Woensdag 30/11/2022

De plaats waar alles altijd anders is: het bed

Atte Jongstra en het tirannieke verlangen op te gaan in een ander

door Marc Reugebrink

Atte Jongstra

Querido, Amsterdam, 187 p., 750 frank.

Met het werk van Atte Jongstra had ik tot voor kort niet zo veel op. Hoewel zijn romans en verhalen vol stonden met bizarre kronkels, goocheltrucs, hersengymnastiek, zijpaden en dwaalsporen, met alles wat in literatuur voor vuurwerk kan zorgen, wisten ze me maar niet te boeien. Het vuurwerk kwam niet van de grond, werd als het ware nat gehouden door een literatuuropvatting, een filosofie, die aan het schrijven vooraf leek te gaan.

"We kunnen maar één ding doen," schreef hij in zijn roman Het huis M. (1993), "verwoorden wat in ons hoofd opkomt. Dat is werkelijkheid, dat is natuur (...). We bestaan, in ons eigen blikveld." Als filosofie is daar weinig tegen in te brengen. Er is geen 'echte' werkelijkheid buiten dat wat je verzint. Maar die opvatting krijgt pas betekenis wanneer onze ideeën en concepten op de grenzen van de praktijk stuiten, dat wil zeggen op de (evenzeer verzonnen) werkelijkheid van anderen tussen wie we leven, een werkelijkheid die ons mede, en misschien zelfs voor het grootste deel bepaalt. Daar ontstaat de wrijving waar literatuur het mijns inziens van moet hebben, daar krijgt de eigen werkelijkheid ook niet zelden een tragische dimensie.

Jongstra ging in zijn eerdere romans die confrontatie steeds uit de weg. Hij hield met de ander en de anderen geen rekening, wat aan zijn boeken iets solipsistisch gaf. Hier zat iemand zich geweldig te amuseren met zichzelf, met zijn eigen niet te loochenen spitsvondigheid ook, wat hem natuurlijk van harte gegund was, maar mij ging het niet aan.

Met Disgenoten (1998) leek Jongstra een andere weg in te slaan. De zelfverzekerde redenaar die in deze roman aan het woord is en als twee druppels water lijkt op de al evenzeer van zichzelf overtuigde vertellers uit het eerdere werk, wordt op zeker ogenblik het zwijgen opgelegd. Het andere en de anderen dringen zijn leven binnen, verstoren de alleenspraak, en prompt begint alles te schuiven, te schuren en te schrijnen. De breuk tussen eigen verzinsels en die van anderen komt in het centrum te staan, de onbepaalde ruimte die ieder mens zou willen, maar nooit volledig kan bezetten.

Die breuk wordt misschien het scherpst ervaren tegenover die ene andere, de geliefde. Dat begint al met de erkenning dat de geliefde een ander is, iemand die zich op de meest onverwachte en dus vaak ook meest ongelegen momenten kan onttrekken aan het beeld dat we ons van hem of haar hadden gevormd - en op die momenten kan een hele wereld instorten, kan alles opeens totaal anders zijn dan men altijd dacht. In Jongstra's nieuwste roman, Hudigers Hooglied, balanceert men permanent op de rand van die instorting.

Hudiger is iemand die, letterlijk door een lot uit de loterij, rijk genoeg is geworden om de rest van zijn leven te rentenieren. Samen met zijn vrouw, Rosa, kocht hij een huis in een Frans dorpje "en kon (hij) zich eindelijk uitsluitend wijden aan wat hij altijd had gewild: opgaan in een ander", in Rosa. Hudigers idee van liefde heeft van meet af aan mystieke trekken, en Jongstra refereert in het boek - waarvan iedere hoofdstuktitel een citaat uit het Hooglied is - ook volop aan christelijke symboliek: er is een kruisbeeld, een appelboom (die door de bliksem wordt vernield), Rosa noemt hem soms zelfs spottend Christus.

Maar voor Hudiger is het verlangen volledig in Rosa op te gaan een fysieke zaak. "Niks spirituele oefening, geen uittreding, zielsvereniging of ander geestelijk wonderwerk. Elke keer als hij intrad bij zijn vrouw, als hij uitvloeide, wilde hij verder, dieper, (...) met huid en haar." De christelijke symboliek is zo beschouwd zelf een metafoor voor, zou je kunnen zeggen, een meer heidens verlangen dat door het christendom niet wordt vervuld: niet naar een engelachtige, hemelse staat, maar naar het aardse, naar de natuur. Het lijkt in het licht van de bestaande ideaalbeelden van liefde (die onder meer door het bijbelse Hooglied gestalte hebben gekregen) een nobel streven, waarin Hudiger zich volledig lijkt te richten op wat zijn vrouw wil zonder van haar iets anders te eisen dan dat ze bij hem blijft. Dat laatste wijst er al op dat het om iets anders dan nobelheid gaat. Op de bodem van Hudigers verlangen schuilt angst, de angst voor zelfverlies, de angst niemand te zijn zelfs. "Wie hem vroeg wat hij was zag hem lang nadenken, op vragen wie hij was reageerde hij met 'moet je mijn vrouw vragen.' Heel laconiek schijnbaar, voor wie de paniek in zijn ogen ontging kon het een grap zijn." Maar het is geen grap. Rosa moet hem bestaan verlenen, en zo bezien eist hij van haar juist het onmogelijke.

"Je sluit me op, ik zit in een gevangenis," reageert Rosa dan ook, en dat hij niet zo op haar moet letten, en: "Ik pas ervoor te zijn, zoals jij mij droomt." In eerste instantie slaan deze opmerkingen op Hudigers jaloerse uitbarstingen wanneer Rosa met andere mannen flirt, en spreken ze de wens uit vrijer te worden gelaten. Maar zoals onder Hudigers ogenschijnlijk niets eisende houding een onmogelijke eis schuilgaat, zo schuilt onder Rosa's wens vrij gelaten te worden het verlangen naar meer begrenzing. Hudigers opvatting van de liefde verhindert hem zichzelf te laten zien en ontneemt zo Rosa de mogelijkheid hem lief te hebben. "De man op wie ik viel was uit één stuk (...). Maar de laatste tijd lijk je wel een buiger, een vent van elastiek, van kauwgom. Daarbij dat hele verhaal over in mij op te gaan - irriteert me mateloos." Hudiger veroordeelt haar tot zichzelf.

Het is in dit heen en weer van tegenstrijdige verlangens, in ieder afzonderlijk en ten opzichte van elkaar, dat Hudiger zijn Hooglied schrijft, of liever: niet schrijft, want het bestaat uit het celebreren van de momenten waarop die onbepaalde ruimte tussen de ficties van de één en die van de ander de vorm aanneemt van "die ene plaats waar alles altijd anders was: het bed" - dat waarover nauwelijks iets te zeggen valt omdat het de ervaring zelf is. En hoewel men die momenten met de juiste 'techniek' nog een aardig tijdje kan rekken, eeuwig worden ze nooit. Omne animal post coitum triste.

Nog steeds is bij Jongstra de werkelijkheid enkel wat in ons hoofd opkomt. Alleen stoot men in deze roman juist daarom voortdurend zijn hoofd, aan dat van de ander en de anderen. Want behalve de op en neer golvende liefdesgeschiedenis van Hudiger en Rosa is dit ook een roman over de intrede van twee van oorsprong Amsterdamse eigenheimers in een Franse dorpsgemeenschap. Ook op dat vlak: botsingen en kortsluitingen, maar eindigend in een knallend vuurwerk rond de eeuwwende waarin Rosa en Hudiger even, een paar vuurpijlen lang, deel zijn van een geheel.

'Niks spirituele oefening, geen uittreding, zielsvereniging of ander geestelijk wonderwerk. Elke keer als hij intrad bij zijn vrouw, als hij uitvloeide, wilde hij verder, dieper, met huid en haar'

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234