Vrijdag 21/01/2022

'De piano is een heel vriendelijk instrument'

Sinds haar optreden op Jazz Middelheim, zomer 1987, heeft de carrière van pianiste Geri Allen een enorme evolutie doorgemaakt. Toen was ze een ontdekking, vandaag wordt ze zonder meer tot de grootste en veelzijdigste talenten van de jazz gerekend. Ze speelde met Charlie Haden en Paul Motian, ging een adembenemende confrontatie aan met zangeres Betty Carter, maakte indruk als componiste met haar opnamen voor Blue Note en won als eerste vrouw de prestigieuze JazzPar-prijs. De motivatie leerde ze van haar idolen: de wil om muzikale plekken te zoeken waar niemand voorheen geweest is. Een gesprek.

Didier Wijnants / Foto Stephan Vanfleteren

Geri Allen straalt een en al rust uit als ik haar ontmoet in het Brusselse Métropole Hôtel. Nochtans is het voor haar geen vakantie. Tijdens de rustdag van een Europese tournee heeft haar nieuwe platenmaatschappij Verve een promotiedag ingelast. Ze neemt de opdracht graag ter harte, zelfs al eist haar piepjonge zuigeling Barbara soms al haar aandacht op. Acht jaar geleden nam ze de beslissing om haar jazzcarrière te combineren met een gezinsleven - ze heeft drie kinderen samen met haar man, trompettist Wallace Roney - en dat lijkt haar goed te lukken.

Geri Allen: "In mijn huidige situatie kan ik uiteraard niet alles doen. Het is vooral moeilijk als ik niet zelf de groepsleider ben. Je kunt van je collega's niet alles verlangen. Maar als ik zelf de touwtjes in handen heb, valt het best te combineren."

Intussen weet ze wel dat ze al eens een goede gelegenheid moet laten voorbijgaan. In haar geboortestad Detroit (°1957) leerde ze van kindsbeen af de sociale aspecten van de jazzmuziek kennen. Ook later in New York sloot ze zich makkelijk aan bij anderen om ideeën uit te wisselen. Met saxofonist Steve Coleman deelde ze een interesse voor soul en funk, brokjes jeugdcultuur die ze subtiel in haar jazzverhaal laat binnensluipen. Ze zou ook vandaag graag wat vaker als een 'side person' fungeren in andermans projecten - "dat is leerrijk en verrijkend" - maar dat lukt dat nu eenmaal niet. Al heeft ze twee jaar geleden toch een uitzondering gemaakt voor Ornette Coleman.

Allen: "Die kans heb ik niet laten liggen. Het was zijn zoon Denardo Coleman die me gebeld heeft. Dat is ongeveer hetzelfde als wanneer Ornette zelf gebeld zou hebben. Ik had Ornette eerder ontmoet tijdens een studio-opname met Charlie Haden en Paul Motian. We namen toen zijn compositie 'Lonely Woman' op en Ornette zei dat hij van onze interpretatie hield. Voor mij was dat een grote opsteker. Een tijdje later nodigde hij me uit om met het kwartet te spelen. Ik was daar heel opgewonden over. Want Ornette had al decennialang niet meer met een pianist gewerkt, dus dat was een buitengewone eer voor mij en een geweldige ervaring."

Of hij een verklaring gaf waarom hij zo zelden met pianisten werkt?

Allen: "Ik denk dat hij in de piano geen geschikt vehikel voor zijn ideeën zag. Je blaast er geen lucht door, dus je hebt bij een piano zeker niet dezelfde lichamelijkheid. Het heeft niet de levensadem in zich zoals een blaasinstrument dat heeft. Ik denk dat het daardoor ook moeilijker is om bepaalde dingen te bereiken op een piano omdat je er niet in blaast. De expressie is niet zo direct. Ik heb Ornette wel eens lelijke dingen over de piano horen zeggen. Hij suggereerde bijvoorbeeld dat het min of meer een technisch instrument zou zijn. Ik ben het natuurlijk helemaal niet eens met hem (lacht). Het is wel heel verschillend. De manier waarop je een melodie gestalte kunt geven en aanhouden. Snaarinstrumenten doen dat ook helemaal anders. Je kunt de strijkstok gebruiken en lange, intense lijnen uittekenen. Een blaasinstrument kan dat ook. Een piano functioneert helemaal anders. Maar ik hou er heel erg veel van. Als pianist weet je ook dat elk instrument zijn eigenaardigheden heeft. De opgave is altijd om je niet te laten vangen door de fysieke beperkingen of eigenaardigheden van het instrument waarop je speelt. Je moet dat hoe dan ook overstijgen. Elk instrument is nu eenmaal beperkt. Maar voor mij is de piano in eerste instantie een heel vriendelijk instrument. Ik heb er al vele jaren mee doorgebracht, maar er valt nog enorm veel te leren."

"Er zijn wel pianisten die hun eigen instrument overal meenemen. Mij is dat nog niet gelukt, maar ik zou het wel graag doen. Als ik naar de huidige tournee kijk, ben ik best tevreden: ik heb twee heel goede instrumenten gehad en van alle andere was er geen enkel dat ik met tegenzin bespeeld heb. Dus dat is oké. Thuis heb ik een heel goede piano, en dan neem je op tournee niet makkelijk vrede met minder."

Ze twijfelt een beetje wanneer ik vraag of dat een objectief gegeven is. Zou een goed instrument voor Geri Allen ook een goed instrument zijn voor een klassieke pianist, bijvoorbeeld?

Allen: "Er zijn een paar basisgegevens. Sommige dingen zijn een kwestie van smaak." Ze denkt na: "Ik hou van een krachtig toucher en ik heb graag een gevoelig en soepel reagerend instrument. Maar in feite denk ik dat die criteria voor iedereen dezelfde zijn. Sommigen houden misschien meer van een donkere klank, anderen verkiezen een heldere kleur, maar de basis is voor iedereen hetzelfde en als je het nagaat zal iedereen het daar gauw over eens zijn."

De bekende grap van haar collega Paul Bley ("Het schijnt dat ik een concertvleugel als een buffetpiano kan doen klinken") neemt ze niet al te ernstig. En met Bley als pianist - vóór haar de laatste pianist die met Ornette Coleman werkte - voelt ze zich niet meteen verwant.

Allen: "Ik ken zijn werk, ik waardeer het erg. Maar als ik mensen moet noemen met wie ik me echt verwant voel als pianist, dan zijn dat Herbie Hancock, McCoy Tyner en Cecil Taylor."

Drie namen die klinken als een klok, maar ook drie heel verschillende persoonlijkheden.

Allen: "Inderdaad. Maar ik ben door alledrie sterk beïnvloed en ik heb ook de invloed van hún invloeden ondergaan: Bud Powell, Thelonious Monk, al die fantastische muzikanten."

"Neem nu Herbie Hancock. Voor mij is hij de Bud Powell van vandaag. Alle pianisten die na hem gekomen zijn, hebben hem proberen te imiteren of na te volgen. Dat is vergelijkbaar met de impact die Bud Powell in zijn tijd had. Als componist, als arrangeur. Hij is een genie, hij heeft de muziek ver vooruit gestuwd, naar plekken waar niemand voor hem geweest is. En dat is waar wij allemaal naar moeten streven. Het geldt ook voor Tyner en Taylor. McCoy Tyner heeft samen met John Coltrane een sound gecreëerd die voordien onbestaande was. Herbie heeft hetzelfde gedaan met dat fameuze Miles Davis Quintet. En Cecil heeft het gedaan met de Cecil Taylor Unit. Iets nieuws, onuitgegeven: dat is echte innovatie. Wat die drie mensen gerealiseerd hebben is voor mij ongeëvenaard. Dat moet een leidraad zijn voor ons allemaal. Maar ze hebben de lat heel hoog gelegd, dat moet je goed beseffen."

Op haar recente opnamen is de invloed van Herbie Hancock nog het meeste voelbaar. Op de nieuwe cd The Gathering heb je enerzijds die sterke interesse in heel moderne jazz, eigentijdse klanken, sferen en compositiemethodes, en anderzijds die grote affiniteit met soul en popmuziek. Heel verschillende en schijnbaar tegengestelde stemmingen, net zoals bij Hancock.

"Hedendaagse jazz en soul: dat zijn inderdaad mijn invloeden en op The Gathering heb ik ze met vreugde omarmd. Weet je: op dit moment ben ik in mijn kunst op een niveau gekomen dat ik daar relatief onbekommerd mee kan omspringen. Ik denk dat ik gewoon mezelf moet kunnen uiten, zonder de rem van conventies te moeten aanvaarden. Dat heb ik gedaan, gewoon de dingen gecomponeerd en opgenomen die me goed leken, waar ik me perfect bij voelde. Ik vind ook dat de muzikanten heel toegewijd waren."

"Een ander belangrijk punt aan The Gathering is dat ik mij als componiste opnieuw sterker kon profileren. Al mijn muzikale 'helden' waren zowel componist als muzikant. Ik heb dat voor mezelf ook altijd voor ogen gehouden: ik wilde een conceptualist worden, zodat mijn werk als componist me zou helpen bij mijn spel en omgekeerd. Een soort circulaire beweging tussen de twee."

Jammer genoeg hebben weinigen haar laatste opname voor Blue Note gehoord omdat de plaat nauwelijks behoorlijk verspreid werd.

Allen: "Die plaat heet Eyes in the back of your head en op een van de nummers was Ornette Coleman mijn gast. Dat was een manier om hem te bedanken en ook een historisch moment voor mezelf. Die plaat was vooral op improvisatie gericht. De composities waren vaak slechts schetsen, we improviseerden gewoon in de studio. Dat is heel ongewoon tegenwoordig. Naast Coleman speelden ook percussionist Cyro Baptista en mijn man Wallace mee."

Haar man Wallace Roney, die ze ook muzikaal vurig bewondert.

"Ik denk dat Wallace de pech gehad heeft aanvankelijk te worden geassocieerd met de zogenaamde Young Lions. Daardoor hebben weinigen de moeite genomen om zijn verhaal echt te volgen. Wallace is de laatste jaren ook sterk gegroeid als groepsleider. Maar hij heeft veel afgunst moeten ondervinden sinds Miles Davis hem uitverkoren had als zijn geestelijke erfgenaam (vlak voor zijn dood schonk Miles zijn trompet aan Roney; DW). Weet je: in de jazz is de fakkel altijd door de muzikanten doorgegeven aan de volgende generatie. Dizzy gaf de fakkel aan Miles. Roy Eldridge gaf hem aan Dizzy. En in die traditie is Wallace duidelijk 'the next one'. Maar vandaag is het helaas de industrie die bepaalt wie de fakkel draagt."

Geri Allen concerteert met bassist Ralph Armstrong en drummer Vince Wilburn op woensdag 11 november in C.C. Luchtbal in Antwerpen. Inlichtingen: 03/543.90.30.

'Hedendaagse jazz en soul zijn mijn invloeden'

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234