Vrijdag 16/04/2021

De piranha van de onrust

Op een paar maanden na waren ze even oud, ze woonden een tijdlang in hetzelfde land en blijken beiden in 1964 in de letteren te zijn gedebuteerd. Toch had Jeroen Brouwers nog nooit van Maria Messens gehoord. Toen hij toevallig een roman van haar in handen kreeg, ging hij op zoek naar de vrouw achter de naam.

Portret door Jeroen Brouwers

Op het versleten vloerkleed, uitgespreid over de straatklinkers, stond tussen de afgeleefde rotzooi een doos met boeken. Daar hurkte ik illusieloos bij neer, zoals men illusieloos toegeeft aan iedere verslaving: de kater en ontnuchtering zijn er van meet af aan bij inbegrepen. In zo'n doos oud papier op de rommelmarkt, waaruit de lijklucht je tegemoet walmt, zit nooit de schat waar de boekenfreak en literatuurfanaat tegen beter weten in op blijft hopen. Ik was dan ook al bezig weer overeind te komen, toen op het laatste moment een van de boeken aan mijn hand bleef plakken. Letterlijk: het cellofaan rondom het omslag was zweterig geworden in de middaghitte en zoog zich als een klamme stroopkorst aan mijn vingers vast.

Een uitgave van Davidsfonds Leuven uit 1976. Ettelijke stempels op titelblad en elders bewijzen dat het deel heeft uitgemaakt van de Keurbibliotheek, Sint-Jansplaats 8 in Brugge. Volgens een andere stempel, vijf maal op verschillende pagina's aangebracht, heeft deze leesinstelling de uitgave op zekere dag met de vuilnisboer meegegeven, wat zij bekrachtigde met het hatelijke woord 'afgevoerd'.

Een korte roman in fors lettertype, voorzien van de mededeling "Dit boek ontving in 1974 een premie vanwege de provincie West-Vlaanderen". Titel: Sibylle, of de radeloosheid. Auteur: Maria Messens.

Nooit van gehoord. En waarom ik de marchand het geldstuk van geringe waarde overhandigde dat hij voor het lorrige drukwerk verlangde, weet ik niet meer. Ik nam Sibylle mee naar huis, begon het boekje te lezen, maar verloor halverwege mijn belangstelling en geduld.

In het tweede supplement van het Lectuur Repertorium (1980-'81) vond ik sub Messens, Maria Rosa, de verwijzing naar het eerste supplement (1968-'70) van dit overbevolkte mausoleum van onbekenden en vergetenen. Daar komt zij voor onder het pseudoniem Elsy van Dam, schrijfster van Glissando: "een poëtisch verhaal naar aanleiding van een reis naar Italië". De Repertorium-redacteur voorzag het zuinigjes van het commentaar: "Schijnt een belofte in te houden". Het naslagwerk, overigens het enige waarin ik Maria Messens/Elsy van Dam heb aangetroffen, bevat een portret op pasfotoformaat van haar: bolwangig, donkerogig, vrolijk lachend, halverwege de twintig.

Een Vlaamse schrijfster van een klein oeuvre, geboren in Brugge, waar ze haar leven lang is blijven wonen. Lerares Engels aan een rijksschool in Tielt. Het Repertorium vermeldt als haar geboortedatum 13 september 1940. De computer van het Archief en Museum van het Vlaamse Cultuurleven in Antwerpen produceert het jaartal 1939, dat correct blijkt te zijn en overeenkomt met het officiële gegeven van de burgerlijke stand van Brugge. De computeruitdraai van het Archief en Museum verschaft de geïnteresseerde speurder de verzekering dat zij van Maria Messens "Documenten, Knipsels, Foto's" bezit, doch diepere navorsing wijst uit dat er behalve wat krantenknipsels van recensies niet één ander document noch één foto voorhanden is. De schrijfster overleed in haar geboortestad op 29 augustus 1989.

Dat ik nooit eerder van Maria Messens had gehoord, verbaasde me. Op een paar maanden na was ze even oud als ik, ze woonde in hetzelfde land als waar ik me had gevestigd, ze blijkt, net als ik, in 1964 in de letteren te zijn gedebuteerd. Ik werkte vanaf 1964 twaalf jaar bij de Brusselse uitgeverij Manteau, waar ik stoeten schrijvers heb ontmoet en zoveel verhalen en roddels uit het literaire wereldje heb gehoord, als er grassprieten groeien op een voetbalveld. Maria Messens: kennelijk een grasspriet buiten de witte lijnen. Zoals iedere beginnende schrijver was ook ik vurig nieuwsgierig naar de literaire ambities en prestaties van andere beginnende schrijvers van mijn eigen leeftijd, omdat te vermoeden viel dat zij en ik nog decennia met elkaar te maken zouden hebben, deelnemend aan de marathon naar de Nobelprijs. Maria Messens: kennelijk sprintte ze niet mee, of op verkeerde schoenen en met een enkelblessure ergens in de achterhoede. En daarnaast ben ik sedert mijn zestiende een verwoed uitknipper, verzamelaar en archivaris van alles wat ik aan Nederlandstalige literatuur tegenkom: tegen alle wanden van mijn schrijfsmidse staan thans de kasten met enige duizenden op auteursnaam gerubriceerde mappen, die samen naar bescheiden schatting zo'n half miljoen knipsels herbergen. Maar tussen de mappen 'Merwe, Jaap van de' en 'Mesterom, Harry' geen dossier 'Messens, Maria'. En tussen 'Dam, Chantal van' en 'Dam van Isselt, Edmond Willem van' geen Elsy.

Wie was zij, de schrijfster van het boek dat zich op een toevallige datum en plaats aan mijn vingers had vastgehecht, alsof het nadrukkelijk om mijn aandacht vroeg?

Haar eerste publicatie in boekvorm, de novelle Glissando, onder de deknaam Elsy van Dam, verscheen in de reeks 'Noorderlicht' van uitgeverij Desclée de Brouwer, Brugge-Utrecht, in 1966. De voorflap vermeldde: "Elsy van Dam, 26, debuteert hiermee officieel, na het zowat clandestien publiceren van gedichten en korte teksten in jongerentijdschriften." Hieruit moet de redactie van het Lectuur Repertorium hebben geconcludeerd dat iemand die in 1966 zesentwintig jaar was, in 1940 moet zijn geboren.

Van die clandestiene jeugdpublicaties vooralsnog geen spoor, maar Elsy van Dam kwam in ieder geval eerder, in 1964, voor in een Doorzicht geheten bloemlezing, samengesteld en ingeleid door Ernest Schepens. Ook daarin een foto met zonnige lach van de beginnende schrijfster, het donkerblonde haar geschikt tot een hoog opgetaste tulband. De pueriele wartaal waarmee zij zichzelf introduceerde, de regels verknipt en gerangschikt als in een gedicht, luidt zo:

"Elsy van Dam houdt vooral van houden van, van gekke, afschuwelijke, verrukkelijke dingen, van mensen vol grapjes in een lief hart; haar korte verhalen om een embryo-ik, een meisje, ontvankelijk tot het onwaarschijnlijke toe, verraden háár niet; sedert 1958 studeert zij Moderne Talen; zij woont te Brugge, sedert haar ge- boortedag, een gelukkige september- vrijdag, de dagwijzer wees dertien."

Om het publiek te laten geloven dat ze voor het eerst het licht aanschouwde op een omineuze vrijdag-de-dertiende, om daarmee misschien te suggereren dat haar leven vanaf het begin door het dreigende fatum werd beheerst, had ze kalenderfraude moeten plegen. In haar geboortejaar 1939 viel 13 september niet op een vrijdag, wel in 1940.

De bloemlezing Doorzicht (uitgave van een obscuur Oswald van Schamphelaere-fonds) bevat werk van Vlaamse schrijvers van "ongeveer allemaal vijfentwintig jaar", zoals de inleider toelicht. Een kenmerk van deze tekstenverzameling, aldus dezelfde, was "dat branie vermeden wordt": "Gekunsteldheden, alles wat maar enigszins zweemt naar opstandigheid, die zich uit in het absoluut willen verstoren van de brave burger, wij zouden bijna durven zeggen de show- en circusmethodes zijn dan ook volledig afwezig."

Vijfentwintig jaar zijn en niet dampen van opstandigheid tegen de brave burgermaatschappij? Zelden een futlozere anthologie onder ogen gehad dan Doorzicht, waaruit heden nog kan worden besloten dat het dringend tijd werd voor provo, de opstand, de brand in de braafheid. Van driekwart van de erin opgenomen schrijvers stelde ik opnieuw vast dat hun namen (Roger Struyve, Onno Bornig, Jo Stevens, C.L. Kruithof, Robert d'Usmeth, Margo) mij totaal niets zeiden. Andere namen (Jan de Roek, Annie Reniers, Johnnie Verstraete) deden niet meer licht dan dat van een snel weer uitdovend fietslampje in mijn hersens aangloeien. De enige bekend geworden debutant in het boekje blijkt Ludo Abicht te zijn, zij het evenmin als alle anderen in de dicht- en/of romankunst, maar als strijdvaardig filosoof met een omvangrijk, flamboyant, belangrijk oeuvre. Aan Ernest Schepens' inleiding gaat een aan hem gerichte korte brief van Paul de Wispelaere vooraf, die aantoonbaar wanhopig moet zijn geweest dat hem op die manier zoiets als het patronaat over de kudde in de schoenen werd geschoven. "Nieuwe schrijversnamen" bevatte Doorzicht in ieder geval, merkte hij op, maar waren in hun werk ook "nieuwe geluiden" te beluisteren en kon de bloemlezing wel gelden als de introductie van "een nieuwe generatie", zoals die zich pleegt af te tekenen met tegendraadse tijdschriften en manifesten en met degengevechten met ideologische of esthetische beginselen? Vermoeid besloot hij zijn brief met de vaststelling dat de bloemlezing "een mooie kans (was), een risico, een teerlingworp, een vraagteken, een daad van geloof en bevestiging: voor de uitgever, de samensteller, de vertegenwoordigde auteurs en de lezers, is ze in wisselende verhoudingen dat alles tegelijk." En ja, natuurlijk was het ook "een teken van het nooit stagnerende creatieve leven". Amen.

Elsy van Dams debuut in Doorzicht bestond uit zeven gedichtachtige teksten en een verhaalachtige tekst. Zij schreef geen gedichten, maar tot korte zinsfragmenten gemutileerd proza, welke tekstsliertjes, onder elkaar geplaatst, het grafische beeld van een gedicht opriepen. Enige letterlijke of gesuggereerde mededeling viel er overigens niet uit te begrijpen. In haar proza vond het omgekeerde plaats: daar plakte ze de sliertjes achter elkaar zodat het grafische beeld van een volzin ontstond. Waarschijnlijk was het haar intentie "dichterlijk" proza te schrijven, waartoe ze haar zinnen oppompte met beelden en vergelijkingen in tamelijk machteloze, woorddronken zegging. Uit 'Een dwaalspoor', het verhaal dat ze in Doorzicht publiceerde: "Hoe raak ik ooit die onrust kwijt, die vertwijfeling, die wrange draden hoop in mijn (sic), dat nijdig verlangen naar een roekeloos geluk, een radeloze vreugde waaraan het leven in mij als dartele dieren langs de heuvels rent in vlugge uren, schichten aan de tijd, of zacht vervloeit in brede dagen, helder als de gulp van een bron aan de lage oever van een meer."

Iedere schrijver heeft recht op een mislukt debuut, ook het mijne was het tegendeel van briljant. Over mijn eerste boekje in de officiële letteren, even machteloos en woordbaldadig, schreven de heren critici toen, die het vrijwel eensgezind op honend gefluit en boegeroep onthaalden, absoluut niet wat ze over Elsy van Dams boekdebuut Glissando nog wel schreven: dat het een belofte scheen in te houden dus. Ook Elsy's boekje vond bij de heren en dames recensenten uiterst geringe waardering en toch, en tóch, wie weet, viel er in de toekomst misschien nog iets van de beginnelinge te verwachten. Anne Dellart in Nieuwe stemmen (oktober-november 1966): "nog te vaag, te weinig persoonlijk gestempeld, te onvolgroeid als stem om reeds voorspellingen te maken aangaande de schrijfster. Krediet echter niet geweigerd."

Glissando wordt verteld door een Elina geheten ik-personage met liefdesverdriet. Zij is reisleidster op een toeristische bustrip van een internationaal gezelschap dat door Frankrijk heen op weg is naar Alassio. Nu en dan treurt ze om haar geliefde, Melvyn, die haar heeft afgewezen vanwege haar karakter: ze is te onzeker, en gedraagt zich als een zichzelf ingeslikt hebbende hysterica. Het verhaal bestaat uit vrijblijvende beschrijvinkjes van wat het langsglijdende uitzicht biedt, soms regent het. Dialoogje hier, meestal in het Engels, kopje koffie of "een wijntje" daar, lunchen op terrasje, overnachten in hotelletje, etcetera, alles vluchtig, alles glissando, kabbelend als "golfjes van voorbijstromend bewustzijn". Om Melvyn te vergeten probeert Elina iets met een Poolse jongen, dan met een Catherine, vervolgens met een Chinese jongen, maar het blijft bij onrust, hunkering, vergeefsheid.

Anne Dellart verweet de schrijfster dat ze te veel toegaf "aan het verbale", dat evenwel "soms zeer poëtisch" mocht worden genoemd. Ook R. Bobine gewaagde in Lektuurgids (nummer 1-2, 1967) van "soms sterk getinte poëtische taal". De recensent van Boekengids (oktober 1966): "En toch zweeft er door dat vrij korte verhaaltje een poëzie die niet alledaags is (maar vraag me niet wáár!)."

Na Glissando, eindigend met de woorden "door ellende overmand", verdween Elsy van Dam voorgoed achter de coulissen. Vijf jaar later trad Maria Messens eruit te voorschijn met een roman, Murrath (Orion/Desclée de Brouwer, 1971). Foto achterplat: een aardige jonge vrouw, het haar nog steeds in een bewerkelijke constructie boven op haar schedel gestapeld, de mond in een vriendelijke lach, waaraan ook de grote donkere ogen meedoen. Een open, gezond gezicht, Maria moet gelukkig zijn geweest ten tijde van dit portret. Op de tweede pagina van de roman introduceert het schrijvende personage, Gianna heet ze, zich als volgt: "Ik kapte me op precieuze wijze, bedacht: dit blonde hoofd, deze ogen als kastanjes, dit is het meisje Ik." Geschetst naar het beeld en de gelijkenis van Maria Messens? Deze Gianna leest het dagboek van haar overleden hartsvriendin Murrath en wordt er zo door geïntrigeerd dat ze zelf ook een dagboek begint, waarin ze dat van Murrath becommentarieert. Deze overpeinzingen groeien uit tot haar eigen levensverhaal, aanvankelijk nuchter en zakelijk van toon, maar die wordt naarmate ze vordert meer en meer een imitatie van de gezwollen, barokke, overladen en vermoeiende vertelstijl van Murrath. Beide dagboeken schuiven in elkaar tot één egodocument, zoals ook de gestorven en nog levende dagboekschrijfster gaandeweg tot één en hetzelfde personage lijken te vervloeien.

Het door Murrath in haar dagboek genoteerde relaas komt min of meer overeen met dat van Elina in Glissando. Ze maken een vakantiereis door het buitenland: Murrath, haar oom en twee Schotse neven. De conversatie vindt plaats in het Engels. Murrath wordt verliefd op een van de neven, een melancholisch kunstenaarstype dat haar niet tot zijn gevoelsleven toelaat. Op zeker moment zegt hij tegen haar: "Ik zal je tooien als Ophelia", waarna het aldus aangekondigde zich prompt voltrekt: Murrath begaat zelfmoord door verdrinking, zoals Hamlets geliefde. Terwijl Gianna bezig is dit alles te lezen en van haar eigen uitleggingen te voorzien, ontmoet ze Marten, de tweelingbroer van Murrath, ze kende hem al van voor het drama. Tussen beiden bloeit de grote liefde open, resulterend in de geboorte van een zoon. De dagboekenvervlechting eindigt met de vaststelling: "het is een vreemd, zeer vreemd verhaal geworden, ik weet niet eens waar het begint." Murrath, waarvan Glissando de ouverture was, is meer dan het hier weergegeven geschiedenisje van liefde, dood en heropstanding, en meer dan het literaire vormexperiment waarin het gestalte heeft gekregen. Het is, met alle irritante tekortkomingen, Maria Messens' meest geslaagde werk en het lijkt mij het sleutelboek tot haar leven te zijn.

Maria Messens blijkt kort voor haar vijftigste verjaardag te zijn gestorven zoals haar personage Murrath: niet door verdrinking maar ten gevolge van een overdosis medicamenten. Toen ik dit, onlangs, te weten kwam, dacht ik aan het afgevoerde bibliotheekboek dat jaren geleden zo magisch-realistisch in mijn handpalm achterbleef. Ik vond het in mijn boekenkast terug tussen Tox van Paul Mennes en een bundeltje toneelstukken van Frans Mijnssen.

Erg veel is er niet over haar te vertellen. Personen die haar hebben gekend moeten diep nadenken om zich haar te herinneren en weten vervolgens niets relevants over haar te melden.

Ze was sedert 1977 commissielid van de Brugse Openbare Stadsbibliotheek, waarin ze adviseerde over aanschaf van Engelstalige literatuur. Haar belezenheid, vooral van de Angelsaksische en Franse letteren, haar brede culturele, artistieke belangstelling blijken op bijna iedere bladzijde van haar bescheiden oeuvre. De vergaderingen vonden plaats op de eerste woensdag van de maand in de hoofdbibliotheek aan het Jan van Eyckplein. In notulen vindt men haar naam terug, op sommige documenten haar handtekening, maar over haar persoonlijk lijkt niets te zijn overgeleverd. Jaar na jaar iedere maand deelgenomen aan een vergadering en daarna zogoed als geheel uit de herinnering van haar collega's verdwenen.

Ze was geruime tijd lid van de progressieve Brugse kunstvereniging Raaklijn, waar ze kennelijk altijd gesluierd in de schaduw heeft rondgelopen zonder ooit van zich te hebben laten horen: ook in deze kring zijn geen getuigenissen over haar. Te onzeker en verlegen, zoals Elina in Glissando, te wereldvreemd naïef zoals Murrath, zich afgewezen voelend zoals deze beide romanfiguren?

Ze was gehuwd met de drie jaar jongere vakgenoot in het onderwijs Gilbert Constant (geboren 7 mei 1942), met wie ze woonde aan de Woensdagmarkt nummer 9, bus 6, in Brugge. Op 6 oktober 1971, hetzelfde najaar dat Murrath verscheen, hing haar echtgenoot zich in dit huis op, negenentwintig jaar oud. Reden onbekend. Er waren geen kinderen, de weduwe is niet hertrouwd en bleef op hetzelfde adres wonen. Eenkennig, teruggetrokken, welhaast mensenschuw.

Een vroegere buurvrouw herinnert zich dat de lerares-schrijfster twee typemachines gebruikte: een voor haar lesvoorbereidingen en literaire werk, een voor haar minutieuze boekhouding van wat ze aan voedsel tot zich nam of juist niet, ze neigde naar anorexia. In latere jaren hield ze de fles permanent onder handbereik. Geruchten over ongelukkig verlopen lesbische relaties bleven zonder bevestiging, de saffische liefde is wel in haar romans aanwezig, verholen in Glissando en Murrath, zeer nadrukkelijk in Sibylle, of de radeloosheid.

Deze roman, vijf jaar na de dood van haar echtgenoot verschenen (niet meer bij Desclée maar bij het Davidsfonds) is het verslag van een nachtmerrie van een jonge naamloze vrouw, die in een crisistoestand met koorts in bed ligt. "Angsten, herinneringen en verlangens dringen zich in eindeloze associaties aan haar op", zo heet het in de gecursiveerde introductie. Constant terugkerende verschijning is de dood: van een grootmoeder, van een kind in haar vriendenkring, van een stier in een arena, van een soldaat die uit een raam te pletter stort, maar in overheersende mate toch die van Sibylle, haar geliefde. De roman begint met: "Sibylle is dood. Zij is begraven."

Zoals Gianna in Murrath haar dagboek schrijft om los te komen van haar boezemvriendin en gaandeweg het geluk vindt bij Murraths broer, zo verlangt de dromende vrouw in Sibylle, of de radeloosheid "Sibylle te vergeten en een nieuwe liefde te beleven, niet met een andere vrouw, maar met een man". In haar slaapvisioenen duikt wel een man op, met wie ze in een onwezenlijk Engels decor tot erotische extases komt, maar alles blijft wazig. In de vele hartstochtelijke herinneringen aan Sibylle komen eveneens plastisch getekende en ingekleurde liefdestaferelen voor, zodat een van de twee recensenten die de roman de moeite van het bespreken waard achtten, devoot noteerde: "Dit proza is verder gekenmerkt door een grote lichamelijkheid die zich op vele bladzijden laat gelden. Waarschijnlijk zullen er lezers zijn die worden gehinderd door vrijmoedigheid." (Remi van de Moortel in Gazet van Antwerpen, 1 september 1976) De andere merkte op: "Het verhaal speelt zich volledig af in een sterk erotische, soms nogal morbide sfeer." (Herwig Waterschoot in De periscoop, 26ste jaargang, nummer 7, 1976)

Dat "soms" had de criticus wel kunnen weglaten: het morbide aspect doorsijpelt de roman zoals grondwater een lijkkist in de diepe aarde. "Met navrante regelmaat", zoals de schrijfster zelf zegt, duiken voorstellingen op van de verschillende stadia van de fysieke ontluistering na de dood: hoe voltrekt zich de desintegratie van een lijk, hoe zou de begraven Sibylle er achtereenvolgens uitzien naarmate ze langer in haar graf ligt? Het verval van het lichaam begint al nog voordat de dode tussen de zes planken wordt gelegd: "de mond (wordt) met dikke proppen katoenvezels opgevuld om aan de invallende wangen een wat gave lijn te geven. (...) Met veel watten (wordt) de endeldarm getamponneerd; het geslacht met ondoordringbaar verband overplakt, linnen stukgescheurd tot smalle repen om het dan strak en zorgvuldig vast te spelden omheen die zone van het dode lichaam", enzovoort.

Eros en Thanatos, de schrijfster moet erdoor geobsedeerd zijn geweest. Liefde en de zo goed als onvermijdelijke vervluchtiging en totale verdwijning ervan, waarop men kan wachten zoals op de alles ontluisterende dood. Heeft de non die Sibylle heeft afgelegd "er zich van vergewist dat haar hymen geschonden was"?

Drie jaar later, Maria Messens werd veertig jaar, verscheen haar laatste roman, Relaties (Davidsfonds Leuven, 1979). Over drie zussen, Tessa, Kyra en Lotte, die om de beurt in korte hoofdstukjes over hun eigen en elkaars liefdes- en levensproblemen berichten. Tessa lijkt het meest op de schrijfster zelf: haar man is gestorven, zij is een in zichzelf gekeerde, gevoelige vrouw, aldoor mijmerend over het geluk van weleer dat haar is ontsnapt zoals de geest uit de fles, zij is verbitterd en zonder hoop op een nieuwe liefde. De twee andere zussen zijn afsplitsingen van personages uit Maria Messens' vorige romans: Kyra hengelt naar een minnaar op wie ze haar zinnen heeft gezet, maar die zich niet door haar laat inpalmen, Lotte droomt naar het zich laat aanzien even vruchteloos van een relatie met de man op wie ze sedert haar meisjesjaren verliefd is geweest. Naast deze besognes zijn de drie nog jonge vrouwen gemeenschappelijk bezorgd om de aftakeling van hun vader die zijn levenseinde nadert. Op de een na laatste bladzijde van de roman belt Kyra Lotte op, die in het buitenland verblijft. "Door de hoorn haar smartelijke stem: 'Papa... De nonnen leggen hem af... Je komt toch, Lotte? Kom terug!'" Bij de begrafenis van de vader denkt Tessa: "Niet ver hier vandaan ligt Vincent onder de aarde." Haar gewezen echtgenoot.

Rijkgevarieerd kan men de thematiek van het romanoeuvre van Maria Messens niet noemen, hetzelfde geldt voor haar stilistiek. Ze is altijd "poëtisch" dan wel "lyrisch" blijven schrijven, welke vaststelling in alle recensies terugkomt. "Verrukkelijk poëtisch proza"; "lyrische woordenberoezing"; "poëzie met zeer sterk evokatief vermogen". Niet alle critici brengen daar waardering voor op: het proza lijdt erdoor aan "overacting", is te "artistiekerig", te "vermoeiend", maakt de lezer "humeurig". Jo de Prins in Nieuwe stemmen (29ste jaargang, 1972-'73) gewaagde van "verbalisme van je welste, opgeprikte would-be poëzie, erg geforceerd en oervervelend op de duur". Ter adstructie leverde hij er dit voorbeeld bij, genomen uit Murrath: "(...) hij met wondere ogen, ik huiverend van vreugde, onderduikend in het zeewijde spel der beide ogen, wortelzoekend in de genadeloze glans van elke iris, in het gladde olijfblad van elke smalle wang, maar ik voel hoe mijn aandacht mij ontsnapt en eigenmachtig in mijn blik de verrukking van de dag beleven gaat in de vallei en langs de hellingen rondtolt, opwiekt, neerdwarrelt in de beddingen der kleuren, terwijl ik het besef krijg een fond voor mezelf te zijn, dit scherper tracht te hebben en niet hebben kan, los van de dubbelganger die mij steeds heeft bedreigd, weg uit de waanzin van het spiegelbeeld en zijn eeuwige reflektie die mij zoveel impulsen heeft ontfutseld, en nu ik onbesuisd uit mijn oude ik gedwarreld ben, lachend, dwepend, van mezelf houdend als van een nieuw en innig lied, ademhalend, neuriënd, dartelend, springlevend, lijkt het of Henry MacCrae de bolster heeft doen barsten, het bedrog heeft bedwongen, mij voorgoed voor het bederf heeft behoed en ik op vorstelijke wijze het floers heb afgegooid."

In verscheidene van haar romans komt de piranha terug als metafoor. Relaties: "De piranha van de onrust bijt mij in de navel." Sibylle, of de radeloosheid: "Je buik een warme wentelende massa, je dijen krachtig en aaneengesloten om de piranha te verschalken: de piranha in de aalfuik, gulzig, vraatzuchtig, genadeloos (...)." In al haar teksten is er sprake van onbeteugelbare onrust.

Er zijn hooguit twintig recensies van Maria Messens' romans gepubliceerd, doorgaans welwillend, soms lovend. Deze verschenen in Vlaamse kranten en tijdschriften, in Nederland is zij niet doorgedrongen. In recensies waarin Glissando werd besproken, gebeurde dit enige keren samen met het officiële prozadebuut van Jozef Deleu, De purperen jasmijn (1966). Murrath is meer dan eens gerecenseerd samen met Mirliton (1971), het debuut van Leo Pleysier. Twee namen die overeind zijn gebleven, terwijl de hare welhaast spoorloos in de kreukels van de Vlaamse letterengeschiedenis is zoekgeraakt, zoals daarin zoveel namen zijn weggezonken en nooit meer worden genoemd.

In 1977 verscheen er een overzichtsbloemlezing Vrouwen in Vlaanderen schrijven nu. Bij de persvoorstelling in Brussel werd een staatsiefoto gemaakt van al die vrouwen: de toenmalige minister van cultuur, Rita de Backer, omflankt door Vlaamse schrijfsters van toen: Irina van Goeree, Jet Falter, Lucienne Stassaert, Eugenie Boeye, Jet Jorssen, Monda de Munck, Lia Timmermans, Bertien Buyl, Daisy Ver Boven, Maria Jacques, Clara Haesaert, Maria Vlamijnck, Mireille Cottenjé, Ria Aerts, Alice Cant. Ik schrijf deze litanie van kleine talenten over ter schetsing van een tijdsbeeld en met in mijn hoofd het adagium uit de Schrift: dat velen zijn geroepen en slechts weinigen uitverkoren. Ergens op de achtergrond van dit tableau staat waarachtig ook Maria Messens, voor één keer het vertrouwde Brugge verlaten om naar Brussel te reizen, ongetwijfeld tot aan haar neustussenschot volgeplempt met onrustwerende middelen.

Er zijn twee gedichten van haar terug te vinden in het tijdschrift Kreatief (7de jaargang, nummer 1, 1973). Een daarvan, getiteld 'Gedicht', luidt zo:

de avond in dit abdijkoel huis rijpt als een najaar in elk raam de wanden lijken uitgehold in appel geurig bleek en onbeschrijflijk zacht daarbuiten wordt de stad een latex-stolp van huizen ze bewaren er voor morgen hun voosheid in hun korst het laat en aromatisch licht speelt amoureus in elke lijst en onverwacht duwt plots de nacht zijn sidderende weefsel in mij binnen

Van haar dood werd geen melding gemaakt in de kranten. Pas een jaar later verscheen in de Mededelingen van de Vereniging van Vlaamse Letterkundigen (juli 1990) een kort in memoriam door Hendrik Carette. "Maria Messens was een trotse verschijning. Ik herinner me nog hoe zij, hoog verheven op haar fiets, als een wereldvreemde vrouw door de straten van het toen nog stille Brugge reed. Zij was moeilijk te benaderen en haar eenzaam leven was een leven waarin de pompeuze zinloosheid, het futiele en de ondichterlijke ondiepten streng geweerd werden."

Haar overlijdensadvertentie in het Brugsch Handelsblad van 8 september 1989 vermeldt dat uitvaartdienst en teraardebestelling intussen "overeenkomstig haar wens in alle intimiteit" hadden plaatsgehad. De advertentie vermeldt geen sterfdatum, in het bevolkingsregister van Brugge staat 29 augustus 1989 genoteerd.

Zoals zij, door haar eigen toedoen, door het leven ging met een verkeerd geboortejaar, is ook de als officieel geboekstaafde datum van haar verscheiden onjuist, in zekere zin ook door haar eigen toedoen. 29 augustus was de datum waarop de politie, gealarmeerd door een vriendin, haar huisdeur forceerde en haar dood aantrof, de radeloosheid voorbij, de pillendozen leeggegeten. Hendrik Carette: "Haar lijk werd pas ontdekt na twee of drie weken." De hier eerder opgevoerde zegsvrouw stelde vast dat de typemachines van haar buurvrouw "zwegen" sedert 15 augustus, feest van de tenhemelopneming van de moeder van Christus, naar wie Maria ("Mieke") Messens was vernoemd.

Ze werd begraven op de Centrale Begraafplaats van de stad Brugge aan de Kleine Kerkhofstraat in Assebroek, in de schaduw van het praalgraf van Guido Gezelle. Haar graf is het nummer 1 in vak 55. "Niet ver hier vandaan ligt Gilbert onder de aarde": haar echtgenoot ligt in vak 57.

Uit de roman Murrath: "Misschien wou zij dat het niet enkel herinnering blijft. Misschien wou zij dat iets van haar zou blijven bestaan, al was het dan enkel haar verhaal."

Alle in dit portret gebruikte gegevens, geciteerde documenten, boeken en andere teksten werden mij bezorgd door Marnix Coppens. Ik dank hem hartelijk. J.B.

'Er zijn hooguit twintig recensies van Maria Messens' romans gepubliceerd, doorgaans welwillend, soms lovend'

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234