Maandag 14/10/2019

De pijn van de broederliefde

De literaire wereld viert de Gay Pride die vandaag in Amsterdam plaatsvindt met de publicatie van Broederliefde, de autobiografische roman van de in Parijs wonende Marokkaanse schrijver Abdellah Taïa. De Morgen zocht hem thuis op. door Catherine Vuylsteke

Een miniflat in het huis waar de pasgeboren Edith Piaf te vondeling werd gelegd in het Parijse negentiende arrondissement. De telefoon van de sinds 1998 in Europa wonende Marokkaanse homoseksuele schrijver Abdellah Taïa (34) rinkelt voortdurend. Hij geeft niet thuis, maar bestudeert enigszins angstvallig alle nummers, om een enkele keer toch op te nemen. Het heeft met de coverstory in Marokko's bekendste Franstalige blad TelQuel te maken, zegt hij. 'Homoseksueel voor en tegen iedereen', staat er in vette letters over zijn paginagrote zwart-witportret, 'het aangrijpende verhaal van de eerste Marokkaan die de moed heeft gehad om openlijk uit te komen voor zijn anders-zijn.'

Het zijn militante woorden, die niet meteen passen bij de tengere, zachtmoedige man die omzichtig vraagt van welk soort thee ik hou, daarbij het ene pakje na het andere voorzichtig openend om me het aroma te laten ruiken.

De tekst zelf begint, nog krasser, met de uitspraken van onbekenden. "Hij was bereid zijn kont te geven om beroemd te worden", vindt de ene. "Hij kon publiceren en men praat over hem omdat hij homo is", dixit een ander. Een derde meent dat hij "zich prostitueert om het Westen te behagen", of dat het "zijn achterste is dat praat, niet hij". Velen vinden dat hij het "imago van Marokko en de islam schaadt", en een enkeling betreurt zelfs dat ze in Marokko niet in het land van de islam wonen, want dan "zou hij gestenigd worden". "De naam Abdellah Taïa", weet de journalist van TelQuel, "laat niemand onverschillig". Als dat maar goed afloopt.

Taïa haalt zijn schouders op. Met een iets te nadrukkelijke stem zegt hij dat hij er niet van wakker ligt. Hij lijkt behalve zijn gehoor vooral zichzelf te willen overtuigen, met slechts matig succes. Of beter, zo wordt in de twee dagen die ik met hem spendeer duidelijk, er zijn meerdere Abdellahs en ze verschillen al evengoed in leeftijd als in daadkracht. Wat de in Parijs levende man kan, daar is de zoon uit Salé niet toe in staat. De eerste argumenteert rationeel, praat met journalisten en maalt nergens om, de laatste verdrinkt aan de telefoon met moeder M'Barka in tranen en stilzwijgen.

Ze zijn elkaars tegenpool en vijand, hoezeer Taïa in zijn hoofd ook heeft geprobeerd hen met elkaar te versmelten. Ze ontglippen hem. In de aanwezigheid van de al even autoritaire als zorgzame M'Barka bestaat de zelfbewuste, stijlvolle intellectueel die van een regisseurscarrière droomt en de literatuur louter als opstapje ziet eenvoudigweg niet. Moeders Abdellah is een ontwapend, eeuwig jongetje. Het wil diep in zijn binnenste wel vechten, tegenspreken, argumenteren en dialogeren, maar tegelijk beseft het dat er in haar wereld geen plaats is voor verklaringen, individualiteit of tolerantie. Het is de tirannie van de gevoelens: er wordt gehoorzaamd, gesust, geliefkoosd, gehuild, gechanteerd, verweten en gemanipuleerd.

In zijn beste dagen denkt hij dat het een kwestie van tijd is, in zijn slechtste probeert hij de hele zaak te vergeten. En intussen laat hij de telefoon onbeantwoord en heeft hij het al vijf Marokkoreizen lang veel te druk om ook maar één keer naar huis te gaan.

Het verschil is dat tussen willen en kunnen, meer niet. Wat ze zullen zeggen als ze hem in hun armen sluiten, dat weet Taïa al. Over trouwen, de gemeenschap en de islam zal de familie het hebben, en over de zonde waarin hij leeft. Die concepten maken in het huis van Edith Piaf weinig indruk op hem, soms moet hij er zelfs om lachen. Maar in Salé kan hij ze niet weerleggen. Daar hebben alle dingen waarin hij al zo lang gelooft geen enkele legitimiteit.

De familie heeft weet van zijn homoseksualiteit, sinds januari 2006 al, of minstens sinds mei. Het begon met de publicatie in Marokko van zijn autobiografische derde roman L'Armée du Salut, die nu als Broederliefde in Nederlandse vertaling verschijnt. Daarin geeft hij zijn begeerte voor zijn zeventien jaar oudere broer toe, evengoed als de snelle seks in een urinoir in Genève en de liefde voor een Zwitserse professor in de Franse literatuur. Hij had zijn lievelingsbroer het boek gegeven, daags voor ze samen bij M'Barka zouden dineren. "Hij is niet gekomen", zucht Taïa, "en later moest mijn moeder me zeggen dat ik me volgens hem met andere dingen moet bezighouden."

Vier maanden later barstte de bom echt, toen twee Arabische kranten een interview met foto van hem publiceerden en de hele familie werd aangesproken op het laakbare gedrag van haar geëmigreerde verwant. Het was met haar catastrofestem dat M'Barka haar zoon belde en uitlegde dat zijn acht broers en zussen totaal van de kaart waren. Taïa had aangevoerd dat het niet alleen om hemzelf ging maar om de hypocrisie van de hele maatschappij. Zijn woorden maakten geen indruk. M'Barka antwoordde dat ze zich toch niet konden bemoeien met de maatschappij. "Men leert ons", zegt de schrijver duidelijk opgewonden, "dat we geen burgers zijn en dat de samenleving een soort van onwrikbare, statische structuur is die volstrekt niet onderhevig is aan verandering."

Ze hadden vervolgens allebei gehuild, waarop zijn moeder haar rampentoon had laten varen en hem teder verzekerde dat ze alleen zijn geluk wilde, maar dat hij haar moest beloven geen domme dingen meer te zullen zeggen. Hoe kon hij beweren niet van het huwelijk te houden, had hij dan geen plannen om naar Mekka te gaan op pelgrimstocht en wilde hij haar geen kleinkinderen schenken? Ze kon het zich niet voorstellen, dat haar jongen haar dermate zou teleurstellen. Bovendien moest hij aan zijn jongere broer denken, die nu de straat niet meer op durfde omdat alle buurtbewoners hem uitjouwden met de foto van de verguisde auteur. En wist hij wat zijn zus van de collega's te horen had gekregen, en in welke mate haar dat had bedrukt?

Taïa had na het gesprek met M'Barka twee weken lang gehuild. Hij had geweigerd het licht aan te doen, en luisterde in de geborgenheid van het duister naar de klaagzangen van de Mexicaanse Chavela Vargas. Dag en nacht had hij zich met haar verdriet overgoten, in de hoop de beelden weg te spoelen, van de jongen uit Salé die naakt en onteerd voor zijn geschokte familie zit.

Het Marokkaanse jongetje regeerde twee weken lang in Taïa's hoofd, tot de Franstalige schrijver hem wist te overmeesteren. Dat er altijd schandalen zijn in Marokko, argumenteerde hij, en dat het laatste nu toevallig rond hem draaide. Het waaide heus wel over. Bovendien waren M'Barka en de anderen niet echt boos op hem. Wat hen nu overkwam, was gewoon enigszins gênant.

Zijn liefde voor de cinema, die hem zijn hele jeugd lang had gered van depressies en wanhoop, kwam hem uiteindelijk ter hulp. Het was aan de iets meer dan een halve eeuw oude film van Douglas Sirk dat Taïa moest denken, aan All that Heaven Allows. Daarin wordt de eenzame rijke weduwe Cary verliefd op haar armetierige tuinman Ron. Haar kinderen en kennissen veroordelen die liefde voor een man beneden haar stand. Uiteindelijk bezwijkt de vrouw onder de sociale druk, maar als haar zonen en dochters hun vleugels uitslaan en hun eigen levens uitbouwen, laten ze haar alleen achter. Met een televisietoestel, tegen de wanhoop.

"Dat is mijn verhaal, of tenminste, ik zou Cary kunnen worden als ik niet uitkijk. In de hele heisa binnen de familie is er geen plaats voor mij. Niemand vraagt zich af hoe ik al die tijd met mijn geheim geleefd heb, wat ik als kind gevoeld heb, toen mijn homoseksuele gevoelens zich niet langer lieten negeren, of wat het nu betekent om zich door een hele maatschappij uitgespuwd en beschimpt te weten. Altijd weer gaat het alleen over hen, wat hun collega's, buren of vrienden zullen zeggen, in welke mate hun naam is bezoedeld.

"Tegelijk voelde ik me laf: ik leef in Parijs, de onthullingen hebben hier geen repercussies, terwijl ze voor hen in Marokko duidelijk wel gevolgen hebben. Alleen, als ik aan hun eventuele leed kan denken, waarom zij dan niet aan het mijne? En als ik ook mijn mond houd, wie moet er dan voor de waarheid uitkomen, hoe zal het dan ooit veranderen? En toch, ik ben geen militant, weiger het te zijn. Het gaat me alleen om het recht op een volwaardig leven, met een seksuele geaardheid die ik niet heb gekozen. En ik wil het heus niet alleen daarover hebben, dat is een gigantisch misverstand. Maar als het ook maar een beetje kon helpen, dan is dat al dat."

Taïa zegt dat het allemaal erg dubbel is, dat hij in Parijs moet wonen om volwassen te blijven, maar dat hij zijn Marokko niet kan achterlaten. Het eten van M'Barka mist hij en veel meer nog, het meest, de lichamen die hem dragen, die op hem lijken, de overbevolkte kamers van zijn jeugd in een armenwijk in Salé. Hij herinnert zich de kleine gewoontes en tics van de familie en het liefdesspel van zijn ouders, dat steevast in geruzie en tranen eindigde, wegens de vermeende maar fel ontkende overspeligheid van M'Barka een eeuwigheid geleden.

Ze hadden geen centimeter eigen ruimte, Abdellah en zijn broers en zussen. Daarom ontwikkelden ze meesterlijke strategieën om tegelijk daar en weg te zijn, toeschouwer, bondgenoot en stille afwezige. Pa's hofmakerij decodeerden ze even moeiteloos als M'Barka's geheime bezoeken aan een plaatselijke heilige. Ze wisten wanneer mannelijk gebulder een einde zou maken aan gelukzalig tv-kijken, en hoe ze elkaar, de familie en de omgeving om de tuin konden leiden om een vriendje te ontmoeten.

En te midden van dat alles was er Abdelkabir, de oudste, de redder van de familie, de man die naar Woodstock en David Bowie luisterde, Franse romans las en een eigen kamer had. Hij voorzag grotendeels in het levensonderhoud van de familie, nam Abdellah voor de enige keer in zijn hele jeugd mee op reis en betaalde uiteindelijk voor het nieuwe huis van het gezin. "Hij was mijn model, mijn voorbeeld, mijn sociale ambitie, degene die mijn ideaalbeeld van de geliefde ongewild heeft bepaald. Tot nu zijn het grote, oudere mannen met een snor die me aantrekken, mannen die me zoals Abdelkadir op zeldzame dagen onder hun deken laten liggen, verzonken in een plaat uit een ander universum."

"Het is daar, met hem, dat ik het dubbele discours van de maatschappij heb ontdekt. Hij zwolg in het Woodstock van de seksorgiën, de drugs en de totale vrijheid. En van Bowie moet hij geweten hebben dat hij biseksueel was en met travestieten, pooiers en drugsverslaafde hoeren uithing. Maar tegelijk leefden wij, in tegenstelling tot de afvalligen waar M'Barka zo graag op schold, zogenaamd in het respect voor God, de natie en de gemeenschap.

"Ik begeerde Abdelkabir dag en nacht, ondanks mezelf. Ik begreep dat het geen keuze betrof, en dat ik me daardoor buiten de groep bevond. In het midden ervan, ja, maar apart, wat me tot een onzegbaar lijden veroordeelde, maar evengoed tot een dubbel kijken, tot reflectie. Ik wist al vanaf het begin dat het onmogelijk zou zijn het sociale spel te spelen tot op het einde, dat alles uiteen zou spatten. Daaruit is mijn ambitie geboren, de droom om naar Parijs te gaan en films te maken. Ik was anders en ik moest iets doen. Maar we waren arm en onze dromen waren dat evengoed.

"Tegelijk besefte ik op mijn dertiende dat ik mijn seksualiteit geheel moest uitbannen. Ik had iets verwijfds, zie je, en dat was ook de omgeving niet ontgaan. Ik speelde seksuele spelletjes met buurjongens, maar toen ik hoorde en zag wat de gevolgen van sociale dissidentie waren, ging het alarm in mijn hoofd af. Er waren veel verhalen, maar vooral dat van een buurmeisje maakte grote indruk. Ze had tal van liefjes, en daarin verschilde ze niet echt van haar vriendinnen. Het onvergeeflijke was evenwel dat ze er geen geheim van maakte, en haar vrijheid publiekelijk claimde. Ik heb me later vaak afgevraagd wat er van haar zou zijn geworden. Haar vader ging naar de bevolkingsdienst om haar uit de familie te laten schrappen. Ze verloor haar familienaam en behoorde voortaan alleen nog toe aan de straat en aan haar vergruizelde dromen.

"De boodschap was duidelijk genoeg. En toen er enige tijd later, op een nacht die ik me tot op heden voor de geest kan halen, dronkenlappen voor ons huis kwamen zingen dat ik naar beneden moest komen zodat ze me zouden kunnen neuken, wist ik dat ook mijn verstoting niet veraf meer was. Het was niet de eerste vernedering, wel de ergste. Ik was bang dat dat imago van verwijfdheid zich voorgoed aan me zou vasthaken en besefte dat ik mijn leven over een volstrekt andere boeg moest gooien. De enige optie was te vluchten in studies, een onopgemerkte, welopgevoede, rustige jongen te worden, die zich niet met de lieden uit de buurt inlaat.

"Ik vluchtte in Franse literatuur en in cinema, dat laatste werd een haast religieuze obsessie. Jackie Chan en Bruce Lee waren mijn idolen, de liedjes uit de talrijke Bollywoodfilms die de goedkope bioscoop in de buurt programmeerde, kende ik vanbuiten. Wat er me verschrikkelijk in aansprak, was dat die films, die van zover kwamen, het eigenlijk over ons hadden. Ik hield van de illusie van rechtvaardigheid die ze creëerden, van hun sprookjesachtige karakter, waarbij het goede het altijd haalt van het kwade. In mijn hoofd en in mijn hart ben ik die cinema altijd trouw gebleven, die naïeve, melodramatische films die langs mijn huid naar binnen zijn gekropen. Het is vast ook daarom dat ik later zo van Douglas Sirk ben gaan houden".

Bovendien ging het in die middagen in de bioscoop niet louter om de film. Twee universums waren er, dat van het doek en dat ervoor. De duistere, bijna smerige wereld waarin zich allerlei verboden dingen afspeelden. "Het was een soort van sublimatie van mijn verboden begeerte, ik was deel van die schimmige, verstomde wereld vol lichamen die aanraakten, zuchten, transpireerden, vrijden, dronken. Een oord van prostitutie en verzwegen hartstocht was het, ik liet het allemaal over me komen en genoot ten volle van al die dingen die zodra de lichten opnieuw aangingen, door elkeen fanatiek zouden worden ontkend. Ik herinner me de adem van die oudere man op een middag, en mijn verlangen om erdoor omwikkeld te worden, om te verdrinken in zijn armen, zoals ik dat in die van mijn broer had gedaan.

"De bioscoop was de school van het verzet, ze heeft mij in ongehoorzaamheid getraind. Een fatsoenlijke jongen als ik hoorde er niet te komen, het geld voor het ticket stal ik dan maar van M'Barka. Ze heeft er nooit wat van gemerkt en stelde mijn dienstbaarheid juist op prijs, niet wetend dat ik op de boodschappen elke keer weer een paar centen afroomde.

"Mijn dromen om filmregisseur te worden werden verder gevoed door de Franse tijdschriften die mijn broer kocht, maar ik kwam er al gauw achter dat een studiebeurs voor Parijs bemachtigen geen sinecure zou zijn. Bovendien was er mijn afkomst, ik leefde in het Marokkaanse Arabisch van de armen, niet in het Frans van mijn kapitaalkrachtige medestudenten. Mijn gevoelens tegenover het Frans waren overigens erg dubbel: het was die taal waarmee men ons had verpletterd, maar tegelijk de enige die me in staat zou stellen aan de maatschappij te ontsnappen."

Taïa besefte dat hij zichzelf in het Frans moest heruitvinden en verplichtte zijn hart om zich alleen nog in die taal uit te drukken, in aanvankelijk moeizaam gekozen woorden, toevertrouwd aan een volstrekt geheim maar vlijtig bijgehouden dagboek, dat later de basis zou vormen van zijn debuut Mon Maroc.

"Het werd een interne noodzakelijkheid, ik wilde niet droog of bitter worden, niet alleen in woede en angst bestaan. Als Proust wilde ik zijn, dromend van een voorlopig nog onbereikbaar en volstrekt niet verwant universum. Mijn moeder heeft er alles aan gedaan om me bij haar te houden, om mijn vertrek naar Europa af te wenden. De heiligen die haar op bange dagen bijstaan, heeft ze om hulp gesmeekt, ze stelde haar hoop in betoveringen, in haar manipulatieve moederliefde en in mijn angst voor isolement. Ik hield mijn mond en wist dat het enige mogelijke vertrek dat zou zijn van een dief in de nacht."

"Ik voelde me de koning van Salé. Mijn paleis was de casbah van de Oudayas. En naast mij, die Zwitserse man, gisteren zo ongeveer een onbekende, vandaag een broer, een meester, een verliefde misschien, nog geen minnaar." Zo beschrijft Taïa in Broederliefde de zondagmiddag in april 1996 waarop hij de professor rondleidt in zijn stad. Het is daar, in die zonovergoten uren die ze in smalle stegen, op een bootje en op het strand doorbrengen, dat de inmiddels 22-jarige student Franse literatuur zijn eigen seksualiteit herontdekt. Het ijs van de angst dat zijn hart al jarenlang omklemt, smelt moeiteloos onder de warme aandacht van de westerse intellectueel van veertig. "Het lijkt wel", zegt Taïa lachend, "alsof ik voor die tijd gewoon niet bestond, of minstens onzichtbaar was. Op die dag is de narcist in me geboren, hij overweldigde de kleine, tengere jongen in slechte, oudmodische kleren naar wie geen mens omkeek. Ik had het gevoel dat alles wat ik tot die dag had gedaan, bedoeld was om tot bij hem te komen, tot bij de man voor wie ik ook nu nog een ontzettende bewondering koester."

De geheime werelden waarin Taïa zich jarenlang eenzaam had bekwaamd, konden plots gedeeld worden. Met de professor kon de student praten over Pasolini, Oscar Wilde en Jean Genet, hij kon zijn liefde voor westerse schilders en regisseurs demonstreren en ontdekte een kunst waarvan hij had gezworen dat hij haar nooit onder de knie zou krijgen, die van het verleiden.

In de maanden die volgden, bracht de student zijn leven door met het schrijven van brieven naar Genève. Hij verdeed er al zijn geld aan en gaf zelfs Arabische privéles om de kosten van de postzegels te kunnen dragen. En elke zaterdag, stipt om 21 uur, rinkelde thuis de telefoon.

De professor is in augustus van datzelfde jaar teruggekomen naar Marokko. Ze hebben samen twee weken in Marrakech doorgebracht en Taïa bedreef voor het eerst in zijn leven de liefde. Met een man. Nu zegt hij dat hij nooit heeft geweten in welke mate hij van hem heeft gehouden. Het is immers bij hun volgende ontmoeting, in augustus 1997, dat het is misgegaan.

Maar eerst was er het ongelofelijke gevoel van geluk. "Ik was in Europa", schrijft hij, "in Zwitserland. En alleen al het idee me in een ander land dan Marokko te bevinden, volstond om me in een toestand van geluk te houden, ik was tevreden als een kind in de hamam met zijn moeder, uitgelaten en verrukt als een boerenkinkel die voor de eerste keer in zijn leven de stad aandoet."

Met zijn minnaar ontdekt Taïa de Europese cultuur, hij aanschouwt werken van Holbein, Goya, Picasso en De Chirico. Maar als ze op een dag in een restaurant zitten en de professor even naar het toilet is, wordt hij door een ietwat arrogante, elegante man van rond de vijftig benaderd. De vreemdeling geeft de jongeman zijn visitekaartje, waarop staat dat hij goed betaalt.

"Voor veel mensen", schrijft Taïa, "en de meneer die me zijn kaartje kwam geven bevestigt dat alleen maar, was ik een hoer, een kleine hoer. Op stap in die 'nieuwe' wereld met Jean, behoorde ik hem in de ogen van de anderen toe als een seksueel ding. Ik kon niets anders zijn. Hij was het uiteindelijk die voor alles betaalde. En, zoals hij dat kon, kon de hele wereld me kopen."

"Ik huilde niet. Tranen zouden geen troost hebben geboden. Ik begreep het niet. Maar ik werd me bewust van die nieuwe versie van mezelf, die me overtrof. En vanbinnen was er iets onherstelbaar kapot."

Taïa zegt dat dat niet het enige is. Als iemand alles voor je betaalt, dan behoren zelfs je fouten hem toe. De professor bleek al gauw niet alleen charmant, interessant en attent maar bovenal possessief. Hij overlaadde de jonge Taïa met een liefde die hem verstikte. "Ik heb er later vaak over gepiekerd, het lijkt wel alsof de geschiedenis zich immer herhaalt en ik voortdurend mijn oude fouten overdoe. Hoe langer ik bij de professor bleef, hoe meer ik van hem weg wilde en hoe meer hij van me hield. Nu besef ik wat mannen als hij in me aantrekt: het heeft weinig met mijn persoonlijkheid te maken. Mijn jeugd bekoort, zo is het, en mannen als hij hopen dat die dan enigszins op hen zal afstralen."

Als Taïa in 1998 als beursstudent naar Genève reist voor de voortzetting van zijn studies Franse literatuur, begint een nieuw, hard leven. "Ik moest schrijven, om het gemis goed te maken van mijn land dat in mij zat en tegelijk weg was. Het was in Rabat al begonnen, aan de universiteit. Om mijn Frans te verbeteren, besloot ik een dagboek bij te houden in die taal. Die verhalen begon ik te herwerken en ik schreef er andere."

Taïa verruilt Genève meteen na zijn studie voor Parijs, hij woont enige tijd samen met een Fransman en leert uiteindelijk de liefde van zijn leven kennen. Van Tunesische afkomst is deze afgieter van bronzen sculpturen, een arbeider eigenlijk, die in de jaren voor ze elkaar leerden kennen als echtgenoot en vader van drie kinderen door het leven ging. Het was een verzengende, onredelijke liefde, compromisloos, dramatisch en bij voorbaat verdoemd. "In mijn hoofd is het als een Arabisch gedicht, een relatie van totale passie, van slaande ruzies, huilen en neervallen op straat. Een nieuwe wereld ging voor me open: die van de liefde zoals ze in mijn moedertaal wordt bedreven. Door anderen dan toch, want onze woorden baden in mijn land in schaamte en verbod. Ze in de vrijheid van de Franse hoofdstad te kunnen uitspreken, op elk uur van de dag en de nacht, had iets revolutionairs voor ons. Het transformeerde ons beiden, ik werd als zijn vrouw, een die niets anders dan de liefde voor haar man heeft."

En toch. De Tunesiër was een onredelijke man, driftig en ziekelijk jaloers. "Dat ik nog met andere mensen wilde omgaan, kon hij zich geenszins voorstellen. Zelfs de avond waarop mijn debuutroman werd gelanceerd, wist hij grandioos te verpesten. En toch raakte hij me op een manier en met een intensiteit die me nooit eerder of later overkwamen. We deelden onze spiritualiteit, de djinns waar we altijd al in hadden geloofd, de wierook en de mythische Arabische verhalen. Het was als thuiskomen, herboren worden in een vertrouwde wereld, maar nu bevrijd van alle ketenen die me tot vertrekken hadden verplicht.

"Alleen viel er met hem, mijn ware geliefde, niet te leven. Hij belichaamde het beste en het slechtste, hij putte me emotioneel uit. Zijn waanzin dreigde op me over te slaan, ik moest ontsnappen, ondanks mezelf."

Taïa vluchtte. Weg van de liefde, weg van Parijs. Naar de provincie en het huis van een gecultiveerde Fransman. Naar het stadje Tours, waarvan hij na een enkele dag al wist dat zijn verblijf er slechts tijdelijk was. Hij kon daar genoegen mee nemen, voorlopig toch, tot zijn wonden gelikt zouden zijn, zijn krachten waren teruggekeerd en de rede de stormen van de passie en de zelfdestructie tot bedaren zou hebben gebracht.

"Het was een klein leven", zegt hij nu spottend, "dat steeds meer ging knellen. Ik ging me de gentil petit marocain voelen, die lekkere tajines maakt en altijd glimlacht op de feestjes. En hoe sterker dat gevoel werd, hoe meer ik besefte dat het tijd was om afscheid te nemen. Ik moest terug naar mijn dromen, die van films en van Parijs. En toen ik zeker wist dat ik er klaar voor was, kwam ik terug. Om in het huis van Edith Piaf te komen wonen, aan filmscenario's te werken en contacten te leggen met regisseurs."

Abdellah Taïa, Broederliefde, uitgeverij Van Gennep.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234