Zaterdag 10/12/2022

De piramide van de wereld

'Als ik iemand uitscheld, dan doe ik dat in twee zinnen. Waarom zou ik daar vijf jaar van mijn leven en een kwart miljoen woorden aan besteden?''Als de Taliban vrouwen kooien als nachtvogels, moet je dat tegen de achtergrond zien van een boek dat zegt dat God geen dochters kan hebben'

Bernard-Henri Lévy / Foto Hollandse hoogte met Salman Rushdie Op stap in Londen

Gedurende de negen jaar dat hij onder de bedreiging van een fatwa leeft, heeft Salman Rushdie door zijn schrijven weerstand geboden aan zijn aangekondigde dood. In Londen trok hij met zijn Franse collega Bernard-Henri Lévy en zijn bewaarengelen de stad in. Een opgejaagd man praat vrijuit over literatuur, over zijn clandestiene bestaan, over zijn afkeer van de politiek, over de dood van prinses Di en over het probleem van de islam. Portret van een schrijver die te alleen is om vrij te zijn.

Twee jaar lang heb ik hem niet gezien en Salman Rushdie lijkt jonger en slanker dan toen. Op zijn gezicht en in zijn stem ligt herwonnen vreugde. "Hoe is het ermee?" "Gaat wel. Het zou natuurlijk beter zijn zonder dat verdomde probleem van me. Maar het gaat wel. Ik leg nu de laatste hand aan een nieuwe roman. Dat is altijd een erg opwindend moment voor mij."

Zoals steeds heeft Scotland Yard onze afspraak vastgelegd in een hotel in het centrum van Londen. De twee lijfwachten zijn op de tweede verdieping achtergebleven, in het trapportaal. Heldenkoppen van John Le Carré, met ontvangertjes in de oren. Dit keer is het ritje op de veiligheidscarrousel me gelukkig bespaard gebleven. Voor het eerst werden mijn telefoontjes niet discreet onderschept, mijn kamer niet doorsnuffeld. Neemt de controle - en dus ook de druk op hem - af?

"Ja en nee. Denk maar niet dat het allemaal voorbij is nu. Mochten de Iraniërs me vinden, dan zouden ze me zeker doden. Weet je dat ze in enkele jaren tijd wel dertig valse diplomaten hebben aangehouden die de fatwa wilden uitvoeren? Onlangs nog..."

Hij zwijgt abrupt en zijn blik krijgt iets weerloos. Zijn glimlach is een tikje wantrouwend maar ook kwetsbaar. Ik moet denken aan wat ik die ochtend van een politieman heb gehoord: dat ze heel onlangs nog drie vermoedelijke doders hebben aangehouden en het land uitgezet; dat Salman nu weer om de week contact heeft met Interpol; dat hij nog altijd achternagezeten wordt, vanwege die enkele bladzijden in een schitterend boek - dat overigens alweer negen jaar geleden is verschenen.

Hij begraaft zijn handen diep in de zakken van zijn tweed jasje en vervolgens in het wollen vest, alsof hij het koud heeft. "Misschien is er toch wel iets veranderd," zegt hij, achterovergezakt in zijn fauteuil. "Ik heb een soort zesde zintuig ontwikkeld waardoor ik altijd, instinctief, weet wat ik wel en niet mag doen. Er verstrijkt geen seconde zonder dat die bedreiging door mijn hoofd spookt. Maar gelukkig besef ik automatisch wat oké is en wat niet. En ik schrijf ook nog. Momenteel ben ik volledig opgeslorpt door die nieuwe roman. Als ik daaraan werk, smaakt het leven helemaal anders. Maar wat drink je? Thee? Of heb je liever koffie?"

Hij kijkt samenzweerderig als hij het over de roman heeft die op stapel staat. Hij heeft het al vaker gezegd: ze hebben hem ter dood veroordeeld om hem te beletten nog te schrijven. Blijven schrijven is dus het beste middel om zich tegen de aangekondigde dood te verzetten.

"Weet je wat ik nog het ergste vind? Dat mensen totaal niet begrijpen hoe dat in zijn werk gaat, een boek schrijven. 'Hij wist waaraan hij begon', zeiden ze toen de fatwa werd uitgesproken, of: 'Hij heeft de moslims geprovoceerd met zijn verzen.' Maar ik heb er geen seconde aan gedacht een boek te schrijven om de moslims te beledigen. Als ik iemand uitscheld, dan doe ik dat in twee zinnen. Waarom zou ik daar vijf jaar van mijn leven en een kwart miljoen woorden aan besteden?"

Twijfelt hij zelf wel eens? Bevriest de wanhoop hem soms? Heeft hij de publicatie van De duivelsverzen ooit betreurd? Zijn blik wordt weer somber en hij schudt met het hoofd, alsof hij wil zeggen: 'Laten we het daar maar niet meer over hebben. Dat is oud nieuws.' Zo gedraagt hij zich nu al acht jaar, vanaf onze allereerste ontmoeting. In Helsinki was dat, toen François Mitterrand weigerde hem een visum voor Frankrijk te verlenen. Bijna een decennium al is hij een banneling, een pestlijder die schuldig is door te bestaan.

"Ik heb me de publicatie van dat boek nooit beklaagd maar soms twijfel ik wel eens aan mijn vak. Of het zin heeft allemaal. Als dit mijn beloning is om een kunstwerk te scheppen, dan kon ik toch net zo goed iets anders doen? In de politiek gaan, bijvoorbeeld."

Zijn baard is loodkleurig in het gedimde licht van de lamp. Hij heeft het gezicht van een Byzantijnse Christus. Die beroemde, halvemaanvormige ogen... Een man van schaduwen en geheimen. Waarschijnlijk is hij beter dan wie ook ter wereld met onderduiken vertrouwd. Als hij dat wou, zou hij politieromans kunnen schrijven, een spionagenetwerk op poten zetten of een terroristische groepering. Is hij van plan iets te doen met die wonderlijke ervaring? Ze in zijn werk te verweven? "Natuurlijk zal dat ooit wel aan de oppervlakte komen, en vroeger dan je denkt. Maar..."

Er wordt geklopt. De koffie. Hij maakt aanstalten om de deur te openen, maar bedenkt zich net op tijd en trekt een grimas. "Waar staat mijn hoofd toch? Altijd weer vergeet ik die rotlijfwachten!"

"Ik vraag me alleen af in welke vorm ik dat verhaal moet gieten," vervolgt hij wanneer de hotelbediende weer verdwenen is (een flegmatieke kerel - hij was niet eens verbaasd plotseling oog in oog te staan met Salman Rushdie). "Moet ik er een autobiografie van maken? Een dagboek? Of moet het meer bij fictie aanleunen? Misschien moet ik alles maar gewoon aan het papier toevertrouwen, zonder meer... Ik weet het nog niet goed."

Zijn toon verrast mij een beetje. Hij klinkt tevreden, trots bijna. "Trots is niet het goede woord. Maar het is natuurlijk wel zo dat maar weinig schrijvers het centrum worden van een historisch gebeuren van deze omvang. Zoiets overkomt een auteur toch maar zelden? Hier zijn hele volksgroepen en grote massa's bij betrokken. De piramide van de wereld staat gewoon op haar kop: de punt ervan rust op één enkele man. Wat een uitzonderlijke positie! Eigenlijk kun je het bijna een voorrecht noemen."

Ik besluit wat aan te dringen. Beleeft hij zijn situatie nog altijd als een absolute catastrofe, zoals in de beginjaren? Of begint hij er ergens een vreemdsoortig genoegen in te scheppen en voelt hij zich bijna vereerd met dat 'privilege', dat stilaan een soort martelaarskroon is geworden? "Och, dat privilege! Dat mag je best van me hebben, hoor." Hij klinkt nogal Woody Allen-achtig: klaaglijk en schijnbaar bescheiden.

"Ik hield wel van mijn leventje van vroeger. Ik zou het voor niets ter wereld hebben willen ruilen. Maar goed, wat doe ik eraan? Als het lot je te pakken krijgt en je een schietschijf wordt van de geschiedenis, als de ballingschap in eigen land diep in je vlees snijdt en je die absolute onzekerheid voelt die zo fundamenteel is voor de twintigste eeuw, dan kun je toch moeilijk doen alsof er niets aan de hand is. Je moet de situatie ondergaan, zonder echter ooit de gijzelaar te worden van je eigen lot. Zonder een symbool te worden, een vleesgeworden fatwa."

Hoopt hij ooit nog een schrijver zoals de andere te kunnen worden? Of is hij gedoemd tot het einde een auteur in de marge te blijven, zonder bekend adres en met kinderen zonder gezichten? Hij aarzelt. Een telefoontje van de veiligheidsdienst - routine ongetwijfeld - schrikt hem zijn overpeinzingen op.

"Misschien zal ik op een dag weer normaal kunnen reizen en zullen er geen lijfwachten meer bij mijn deur moeten staan. Maar weer helemaal leven zoals vroeger? Dat kan niet, denk ik. Dit is nu eenmaal mijn lotsbestemming."

Ik formuleer mijn vraag nog eens op een andere manier: wordt hij nog wel gelezen als schrijver? Stel dat hij nu een mislukt boek zou schrijven, zouden de mensen hem daar dan wel opmerkzaam op durven maken?

"Wees daar maar zeker van! Ze zitten er gewoon op te wachten! Toen mijn vorige roman, De laatste zucht van de Moor, verscheen, popelden velen al om te kunnen zeggen: 'Het is zover! Die arme Rushdie is uitgezongen. De ayatollahs hebben hem te pakken gekregen.' Jammer genoeg voor hen is het een goed boek geworden."

Hij lacht een beetje gemeen, alsof hij wil zeggen: 'Heb ik ze daar een poets gebakken!' Even doet hij me weer denken aan de oude Salman: een echte lolbroek, een beetje een schurk misschien. Hij staat op en wenkt me: "Kom, we zijn weg. Die dingen zijn allemaal niet zo belangrijk. Heb je de tentoonstelling van Cartier-Bresson al gezien?"

We vertrekken arm in arm, op de voet gevolgd door de verblufte lijfwachten. Op naar de Portrait Gallery, waar een tentoonstelling loopt met schrijversportretten van de beroemde fotograaf.

Ik heb Salman Rushdie al wel vaker ontmoet: in Londen, in Parijs, in Helsinki en vervolgens opnieuw in Parijs. We hebben elkaar gezien in restaurants, bij gemeenschappelijke vrienden en tijdens symposia. Maar nog nooit heb ik zoals nu samen met hem over straat gewandeld, zonder speciale veiligheidsmaatregelen. Hij lijkt wel een gewone schrijver, die - alsof het de gewoonste zaak van de wereld is - een oude maat meetroont naar een tentoonstelling. Toch is het niet zo uitzonderlijk dat deze banneling buitenkomt. 's Nachts dwaalt de gedoemde, waarvan iedereen denkt dat hij zijn leven in gevangenschap slijt, wel vaker als een vrij man door de straten van Londen.

Tijdens onze wandeling valt me vooral op dat iedereen hem kent: Rushdie is hier haast even populair als Paul McCartney of prins Charles. Maar net als de hotelbediende die de koffie bracht, doen de mensen op straat alsof er niets aan de hand is als hij voorbijwandelt. Ze kruisen het pad van een van de meest bedreigde mensen ter wereld - een man wiens hoofd tweeëneenhalf miljoen dollar waard is - en slechts één gedachte lijkt door hun hoofd te flitsen: laten we hem in godsnaam met rust laten.

Ik moet aan de enorme veiligheidsmaatregelen denken die worden getroffen telkens als hij Parijs bezoekt, en waarin een massa politieagenten, geblindeerde auto's en scherpschutters op de daken figureren.

Of aan het hallucinante verhaal van de vlucht tussen Straatsburg en Parijs die hij ooit nam. Iedereen was al aan boord en het grote vliegtuig stond, in het holst van de nacht, midden op de startbaan met ronkende motoren te wachten op die ene mysterieuze passagier. Pas na een uur dook Rushdie uiteindelijk op, in een apocalyptische chaos van sirenes en zwaailichten. De spanning in het vliegtuig was inmiddels zo te snijden dat een oude dame van haar stokje ging en haastig weggevoerd moest worden.

Ik herinner me ook ons bezoek aan Douste-Blazy toen die Frans minister van Cultuur was. Salman verwachtte van hem geen politiek gebaar of publieke stellingname. Hij wou alleen een visum om zijn vakantie in Frankrijk te kunnen doorbrengen - een echte vakantie dan, zonder interviews of rodeotoestanden, zonder het mediacircus waarin hij meer een curiosum was dan een schrijver. Hij wilde gewoon vrij door de straten van Parijs kunnen wandelen, zoals hij dat vanavond in Londen met mij deed.

"Vermom je je soms?"

"Nooit."

"Zet je geen pet op of een zonnebril?"

"Ik draag alleen een zonnebril als de zon schijnt."

"Waarom? Uit trots?"

"Nee, gewoon omdat zulke trucs niet werken. De mensen vragen zich dan af: 'Wie zou die rare kerel toch zijn? Die heeft blijkbaar iets te verbergen.'"

Ik probeer hem aan het praten te krijgen over zijn dagelijkse leven. Over zijn vrouw, die ik in Helsinki heb ontmoet. Over zijn woning, een safe house waarvan alleen Scotland Yard het adres kent. Heeft hij dan helemaal geen buren? Over zijn eerste zoon, die nog een kind was toen we elkaar leerden kennen maar nu een jongeman geworden is die naar verluidt aan een verafgelegen universiteit studeert. Over de ditjes en datjes uit het leven van Salman. Hoe die negen jaar durende klopjacht alles heeft veranderd, tot zijn karakter toe: hij heeft een geduld en toegeeflijkheid gekregen die hem vroeger vreemd waren. Maar de belangrijkste verandering is misschien wel dat hij minder lacht. Natuurlijk heeft hij nog altijd zijn 'lachmaatjes', zoals Martin Amis, maar hij wordt ook steeds vaker overvallen door melancholie.

Ook over film hebben we het. Het Indiase filmproject waaraan hij zo gehecht was, blijkt in het water te zijn gevallen. Wel heeft hij - zoals iedereen - genoten van recente prenten als Titanic en L.A. Confidential (vooral door toedoen van Kim Basinger dan). Hij geeft wel toe dat hij nu minder vaak een bioscoop bezoekt dan vroeger. Maar dat komt dan weer door de komst van de nieuwe baby.

"Hoe heet-ie?"

"Milan."

"Naar...?"

Een quasi-onschuldig lachje. Ingehouden vreugde. Ik zie hoe een grapje op het puntje van zijn tong ligt, maar hij houdt zich in. "Ik hou erg veel van Milan Kundera. Maar in het Hindi wil Milan ook zeggen: vermengd, gekruist. Wat wil je, met een Engelse moeder en een vader die uit India komt en nogal met rassenvermenging begaan is. Beschouw het als een hommage aan die Indiase smeltkroes waarvan ik zo gehouden heb."

Er valt een stilte. Onze stappen weerklinken hol op het macadam van Kensington Street. Een excentriek stel - hij heeft paars haar, zij ringen door haar neus en lip - kijkt hem wat nadrukkelijker aan. Misschien beschouwen ze hem gewoon als een van hen: nog zo'n Engelse excentriekeling.

"Niet alleen de fatwa zorgt voor de nieuwe weemoed die ik voel. Ook India speelt een belangrijke rol; het gevoel India kwijt te zijn. Het plotselinge besef dat ik dat land waarschijnlijk nooit meer terug zal zien. Dat is eigenlijk ook het thema van het nieuwe boek waaraan ik werk. Tijdens het schrijven ervan heb ik haast lijfelijk gevoeld hoe mijn kunst en stijl zich van India aan het losscheuren zijn."

Ter hoogte van Picadilly komt een voorbijganger op ons af. De bodyguards zijn op hun hoede, maar Rushdie vertrekt geen spier. Hij heeft de koelbloedigheid van de man die weet dat de dood elk moment kan toeslaan, en daar ook in berust.

"Bent u Salman Rushdie?"

"Ik hoop het... dat probeer ik toch." De voorbijganger lacht, Salman ook. Zelfs de grimmige gezichten van de politieagenten ontspannen zich.

"Bewaak hem maar goed," zegt de man terwijl hij alweer verder loopt. "We rekenen op jullie om hem te beschermen. Zorg maar dat hem niets overkomt."

Waarop Salman zegt: "Ik ben blij dat u dat zegt. Het establishment heeft me uitgespuwd en er zijn al genoeg smeerlappen die vinden dat die hele fatwa goede reclame voor mij is geweest. Maar gewone mensen zijn altijd erg lief voor me."

Het establishment tolereert Rushdie inderdaad slechts, zonder van hem te houden. Ik herinner hem aan een uitspraak van de excentrieke Frans-Engelse miljardair Jimmy Goldsmith, die enkele maanden voor zijn dood in Los Angeles verklaarde: "Onleesbare schrijver. Bestaat slechts bij de gratie van de fatwa." Waarop hij de voormalige Britse minister van Buitenlandse Zaken Douglas Hurd citeert, de vleesgeworden Britse filisterij en kunsthaat: "Meneer Rushdie begrijpt blijkbaar niet hoe de Engelse democratie in elkaar zit." Maar ach, wat lijkt dat nu allemaal onbelangrijk! Het leven is mooi en Salman Rushdie is vanavond even een vrij man.

Als we in de Portrait Gallery aankomen, doet de kaartjesjuffrouw alsof ze hem niet herkent. Een man haalt een fotoapparaatje tevoorschijn maar bedenkt zich dan, en begint met overtuiging de catalogus te bestuderen. Salman loopt opgewekt en opgewonden van het ene portret naar het andere, als betrof het een familiealbum: Samuel Beckett; Truman Capote; Julien Gracq - ik heb niet de indruk dat hij erg vertrouwd is met de Franse literatuur maar Gracq lijkt hij wel te bewonderen; zijn vrienden Susan Sontag en Harold Pinter; zijn vijand John Le Carré...

Ik vraag hem wat er eigenlijk precies is voorgevallen tussen hem en Le Carré. "Och! Geen spectaculaire dingen hoor. Alleen heeft hij toen de fatwa werd uitgesproken een artikel geschreven dat me in het verkeerde keelgat is geschoten. Toen hij op grond van een van z'n boeken van antisemitisme werd beschuldigd, heb ik hem een briefje geschreven. Om te vragen of meneer Le Carré nu al wat beter begreep hoe het aanvoelt om door onverdraagzamen te worden aangevallen. Hij heeft het mij nogal kwalijk genomen en prompt mijn brief beantwoord, waarop ik ook weer heb gerepliceerd, enzovoort." Was dat zijn eerste literaire polemiek sinds de fatwa? "Jazeker, en ze heeft me deugd gedaan ook. Ik had er namelijk mijn buik van vol. Negen jaar lang heb ik me laten uitschelden, zogenaamd uit respect voor de vrije meningsuiting. Maar toen had ik er opeens genoeg van." Hij haast zich naar een portret van Carson McCullers - opengesperd oog, als een vogel in de val.

"Ik ben nochtans niet rancuneus hoor. Mocht hij hier nu binnenstappen, dan zou ik gewoon zeggen: 'Dag John, hoe is het met je? Laten we een glas gaan drinken en over de goede oude tijd kletsen toen we nog samen opkwamen voor de sandinisten in Nicaragua.'"

Iemand komt naar ons toe. Niet Le Carré maar een jongeman met lange haren, een zwarte cape en geheimzinnige maniertjes. Hij vertelt dat een vriend van hem Nicaragua-specialist is, pas een tekst heeft gepubliceerd in het Britse literaire tijdschrift Granta en Salman graag eens zou ontmoeten. Rushdie luistert, met op zijn gezicht de hoffelijke maar afstandelijke glimlach van de grote schrijver die door een bewonderaar wordt aangeklampt. "Dat kunt u het best met mijn agent regelen," zegt hij nonchalant, terwijl hij al naar de volgende zaal loopt. "Dat is het makkelijkste. Hij stuurt mij alle post door." Hij wijst me op een schitterend portret van Aragon: scherp gezicht, een kille glans in de ogen.

"Om nog eens terug te komen op het establishment," zeg ik hem, "herinner je je die lunch nog in de Engelse ambassade in Parijs, toen prins Charles me vertelde dat je het land te veel geld kost?"

"Natuurlijk herinner ik me dat. Een vriend van mij deed er nog een schepje bovenop. 'Salman Rushdie beschermen,' zei hij gevat, 'is nog altijd een stuk goedkoper dan prins Charles beschermen. En die heeft bij mijn weten nog niet veel soeps gepubliceerd.' De tabloids - die anders niet te beroerd zijn om bladzijden en nog eens bladzijden te wijden aan de relatie tussen Charles en Diana of Camilla Parker Bowles - hebben me op dat punt trouwens nog stevig aangepakt. 'Kijk eens hoe hij zijn toekomstige koning behandelt', was de teneur, 'de vuile verrader!' Altijd hetzelfde liedje. Heel Engeland mag lachen met de affaire tussen Charles en Camilla en ik mag niet eens opwerpen dat hij geen schrijver is."

Of hij de prins al ontmoet heeft? Kennen ze elkaar een beetje of steunt die wederzijdse antipathie eigenlijk nergens op? "We zaten samen in Cambridge," bevestigt hij met een bedroefd gezicht, "en we ontmoetten elkaar tijdens de theaterlessen. Maar we hadden ook toen al niet erg veel gemeen, om het eufemistisch uit te drukken."

En Diana? Heeft hij ook Diana gekend? Zijn ogen beginnen te fonkelen als ik het vraag. Kort voor de fatwa werd uitgesproken, kreeg hij mooie plaatsen in Covent Garden als verjaardagsgeschenk. Hij ging zitten en zag tot zijn verbazing hoe naast hem een mooie vrouw plaatsnam - mooi was eigenlijk niet het juiste woord, ze was een van de elegantste en meest betoverende vrouwen die hij ooit had ontmoet. Ze herkenden elkaar, zeiden gedag en maakten een praatje. Ze had zijn boeken waarschijnlijk niet gelezen, maar was toch zo hoffelijk te doen alsof.

En haar dood? Heeft haar dood hem bewogen? Enorm. Hij was in de Verenigde Staten toen het gebeurde. Bij zijn terugkeer, twee dagen later, had hij zich meteen naar Kensington Palace gehaast. Naar Kensington Palace? "Ja. Ik wou bij de mensen zijn. Heb je ooit zo'n plechtige uitvaart gezien op de televisie? De stoet, de enorme rouwende massa. De absolute stilte in de straten, die alleen verstoord wordt door het hoefgetrappel van de paarden die de lijkkist trekken. En dan de aankomst bij Westminster. Het applaus dat uit die massa opstijgt en de abdij binnendringt."

Hij loopt naar een erg geposeerd portret van Faulkner. Bewondert het van dichtbij, doet dan weer een pas achteruit. "Wat jammer dat hij Hemingway nooit geportretteerd heeft. Kun je tegelijk van Faulkner en van Hemingway houden? Sterven in een tunnel omdat je niet gefotografeerd wilt worden! Wat een verhaal toch, he? Wat een verhaal!"

Later, voor een al te statig portret van Balthus, komt hij nog eens op de dood van Diana terug. "Weet je waarom haar dood ons zo getroffen heeft? Omdat die dood geen enkele zin had, en we er dus allemaal onze eigen zin in konden leggen. Stel dat ze gestorven zou zijn door de ontploffing van een landmijn. Dat zou tenminste een duidelijke dood zijn geweest, met een voor de hand liggende betekenis. De emoties zouden dan ook niet zo hoog zijn opgelaaid. Maar nu is haar dood leeg, en dus vol tegenstrijdige betekenissen."

Hier neemt de intellectuele Salman de bovenhand, de postmoderne lezer van Lyotard en Baudrillard. Maar er is dus ook die andere Salman, die op 3 september twee uur heeft doorgebracht te midden van een menigte Engelse winkelmeisjes die rouwden om de dood van hun prinses.

Het is al donker als we weer op straat staan. Er is een zacht briesje opgestoken, waardoor we onwillekeurig sneller gaan stappen. Queen's Gallery. In Albemarle Street toont hij mij het reclamebureau waar hij zo'n dertig jaar geleden heeft gewerkt. De Atheneum Club, waar hij op een avond door de schrijver Angus Wilson werd uitgenodigd en waaraan hij verder maar één herinnering heeft: "Dat er geen vrouwen waren." Hij is duidelijk dol op Londen. Opnieuw vang ik een glimp op van de man die hij geweest is en ongetwijfeld weer wil worden: landman van Londen, dichter van stad en beton. Ik kan me levendig voorstellen hoe deze Salman Rushdie 's avonds zijn bewaarengelen verschalkt en door de achterbuurten van de grootstad dwaalt en de routes uit De duivelsverzen overdoet. Misschien kent hij nog wel andere manieren om zijn potentiële beulen uit te dagen.

We praten over de dood. Natuurlijk denkt hij er vaak aan. Hij vertelt dat hij zoveel vrienden heeft gehad die jong gestorven zijn. En zoveel mensen heeft gekend van onze leeftijd, rond de vijftig, die het slachtoffer werden van aids, kanker, een hartaanval.

We hebben het ook over Bosnië, en over ons plan van weleer om ernaartoe te reizen - in juni 1994 was dat, toen de oorlog op zijn hoogtepunt was. Had ik hem verteld over het aanvankelijke enthousiasme en de latere ontgoocheling van de intellectuelen in Sarajevo? We spreken ook over de terreur in Algerije. Over al die vermoorde kunstenaars en journalisten. "Misschien betalen de Algerijnen nu wel de tol van onze laksheid," zeg ik hem. "Misschien moesten we de anti-Rushdie-bom in Londen ontmanteld hebben om te voorkomen dat ze in Algerije tot ontploffing kwam. Voor hem is het een stuk minder duidelijk wie wie uitmoordt. Hij is ervan overtuigd dat de Algerijnse militairen, althans sommige van hen, minder zuiver op de graat zijn dan ik denk. Maar over de grond van de zaak zijn we het eens te meer eens.

"Het echte probleem is de islam," merkt hij op. "Kunnen we nog langer volhouden dat de islam niet verantwoordelijk is voor wat in Algerije gebeurt? Zit er in de structuur van de islam zelf niet iets wat Algerije - maar ook bijvoorbeeld de Taliban, Soedan en Iran - mogelijk maakt? Ik weet wel dat deze vraag politiek absoluut niet correct is. En toch moeten we ze stellen. Misschien moet het maar eens uit zijn met dat neponderscheid tussen de reële islam en de pure, ideale islam. Wat zit er nu precies in die 'ideale' islam dat ervoor zorgt dat in zijn naam zulke wreedheden kunnen worden begaan? Dat is de hele hamvraag."

Ik wijs hem erop dat we ons die vraag ook kunnen stellen wat het communisme betreft. Maar hoeveel tijd en gepalaver heeft het niet gekost voor we dat ten slotte inzagen? "Een reden te meer om het ditmaal sneller te doen gaan. Neem nu cultuur. De diepgewortelde haat die islamieten tegen cultuur koesteren, kan volgens mij niet losgekoppeld worden van de koran. Volgens de koran zijn dichters immers allemaal leugenaars en waardeloze sujetten. Waarom zou je om dichters malen als je de koran hebt, het boek der boeken? Of neem het voorbeeld van de vrouwen. Als de Taliban hen kooien als nachtvogels, dan moet je dat toch tegen de achtergrond zien van een boek dat zegt dat God geen dochters kan hebben? Zelfs het idee dat een vrouwelijk schepsel de goddelijke geest in zich zou kunnen dragen, is voor hen al heiligschennend, en daarover gaan De duivelsverzen precies."

Het ontvangertje in het oor van een van de lijfwachten knettert. Hij gaat wat sneller lopen en haalt ons in. Ik kan me niet van de indruk ontdoen dat we een straat aan onze rechterkant mijden. Salman loopt gewoon verder.

"De vraag is natuurlijk of dat wel tot de essentie van de islam behoort. Is er een bijgestuurde, geamendeerde islam denkbaar, die compatibel is met de mensenrechten? Daar kan ik twee dingen op antwoorden. Vooreerst kan ik putten uit mijn persoonlijke ervaring met de Indiase islam: de islam van een minderheid, die niets met de staat te maken heeft maar een zuivere gewetenskwestie is. Ten tweede weet ik dat er vroeger, in de twaalfde eeuw, mensen geweest zijn die - zonder daarom vrijzinnig te zijn - als volgt redeneerden: God heeft, precies omdat hij God is, niets met de mensen gemeen; omdat hij niets met de mensen gemeen heeft, heeft hij per definitie ook geen taal; aangezien hij geen taal heeft, kan hij strikt genomen niet de auteur zijn van de koran; de koran is dus niet meer dan een menselijke interpretatie van een onuitsprekelijk Woord. Een dergelijke redenering tast het fundamentalisme in zijn wortels aan. Ze biedt ruimte voor discussie en een verscheidenheid aan verklaringen. In zekere zin legitimeert ze zelfs de democratie."

Het valt me op dat hij minder over politiek praat dan je zou denken. Toch stond hij vroeger te boek als een geëngageerde intellectueel. Ooit was hij zelfs Engelands geëngageerde intellectueel bij uitstek. Is hij daar de afgelopen jaren niet een beetje van afgestapt, om op zoek te gaan naar zichzelf en de pure literatuur?

"Met die fatwa heb ik een overdosis politiek gekregen. 'Ach, hou je van politiek?', moeten ze gedacht hebben, 'dan gaan we je eens vlug wat politiek geven!' Het resultaat is een zekere walging. Sinds de fatwa word ik misselijk van politiek."

Het ontvangertje in het oor van de lijfwacht knispert opnieuw. Weer die nauwelijks merkbare spanning. Een verdacht gezicht, geritsel achter ons.

"Mijn situatie is behoorlijk ingewikkeld geworden," zegt Salman, die alweer niets gezien of gehoord lijkt te hebben. "Vroeger was alles zoveel makkelijker. Als ik een petitie ondertekende, schaarde ik me samen met andere intellectuelen achter een bepaald doel. Maar nu kleeft die fatwa aan mijn lijf, en moet ik me afvragen of ik het doel van een petitie niet veeleer in de weg sta door ze te ondertekenen."

Uit een portiek weerklinkt zacht gelach. Een vrouw lijkt zich niets van de kou aan te trekken. Ze leunt uit het open raam en bekijkt ons aandachtig. Word ik nu helemaal paranoïde? Gelukkig naderen we het restaurant. Ik heb zo het gevoel dat ook onze engelbewaarders het helemaal niet erg vinden dat de wandeling bijna ten einde is.

De 'B' is een trendy restaurant, waar vooral politici, acteurs, mooie vrouwen en schrijvers komen. Een knikje hier, een handdruk daar. Salman voelt zich er blijkbaar goed op zijn gemak. In een hoekje staat een tafel die voor hem gereserveerd is. Zou er in de straat verdekt politieversterking staan? Wordt de zaal discreet in de gaten gehouden? Zijn de keukens en toiletten vooraf gecontroleerd? Misschien niet eens. Salman ontwijkt de vraag in elk geval.

"Je kunt beginnen met meloen, maar daarna moet je zeker vis nemen. Die is hier werkelijk voortreffelijk." Hij hoeft de kaart nauwelijks te bekijken. Hij voelt zich duidelijk thuis in de 'B', waar hij dan ook als een stamgast wordt behandeld. Wijst dat alles er niet op dat de bankschroef iets minder hard knelt dan vroeger? "Enkele maanden geleden hebben we hier mijn verjaardag gevierd. Er waren zestig mensen, en toch zijn er vooraf geen perslekken geweest. Er stond zelfs geen fotograaf bij de voordeur toen we binnenkwamen!"

Hij krijgt een discrete groet van een extravagante verschijning in de verte - ze draagt een kanten kapmantel en een hoed die versierd is met lichtblauwe hyacinten.

"Normaal stromen alle paparazzi van de stad hier samen zodra er iemand gesignaleerd is die ook maar een beetje op een vedette lijkt. Maar toen hadden we er dus geen last van. We hebben de halve nacht lang ongestoord kunnen eten, lachen en dansen."

Ik moet terugdenken aan de tijd waarin we, zodra hij ergens verscheen, het gevoel kregen dat een monsterachtige klok de tijd wegtikte. Dat er ergens een onzichtbare radar stond die hem al feilloos had opgespoord. Dat de moordenaars al onderweg waren, en alleen nog wat tijd nodig hadden om bij ons te komen. Een verschrikkelijke gewaarwording was dat.

"Dankzij mijn vrienden is dat gelukkig allemaal anders nu. Zij zorgen ervoor dat alles stilgehouden wordt."

Hij knikt naar weer een andere tafel. Hij kent hier niet alleen iedereen, hij lijkt ook alles te horen en te zien. Wat vreemd toch dat deze man, die zo'n hoop energie moet opbrengen om zichzelf in leven te houden, nog zoveel belangstelling voor de buitenwereld overhoudt.

"Mijn vrienden zijn al negen jaar lang zo attent voor mij, zo vriendelijk! Wat zou ik zonder ze moeten beginnen? Tegenover het complot van de moordenaars staat de samenzwering van mijn vrienden. Ze bewaren mijn geheimen en helpen me een normaal leven te leiden."

Het voorgerecht wordt opmerkelijk snel geserveerd. Zijn ze hier altijd zo snel, of krijgt hij een voorkeursbehandeling? "Stel je eens voor dat je oog in oog met de Iraanse president Khatami staat," zeg ik. "Dat hij hier op mijn plaats zit. Wat zou je hem zeggen?" Hij lacht. Hetzelfde gemene lachje van daarnet, toen hij het over het succes van De laatste zucht van de Moor had. "Helemaal niets. Tegen een kerel die mijn huid wil, kan ik niet veel anders zeggen dan 'stop!' Ooit zullen we misschien met elkaar kunnen praten en discussiëren. Maar momenteel kan ik niets anders zeggen dan 'stop!'"

Hij eet verder - opeens zwijgzaam en geconcentreerd. In Helsinki was zijn toegewijde manier van eten me al opgevallen. Het levensgenieterige kantje van Rushdie, een man met een gezonde eetlust.

"Je gelooft dus niet dat er in Iran sinds de verkiezingen veel veranderd is?"

"Ik denk wel dat de mensen er aan het veranderen zijn. De verkiezing van Khatami bewijst wel dat er bij het volk een enorme drang naar vernieuwing leeft." Hij schenkt zich nog wat wijn bij. "Maar Khatami zelf? Laten we ernstig blijven. Zag je hem aanstalten maken om de fatwa op te heffen? Heeft hij mij ook maar de minste blijk van goodwill gegeven?"

Zijn stem wordt opeens bars. De strijdbare en gekwetste Salman komt naar boven. De politieke Salman ook, die - terecht - denkt dat zijn zaak de ultieme test is voor de Iraanse openheid.

"Het ergste is nog wel dat men de mullahs zou kunnen doen buigen, mocht men dat echt willen. Wist je dat er in Iran een instelling bestaat die waakt over de daden van de regering? Ze hanteert het principe dat elke handeling die in het nationaal belang is van Iran, ook automatisch legitiem is. Zelfs al is ze dan in strijd met de koran."

Over Iran praten windt hem duidelijk op. Als de tweede schotel wordt opgediend, raakt hij zijn bord nauwelijks aan. "Khomeiny heeft dat in de Iraanse grondwet laten opnemen! Khomeiny zelf! Dat betekent dus dat het zou volstaan Iran ervan te overtuigen dat het van nationaal belang is de fatwa op te heffen. Maar dat zal de Europese landen, met Frankrijk voorop, een rotzorg wezen. Wat voor gewicht werpt het lot van een schrijver nu in de schaal, als je het afweegt tegen de enorme petroleum- en andere belangen die op het spel staan?"

Ik vraag hem of de houding van Frankrijk, van premier Jospin dus, hem dan verrast heeft.

"Niets verrast me nog. Ik heb Jospin ontmoet en hij leek me een eerlijk man. Maar hij is natuurlijk Blair niet. Die heeft zich pas fair gedragen tegenover mij. Hij heeft me in Downing Street ontvangen en samen met zijn minister van Buitenlandse Zaken een persconferentie gehouden. Dat noem ik politiek bedrijven! Jospin wil alleen vermijden dat een met de dood bedreigde schrijver de belangen van de mondiale business zou doorkruisen. Waarom zegt hij dat dan niet? Eigenlijk verwijt ik hem maar één ding: dat hij niet zegt wat hij denkt."

En president Chirac? Wat vindt hij van het standpunt van Chirac? Ook hem heeft hij ontmoet, in die verwarde periode die voorafging aan de Franse verkiezingen en waarin hij de aan de lopende band presidentskandidaten zag. "Chirac was vriendelijk, dat wel. Hij heeft zelfs stappen gezet die Mitterrand nooit had aangedurfd. Dat was trouwens pas een ramp, Mitterrand! Wel duizend mensen hebben bemiddeld en toch is het nooit tot een ontmoeting gekomen." Of hij Chirac dan terug wil zien? "Pfff... ik ben heel dat gedoe een beetje beu. De Europeanen houden er een absurde gedachtegang op na. Ze willen dat Iran verandert en daarom zeggen ze maar: Iran is veranderd! De wens is de vader van de gedachte, heet dat toch?"

De toon van het gesprek is langzamerhand somber geworden, op het bittere af. Ik probeer hem ervan te overtuigen dat er in Iran toch tekenen van politieke dooi te bespeuren zijn. Hij kijkt me onthutst aan. "Geloof je die gekheid echt?"

Ik wijs hem op de films die momenteel in Iran gedraaid worden. "Films, akkoord. Maar romans? Weet je hoeveel romans in het jaar voor de verkiezingen door de censuurmolen zijn geraakt? Geen enkele."

Ik vraag hem of hij dan tenminste Le goût de la cerise heeft gezien, de in Cannes bekroonde film van de Iraanse cineast Abbas Kiarostami. "Maar nee, beste vriend. Dergelijke mooie, rustige filmpjes zijn toch compleet naast de kwestie?" Als ik aandring, maakt hij zelfs een ongeduldig gebaar - het eerste sinds het begin van onze ontmoeting. "Ik begrijp wel dat er cineasten zijn die per se willen werken en daarom verboden onderwerpen maar uit de weg gaan. Maar momenteel heb ik er geen behoefte aan dat soort films over Iran te zien."

Hij zwijgt plotseling; misschien vindt hij dat hij te veel gezegd heeft. Het droefgeestige diner loopt stilaan ten einde. Met merkwaardig plompe passen, onbeholpen haast, laveert hij naar de vestiaire. Op het trottoir nemen we afscheid. Hij met half gesloten ogen, een beetje afwezig. Tussen zijn twee engelbewaarders stapt hij naar de auto. Nog één keer kijkt hij om, lacht een beetje triest naar mij en maakt een laatste, vriendschappelijk gebaar. Hij ziet er opeens erg moedeloos uit. Heb ik alles maar gedroomd? Of heeft hij echt vierentwintig uur lang de schijn van vrijheid hoog willen houden?

De auto vertrekt en het geronk van de motor sterft even later weg in de verte. We keren elk naar ons eigen leven terug. Ik naar de wereld van gewone mensen, die vrij en onbekommerd kunnen gaan en staan waar ze willen. Hij naar zijn afgebleekte nachtbestaan waar ik eigenlijk niet zoveel van afweet. Is hij nu zichtbaar of onzichtbaar, een schim of een mens van vlees en bloed? Ik probeer me voor te stellen hoe hij zich voelt en te doorgronden of zijn aanvankelijke vrolijkheid een valstrik was, oppervlakkige elegantie of gewoon provocatie. Hoe kan ik achterhalen of hij nu een martelaar is of een vrij mens? Kan iemand ooit de eenzaamheid van Salman Rushdie meten?

© Bernard-Henri Lévy 1998 Vertaling: Jean-Paul Mulders

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234