Dinsdag 12/11/2019

De poëzie van Miriam Van hee & Leonard Nolens zet tijd en ruimte op losse schroeven

Het verrassende is dat de poëzie van Miriam Van hee geen melancholie oplevert, maar lichte hoop

Leonard Nolens & Pat Donnez lezen voor uit hun werk. Kurt Van Eeghem leidt de dichters in.

1 november, 17,30 uur, Retorica.

Wat is tijd? En wat is ruimte? Het zijn kwesties die Miriam Van hee en Leonard Nolens elk op hun manier in hun nieuwe bundels aan de orde stellen.

Door Paul Demets

Buitenland is niet alleen de titel van Van hee's nieuwe bundel, maar ook van de laatste afdeling. Daarin lezen we: 'stel je voor dat er diep binnenin je/ een buitenland ligt, dennen,/ sneeuw en barakken, land/ zonder bodem, je haalt het niet op// stel je voor dat de tijd niet bestaat/ en jij wel nog.' Er zijn dan, schrijft Miriam Van hee verderop in de cyclus, 'onvoorstelbare dingen gebeurd/ eilanden kwamen als wrakhout terecht/ in de zee en daar drijven ze nog/ op zoek naar een vroeger verband'. En dat is het buitenland dat ze bedoelt: alles is losgeslagen. Van hee zet tijd en ruimte op losse schroeven. Het verrassende van deze bundel is dat dit geen melancholie oplevert, maar lichte hoop.

Heel wat gedichten gaan expliciet over herinneringen. Van hee gelooft niet in de verwisselbaarheid van ruimtes. Want als iemand in het openingsgedicht opmerkt 'het is hier als elders, in polen of/ oostenrijk', gaan haar gedachten naar concrete plekken in het ouderlijke huis. En ze concludeert dat taal de tijd kan opheffen ('je schreef wat je hoorde/ in schriften, met woorden/ heb je de tijd zoekgemaakt'), zodat het verleden en het heden één moment tijdens de herinnering over elkaar lijken te schuiven. Taal kan hoop opleveren, omdat die zich in een andere tijdsorde bevindt, suggereert Van hee in het gedicht 'woorden', waarin ze het droombeeld oproept van haar ouders die 'zwijgend en groot, met donkere ogen' naar haar kijken door een bevroren raam. Later, in een bestaan zonder haar, leest iemand de brief die zij schrijft: 'zonder hen, woorden vond men,/ mooie woorden van lente, van dooi.'

De werkelijke tijd is niet te meten. Van hee beschrijft het zo, in het slotgedicht van de eerste afdeling, op het einde van een situatieschets waarin zij en haar geliefde afscheid van gasten nemen: 'er is geen einde en geen begin/ wij lossen niet op, wij kunnen niet schuilen/ wij horen ergens, dichtbij, een krekel/ begint met zijn lied, haperend eerst, dan dapper/ en onverstoord, we vinden hem niet/ maar we zoeken, we zoeken.'

In de tweede afdeling, 'De zin van wandelen', laat zij tijd en ruimte thematisch langs elkaar lopen. Een beklimming die ervoor zorgt dat je intens met de tijd omgaat, levert deze hoopvolle gedachte op: 'zo kwamen wij ooit in de tijd/ terecht, moe en bevrijd en zonder/ gedachten, wij hadden geluk,/ wij werden verwacht.' Miriam Van hee heeft met Buitenland aan haar oeuvre vol stilte een mooie bundel toegevoegd die de lezer op een heldere, onopvallend muzikale manier evenveel moed doet vatten als de wandelaars die zij beschrijft.

Al meer dan tien jaar lang schrijft Leonard Nolens aan de bundel Bres. Zijn vijf vorige bundels bevatten telkens een afdeling met die titel. Nu hebben die delen elkaar eindelijk gevonden. Het is een onmogelijke onderneming. Want probeer maar eens je eigen bestaan en in één moeite ook de twintigste en een stuk van de eenentwintigste eeuw in één bundel te vatten. Het kan niet anders dan dat zo'n titanenwerk Bres heet. De dichter slaat een gat in zijn binnenwereld en gaat op in wat daarbuiten is. Dat levert een papieren paspoort vol krassen in het eigen bestaan op. En in dat van ons, want Nolens maakt gul van de wij-vorm gebruik. 'Het is moeilijk te zeggen, moeilijk/ Te achterhalen wanneer onze reis is begonnen' opent de eerste afdeling, 'Vlees in uniform is volautomatisch'. Daarin wordt in de wij-vorm een groep vluchtelingen beschreven. Er is sprake van de vijand in het hoofd. Maar nergens wordt die geconcretiseerd, zodat de situatie een algemeen geldend karakter krijgt, typisch voor deze bundel. In het slotgedicht van deze afdeling luidt het dan ook: 'Maak van ons geen mens en geen verhaal.' We lezen een soort allegorie van de twintigste eeuw en van deze tijd. En we leren nooit uit onze fouten: 'Onze doorgeleerde mond is een vergissing/ of een gissing, en ons axioma luidt:/ Wij weten niets. Wij weten niets./ Dat leren wij de kinderen op school.'

Nolens schakelt zijn dichterlijke ik in een groter geheel in. Dat doet hij bijvoorbeeld in de tweede afdeling, 'Wij weten om te beginnen van geen begin'. Nolens heft ruimte en tijd op door in zijn herinnering te proberen terug te keren: 'Wij weten niet wat ik mij aandoe vandaag/ Door langzaam terug te gaan./ Ik weet niet wat ik ons aandoe vandaag/ Door langzaam terug te gaan naar mijn toekomst van toen.'

De bundel mondt uit in de afdeling 'Het is een prachtig boek', even dwingend en daarom voor mijn part tijdloos als de 'Nu nog'-gedichten van Hugo Claus. Het mooiste, intiemste en tegelijk alles en iedereen omvattende boek laat zich ongetwijfeld nooit schrijven ('Het is een prachtig boek/ Dat ik pen, dat ik ben, dat ik nooit/ Zal kennen. Geen doek dat hier valt./ Geen mens die dat boek ooit kan schrijven.). Maar wat een dichter, zeg.

Miriam Van hee

Buitenland

De Bezige Bij, Amsterdam, 45p., 15 euro.

Leonard Nolens

Bres,

Querido, Amsterdam, 103 p., 16,95 euro.

Nolens' gedichten vormen een soort allegorie van de twintigste eeuw en van deze tijd. En we leren nooit uit onze fouten

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234