderen, vandaar de neiging om het werkelijkheidsgehalte ervan te overdrijven. Sturtewagen heeft wel niet helemaal ongelijk. Politici, schreef zijn krant op 17 februari 2004 heel bescheiden, kijken elke keer weer met een klein hartje uit naar de resultaten: "Want een peiling - zeker degene die wordt georganiseerd door De Standaard en de VRT - zet vaak heel wat in beweging". Of hoe ook hier de perceptie de realiteit creëert.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234