Maandag 21/09/2020

De ploert in de politiebaas

Hij joeg de homoseksuelen op, J. Edgar Hoover, maar had zelf een clandestiene vriend. Hij had banden met de maffia en was raciaal vooringenomen. In zijn boek Official and Confidential schetste Hooverbiograaf Anthony Summers destijds al een ontluisterend beeld van de man die van 1924 tot 1972 directeur van de FBI was. Nu Clint Eastwoods J. Edgar in de zalen komt, met Leonardo DiCaprio in de hoofdrol, acht hij het moment rijp om het beeld nog wat scherper te stellen.

J. Edgar Hoover is een fenomeen. Hij was de eerste directeur van de FBI, en vervulde die functie 48 jaar lang, van 1924 tot zijn dood in 1972. De baan maakte hem bekend en verschrikkelijk machtig. Na zijn dood noemde president Richard Nixon hem in het openbaar "een van de reuzen... een nationaal symbool van moed, patriottisme en granieten oprechtheid en integriteit". Nixon gebood de vlaggen halfstok te hangen en zijn lichaam bij te zetten in het Capitool.

Maar privé reageerde Nixon toen hij op de hoogte werd gebracht van zijn dood alleen maar: "Jesus Christ! That old cocksucker!" Een paar maanden eerder had hij op een bijeenkomst met zijn belangrijkste adviseurs nog de nood benadrukt om de oudere Hoover tot ontslag aan te zetten. "We hebben hier te maken met een man die de hele tempel zal meesleuren in zijn val, mij incluis."

Nixon, die snel daarna in ongenade zou vallen en tot ontslag werd gedwongen, was natuurlijk zelf geen toonbeeld van deugd. Maar ook de meeste presidenten voor hem hadden redenen te over om Hoover te vrezen of zich zorgen te maken over wat er geworden was van de FBI. Harry S. Truman schreef tijdens zijn presidentschap: "We willen geen Gestapo of geheime politie. De FBI neigt in die richting. Ze houden zich bezig met seksschandalen en je reinste chantage... Edgar Hoover heeft zijn rechteroog veil om het over te nemen, en alle Congresleden en senatoren zijn bang voor hem."

Hoover had ondertussen een persoonlijk geheim, dat hem destijds had kunnen vernietigen als het uitkwam. Clint Eastwood verwees ernaar bij de lancering van zijn film, toen hij de J. Edgar Hoover Foundation verzekerde dat J. Edgar geen "openlijk homoseksuele relatie zou portretteren" tussen Hoover en zijn mannelijke levensgezel Clyde Tolson. Eastwood overdreef enigszins. Ook al toont de film maar één passionele kus tussen DiCaprio en Armie Hammer, de twee acteurs die hen vertolken, toch is de relatie met Tolson een centraal thema in de film.

In werkelijkheid wist heel Washington dat het paar dagelijks samen dineerde, samen op vakantie ging, kortom zowat alles samen deed behalve samenwonen. Hun relatie ging dan ook over de tongen. Toen een magazineartikel in de jaren '30 verwees naar zijn 'nuffige' manier van stappen en een diplomaat commentaar gaf op zijn 'opvallend parfum', sloeg Hoover terug. Hij verzamelde compromitterende info over de irritante journalist, en beweerde - onterecht - dat hij geen parfum gebruikte.

Kussen en kontgraaien

Tastbare informatie over de relatie tussen Hoover en Tolson kwam pas boven water lang na hun dood, tijdens research voor mijn boek.

Een verrassende vondst was het verhaal van Luisa Stuart, toen een gevierd model, die ik had opgespoord omdat ze te zien was op een grappige foto van Hoover en Tolson tijdens een nieuwjaarsavond ergens in de jaren dertig in de Stork Club - destijds de plek om gezien te worden in New York. Op de foto houdt Hoover zijn handen in de hoogte terwijl Stuart hem 'bedreigt' met een speelgoedgeweer.

Later die avond, in het duister van een limousine nadat ze de club verlaten hadden, herinnerde ze zich: "Ik merkte dat ze de hele tijd elkaars hand vasthielden. Ze zaten daar gewoon te praten en hielden elkaars hand vast... Ik was zo jong, en dat waren andere tijden. Ik had nog nooit twee mannen gezien die elkaars hand vasthielden."

Joseph Shimon, ex-politie-inspecteur in Washington, herinnerde zich een incident waarbij een taxichauffeur had gemeld dat het paar "aan het kussen en kontgraaien" was geweest tijdens een taxirit. Harry Hay, stichter van de eerste Amerikaanse homorechtengroep, herinnert zich een vakantie in Californië: in een "gezelschap zonder mensen die niet homoseksueel waren ging iedereen er van uit dat ze minnaars waren".

In de film van Eastwood zit ook een bizarre scène waarin Hoover na zijn moeders dood een van haar jurken aantrekt. Die speelt in op de beweringen die ik als eerste meldde dat hij zich soms als vrouw verkleedde. Ik kreeg die informatie van drie bronnen. Twee mannen zeiden dat in 1948 een "goed herkenbare" foto van Hoo- ver in avondjapon circuleerde in het homomilieu. En een ex-vrouw van een miljonair vertelt dat ze eind jaren '50 aanwezig was op geheime seksfeestjes. Hoover, zei ze, "was gekleed als een flapper (een jong meisje, red.).'

Bill Clinton, die als president in 1993 twijfelde over wie hij moest benoemen als nieuwe FBI-directeur, vond de travestieverhalen hilarisch. "Het zal niet gemakkelijk worden", grinnikte hij tijdens een speech op een persconferentie, "om iemand te vinden die in de muiltjes van J. Edgar Hoover kan treden". Dat ik zulke beweringen publiceerde, maakt echter tot vandaag woedende reactie los bij oude Hooveraanhangers.

Andere verhalen over de vermeende seksuele activiteiten van de directeur hadden hem zeker in de vernieling gewerkt als ze bekend waren geworden, op voorwaarde dat ze kloppen natuurlijk. De voormalige FBI-inspecteur en vertrouweling Jimmy Corcoran zei jaren later dat een jonge Hoover hem destijds gevraagd had om een "ernstig" probleem op te lossen. Hij was op een reis naar New Orleans gearresteerd wegens zedenfeiten, waarbij ook een jonge man betrokken was. Corcoran, die hooggeplaatste contacten had in de staat, zei dat hij tussenbeide kwam om de kwestie toe te dekken.

Daarnaast wordt ook beweerd dat Hoover in 1969, toen hij de 70 al gepasseerd was, geflikflooid had met tienerjongens tijdens zijn gebruikelijke zomervakantie in Californië. Dat verhaal werd enigszins bevestigd door Don Smith, een agent van de zedenpolitie in Los Angeles, die me vertelde over ondervragingen die hij deed met jongeren in de loop van een pedofilieonderzoek. "Die gasten", zei Smith, "kwamen met verscheidene bekende namen aanzetten, waaronder die van Hoover en zijn gabber."

Persoonlijkheidsstoornis

Voor mij was de meest betekenisvolle, geloofwaardige informatie over de seksuele geaardheid van Hoover de vaststelling dat hij een tijdlang op consultatie ging bij Marshall de G. Ruffin, een eminente psychiater uit Washington. De weduwe van De Ruffin herinnerde zich dat haar echtgenoot haar had verteld dat zijn hooggeplaatste patiënt "duidelijk problemen had met zijn homoseksualiteit". Na een paar sessies werd Hoover echter "heel paranoïde; hij wilde niet dat iemand erachter kwam dat hij een homo was, en werd bang". Alsof hij wilde compenseren, begon Hoover andere homo's aan de schandpaal te nagelen. Jarenlang moesten zijn agenten homorechtengroepen infiltreren en in het oog houden. Intussen liet hij zich publiekelijk uit over "andersgeaarden in overheidsdienst".

Mijn conclusie na vijf jaar onderzoek was dat Hoover, hoewel hij bijna zijn hele leven lang zijn privéverlangens onderdrukte en een imago opbouwde van het summum van seksuele zuiverheid, toch af en toe een 'misstap' beging - telkens met mogelijke catastrofale gevolgen. In de informatie die ik verzamelde, valt de getuigenis van twee eminente specialisten in de psychiatrie en psychologie op. Volgens hen was de gewrongenheid omtrent zijn seksuele geaardheid cruciaal voor het machtsgebruik en -misbruik van Hoover als nummer één van de Amerikaanse ordediensten.

Volgens dr. John Money, professor medische psychologie aan de Johns Hopkins University, moest Hoover "continu andere mensen vernietigen om zichzelf in stand te houden. Hij slaagde erin met dat conflict te leven door anderen de prijs te doen betalen."

Dr. Harold Lief, emeritus professor psychiatrie aan de University of Pennsylvania, kwam tot het besluit dat Hoover "leed aan een persoonlijkheidsstoornis, een narcistische afwijking met gemengde obsessieve kenmerken... paranoïde elementen, onterechte verdenkingen en een beetje sadisme. Een combinatie van narcisme en paranoia veroorzaakt wat bekendstaat als een autoritaire persoonlijkheid; Hoover was een perfecte topnazi geweest."

Presidentiële ambities

De acht decennia van Hoovers leven vertellen hun eigen verhaal. Al tijdens zijn tienerjaren richtte hij zijn gedachten op thema's die die tijd kenmerkten. In de discussiegroep van zijn school trok hij van leer tegen vrouwenstemrecht en tegen de afschaffing van de doodstraf. Hij kon er niet tegen tweede te worden. Toen zijn vader geestesziek werd, vertelde een nicht me, "kon Hoover dat niet aanvaarden. Hij kon niets aanvaarden wat imperfect was." Een ander familielid zei: "Ik heb soms gedacht dat hij echt bang was om te persoonlijke relaties te hebben met mensen." William Sullivan, een dichte medewerker van Hoover bij de FBI, dacht dat zijn baas "voor niet één mens iets van affectie voelde".

Hoover begon voor het Bureau te werken - het was toen nog gewoon het Bureau of Investigation (het woord 'Federal' werd er pas in de jaren dertig aan toegevoegd) - toen in Amerika de eerste grote angst voor het communisme ontstond, en selecteerde als zijn assistent een man genaamd George Ruch. Ruch, een van twee medewerkers die hun eigen zoon J. Edgar noemden, vond het ongehoord dat linkse mensen "zomaar alles wat bij hen opkwam mochten zeggen en schrijven". Een geliefkoosde aanpak van Hoover en Ruch was mensen wegvoeren alleen maar omdat ze lid waren van een radicale organisatie.

Hoover werd nooit lid van een politieke partij en beweerde dat hij "niet politiek" was. Maar privé gaf hij toe een fervente, levenslange aanhanger van de Republikeinse partij te zijn. Hij had stiekem de ambitie ooit president te worden, en overwoog het op te nemen tegen Roo- sevelt, die hij verdacht links vond. Hoover sprak publiekelijk zijn steun uit voor senator Joe McCarthy, kort voor McCarthy beweerde dat het departement Buitenlandse Zaken van Truman onderdak gaf aan 200 leden van de communistische partij. Zijn agenten stopten de senator dossierstukken toe om te gebruiken bij zijn beruchte inquisitie, hoewel hij dat publiekelijk ontkende.

'Anarchistische elementen'

Dat Hoover gunstig werd onthaald als chef van de FBI was gedeeltelijk terecht. Hij mestte het Bureau uit, dat vooral bekendstond om corruptie en inefficiëntie, en loodste een politiekorps binnen dat synoniem stond voor integriteit. Een veteraan definieerde de ideale nieuwe agent als een man die "de grootse middenklasse" vertegenwoordigde, "die altijd goed eet en zich goed kleedt, maar die nooit die glimmende Packard zal kopen of dat luxehuis. Hij is met lichaam en ziel gebonden aan het Bureau."

Hoover introduceerde moderniteit en samenwerking in een slecht georganiseerde instelling. Hij bouwde de eerste vingerafdrukkenbank uit, en zijn Identification Division zou uiteindelijk onmiddellijke toegang bieden tot vingerafdrukken van 159 miljoen mensen. Zijn Crime Laboratory werd het meest geavanceerde ter wereld. Hij creëerde de FBI National Academy, een soort West Point (militaire academie, red.) voor toekomstige elitekrachten binnen het politieapparaat.

Best positief allemaal, maar de Division 8 van Hoover, eufemistisch getiteld Crime Records and Communications, had een heel eigen missie. Crime Records verspreidde propaganda die niet alleen een beeld ophing van de FBI als een organisatie die het opnam voor wat juist en goed was, maar de leider zelve ook uitriep als de grote voorvechter van een rechtssysteem dat het opnam tegen 'moreel verval' en 'anarchistische elementen'. Hoover gebruikte het departement om de notie te prediken dat politiek links verantwoordelijk was voor alle kwaad, gaande van zedenverwildering tot misdaad.

Crime Records portretteerde Hoover als de onverschrokken gesel van de misdaad. In de film J. Edgar wordt veel aandacht besteed aan zijn rol bij de opsporing van de moordenaar van de zoon van vliegenier Charles Lindbergh. In werkelijkheid werd de zaak echter opgelost door een ander federaal agentschap, hoewel Hoover zich voordeed als de Sherlock die de speurtocht leidde. Ook bij de strijd tegen de typische bandieten van de jaren dertig - zoals Bonnie en Clyde, Machine Gun Kelly, John Dillinger en Alvin Karpis - hing Hoover een fout beeld van zichzelf op. Hoover zette zichzelf in het zonnetje toen de schurken gedood of gearresteerd werden, en was jaloers en rancuneus toen een van zijn beschermelingen de aandacht kreeg.

Zwarten en de maffia

Op het einde van Eastwoods film leest Hoovers partner Clyde Tolson een tekst voor die Hoover net geschreven heeft over zijn leven en zijn carrière. Hij merkt verwijtend op dat het een hoop leugens zijn. Zo'n tekst heeft nooit bestaan, maar de dialoog is relevant. In het verhaal van Hoover gaat het constant over feit versus verzinsel, waarheid versus flagrante leugen of zelfmisleiding.

Hoovers publieke politieke ideeën omtrent ras zijn die van de typische zuiderling, de paternalistische blanke autochtoon. Maar off the record was hij raciaal vooringenomen. Hij had geen interesse voor de problemen van zwarte Amerikanen, en beweerde dat die buiten zijn rechtsgebied vielen.

"Ik ga er de FBI niet op af sturen", herinnerde een functionaris van het ministerie van Justitie zich een van zijn uitspraken, "telkens als een negerin zegt dat ze verkracht is." FBI-agenten besteedden meer tijd aan onderzoek tegen zwarte militanten dan aan de vervolging van de Ku Klux Klan.

In de jaren zestig sloofde Hoover zich enorm uit om aan te tonen dat Martin Luther King en zijn beweging onder communistische controle stonden. Toen een onderzoek alleen tot de vaststelling kwam dat King seks had met andere vrouwen dan zijn echtgenote, deden FBI-werknemers hun best om hem te 'neutraliseren' door gevoelige informatie te lekken naar de pers.

Toen de mensenrechtenleider de Nobelprijs voor de Vrede kreeg, was Hoover razend. Toen duizenden mensen rouwden om de moord op King, ging Hoover naar de paardenraces. Hij probeerde later te verhinderen dat de verjaardag van King een nationale vakantiedag werd.

Dat speelde zich allemaal af tegen een persoonlijke achtergrond waarvan weinigen zich vandaag bewust zijn - het gerucht dat Hoover zelf zwarte voorouders had. Op vroege foto's heeft hij licht negroïde trekken en opvallend weerbarstig haar. Roddels van dat slag waren toen legio in Washington en Hoover moet zich er van bewust geweest zijn, of ze nu klopten of niet. Was het angst die hem influisterde zich zo te gedragen jegens zwarten? Net zoals hij uithaalde naar homo's terwijl hij volop worstelde met zijn eigen seksuele geaardheid?

Research over die seksuele invalshoek kan ondertussen misschien verklaren waarom Hoover niet handelde op een moment dat de georganiseerde misdaad begon op te komen in Amerika en daadwerkelijk bestreden kon worden. De man die roem vergaard had omdat hij de bankovervallers en bandieten van de jaren dertig onschadelijk had gemaakt, stond toe dat de maffia floreerde.

Aanvankelijk, in de aanloop naar de Tweede Wereldoorlog, leek het erop dat Hoover de maffia aan banden zou leggen. Maar abrupt haalde hij de druk van de ketel. In de jaren vijftig werkte hij actief het Kefauver Committee tegen, dat tot het besluit kwam dat er inderdaad een "landelijk misdaadsyndicaat (bestaat) dat bekendstaat als de maffia". Niet waar, zei Hoover. Toen een rapport van zijn eigen agenten in 1958 ook gewag maakte van een reële maffia-aanwezigheid, deed hij dat af als 'onzin'. Het FBI zou pas heel laat in actie schieten, in de jaren zestig, op aansturen van minister van Justitie Robert Kennedy.

Voormalige topmensen uit de administratie, onder wie drie voormalige justitieministers en verscheidene assistent-directeurs van het FBI, konden niet verklaren waarom Hoover weigerde op te treden tegen de georganiseerde misdaad. "De houding van Hoover", zei Neil Welsh, een voormalig leidinggevende van de politie die zich uiteindelijk onderscheidde in de strijd tegen de maffia, "was zo in tegenstrijd met de werkelijkheid dat er reden was om je daar ernstige vragen bij te stellen."

Hoover zelf, zo is nu duidelijk, had contacten met leden van de georganiseerde misdaad en hun partners in omstandigheden die het voor hen mogelijk - en zelfs waarschijnlijk - maakten op de hoogte te zijn van zijn seksuele voorkeur.

Meer dan één topgangster beweerde dat de organisatie Hoover in de tang had. Meyer Lansky, de medeoprichter van het syndicaat, had naar verluidt "foto's van Hoover in een soort homoseksueel tafereel", en een medewerker citeerde Lansky die zei dat hij "die klootzak te grazen had". Carmine Lombardozzi, die bekendstond als 'de Italiaanse Meyer Lansky', zei: "We hebben J Edgar Hoover in onze zak."

Chantage was een tactiek die ook werkte voor Hoover in zijn omgang met politici. De titel van mijn biografie over hem, Official and Confidential, is afgeleid van de naam van een dossierbestand dat zich in de vergrendelde kasten in het kantoor van Hoover bevond.

Een officiële telling na zijn dood bracht aan het licht dat de directeur 883 dossiers over senatoren had en 722 over Congresleden. Vele documenten werden versnipperd na de dood van Hoover, maar degene die het overleefd hebben spreken voor zich.

Een voorbeeld uit een rapport uit 1959:

Geachte heer Hoover,

U bent wellicht geïnteresseerd in de volgende informatie... (Naam niet vrijgegeven) (zegt) dat ze de middag van 3 juni 1959 heeft doorgebracht met senator (naam niet vrijgegeven) in zijn privékantoor. Ze zei ook dat ze seks had met de senator in de namiddag "op de zetel in het kantoor van de senator..."

Hoogachtend,

James H. Gale, dienstdoend speciaal agent

Zulke verslagen werden gebruiken om politici te manipuleren. Hoover had ze misschien nodig voor fondsen, om politiek gewicht in de schaal te werpen, of om onderzoek tegen te houden omtrent operaties die hij liever geheim hield.

Een medewerker van de Democratische senator Edward Long moest onder ede beschrijven wat er gebeurde toen Long een hoorzitting voorbereidde over de FBI. Een hooggeplaatste medewerker van Hoover daagde op, en het gesprek ging als volgt: "Senator, ik vind dat u dit dossier moet lezen dat we over u hebben. U weet dat we dit nooit zullen gebruiken, want u bent een vriend van ons. We vinden alleen dat u moet weten wat zoal verspreid kan worden en heel schadelijk kan zijn voor u. Ze gaven hem de map. Long las het een paar minuten lang. [Toen] gingen ze weg. Al wat ik weet, is dat we toen het bevel kregen het FBI-onderzoek stop te zetten."

Hoover snuffelde niet alleen in het leven van politici maar in dat van alle functionarissen, laag en hoog, rechters bij het Hooggerechtshof - minstens twaalf - en zelfs presidenten. Hij stelden dossiers op over schrijvers, acteurs, over elke burger op wie zijn kwaadaardig oog viel. Velen vreesden wat de directeur had gevonden - of hij compromitterende info over hen had of niet.

Tijdens zijn leven ontkende Hoover keer op keer dat zulke 'geheime dossiers' bestonden. Minister van Justitie Laurence Silberman, de eerste persoon die de geheime dossiers van Hoover kon inkijken na zijn dood in 1972, dacht daar anders over. "J. Edgar Hoover", vertelde hij me, "was als een riool die smeerlapperij verzamelde. Ik ben er nu van overtuigd dat hij de slechtste ambtenaar is uit onze geschiedenis."

De directeur kwam ruimschoots weg met zijn uitspattingen. Hij werd overladen met eerbetuigingen. Zelfs vandaag nog, ondanks de lelijke waarheden die aan de oppervlakte zijn gekomen sinds zijn dood - een officieel onderzoek kwam tot de vaststelling dat hij persoonlijk corrupt was - roept het bord tegen de gevel van het FBI-hoofdkwartier in Washington nog uit, in gouden letters, dat het het 'J. Edgar Hoover Building' is.

"De Amerikaanse samenleving", mijmerde dr. Lief, die vindt dat de feiten aangeven dat Hoover een perfecte topnazi was geweest, "heeft een vreemde gepolariseerde houding tegenover haar helden. Enerzijds vinden de mensen het heerlijk dat hun idool op wankele benen staat, dat de beroemde man ook gebreken heeft. Anderzijds halen ze de held niet graag van zijn sokkel. Een bizarre, gevaarlijke contradictie."

© Anthony Summers

Anthony Summers is de auteur van acht non-fictieboeken. Het recentste is The Eleventh Day, over 9/11. Een nieuwe editie van Official and Confidential: The Secret Life of J. Edgar Hooveruit 1993 komt deze maand uit. De film J. Edgar komt op 11 januari in roulatie.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234