Vrijdag 03/07/2020

GeschiedenisZwarte Dood

De pest, de grootste pandemie ooit, kostte een derde van de Vlamingen het leven

Deze oude tekening toont een begraving in Doornik. Tienduizenden Vlaamse doden belandden in massagraven.Beeld RV

Niks is zinlozer dan het meten van pijn, angst en verdriet. Covid-19 slaat diepe wonden, punt andere lijn. Maar in omvang, en ook in gruwel, was de grootste pandemie uit de geschiedenis toch van een andere orde. 

De pest die tussen 1347 en 1351 door Europa trok, kostte het leven aan 100 miljoen mensen. Ook in Vlaanderen liet een derde van de bevolking, in drie maanden tijd, het leven. Het was een horrorfilm waarin de overlevenden als zombies ronddwaalden en soms zelf aan het moorden sloegen. De Zwarte Dood bracht het slechtste in de mens naar boven, maar toonde ook zijn ongelooflijke veerkracht.

Ondraaglijke pijn

Toscane, 1348. In het prachtige Firenze hangt een vrouw door het raam van een duur patriciërshuis. Ze schreeuwt om hulp naar al wie op straat voorbij wandelt en er is niemand die haar niet hoort, maar ook niemand die reageert. De passanten kennen haar verhaal, het is het verhaal van zoveel anderen die haar de voorbije weken zijn voorgegaan, en allemaal weten ze dat helpen zelfmoord is. 

De vrouw is door haar man en kinderen verlaten omdat ze de pest heeft en ook dokters, ziekenzorgers en priesters willen niet meer langskomen. Ze spuugt bloed en stinkt als een riool, het teken dat de dood op de drempel staat. Straks zal ze in ondraaglijke pijn en eenzaamheid sterven en zal de geur van haar ontbindend lichaam zich in de straten van Firenze vermengen met die van tientallen andere lijken op verlaten sterfbedden in de stad. Haar enige troost is dat het niet lang meer zal duren, hooguit twee dagen, en dat ze misschien niet weet dat ze dan in een geïmproviseerd massagraf aan de rand van de stad zal belanden, waar de lijken als lagen van een lasagne gestapeld liggen en waar honden en varkens zich 's nachts te goed komen doen aan het zieke vlees en één van die beesten haar misschien een arm zal uitrukken die 's anderendaags teruggevonden wordt in de stinkende straten van het prachtige Firenze.

Beesten in Azië

De beschrijvingen van dit weerzinwekkende tafereel, de vergelijking met de lasagne incluis, zijn geplukt uit ooggetuigenverslagen van die tijd. Soortgelijke gruwelscènes zag je tussen 1347 en 1351 niet alleen in Firenze of Siena, maar in heel Europa. De dood wandelde overal door de straten. Je kon hem zien, horen en ruiken. De chaos was totaal en het verdriet en de angst zo bruut dat mensen na een paar weken compleet murw geslagen waren. "Niemand kon nog huilen om zijn doden", schreef een Italiaanse overlever, en die vaststelling duikt in bijna alle kronieken van die tijd op. Een generatie Europeanen die de jaren voordien al honderdduizenden mensen had begraven na oorlogen en hongersnood, was gekraakt.

De impact was zo hevig dat hij zelfs nu nog zichtbaar is in onze taal. Ook vandaag stinken dingen nog altijd als de pest, hebben we ergens de pest aan, pesten we anderen, verpesten we het.

De epidemie begon bij beesten in Azië, waarop ze naar Italië trok en zich verspreidde over het hele Westen. Het traject van de pest leek griezelig veel op dat van Covid-19. Maar daar houdt de vergelijking op. De pest was geen virus, maar een bacterie. Ratten en marmotten konden het krijgen, maar ook hun vlooien. Eens zo'n vlo besmet raakte, blokkeerde hun maag en gingen ze wanhopig op zoek naar eten, ook bij de mens, een soort die ze meestal schuwden. De vlooien bleven bijten en drinken om hun hongergevoel te stillen en bij elke beet spuwden ze bloed van een vorig slachtoffer in de wonde van het nieuwe slachtoffer. Was dat een mens, dan kon die medemensen besmetten, en dat gebeurde net zoals bij Covid-19 door het verspreiden van speekseldruppeltjes.

Sommigen kregen builenpest. Een pijnlijke knobbel in de liesstreek, de oksel of de hals die ging zwellen, etteren en uiteindelijk het hele lichaam verteerde. Anderen kregen longpest. Ze gingen bloed ophoesten en stierven binnen de 48 uur. Bijna overal waar de pest toesloeg, zouden beide vormen van de ziekte opduiken.

De eerste doden vielen in het grote Mongoolse rijk van de Khans, vandaag is dat grosso modo China en Rusland. De helft van de Chinezen heeft het toen niet overleefd. Maar ook met ziekte in de rangen, bleven de Mongolen vechten en veroveren. Toen ze in de Krim een oud-Grieks havenstadje belegerden dat gerund werd door handelaars uit Genua, hebben ze die Italianen besmet. Bewust. Het was biologische oorlogsvoering avant la lettre. Met katapulten schoten de Mongolen hun eigen pestdoden over de stadsmuren van Kaffa. De lijken spatten met honderden op de daken uiteen, werd er jaren nadien geschreven. Het is een verhaal dat sommige historici betwisten. Ze zien er een excuus in dat moet verklaren hoe de christelijke Italianen toch getroffen konden worden door een ziekte die God voor de goddelozen had gereserveerd.

Straf van God

Hoe dan ook, de pest ging mee aan boord met de vluchtende handelaars uit Genua en kwam in november 1347 na een lange tocht aan in de Siciliaanse havenstad Messina. Wat zich daar vervolgens afspeelde, zou zich herhalen over heel Europa. Een paar dagen na de aankomst van het schip begon het overlijden aan de lopende band. Niet te stoppen, tot na een maand of drie het bevolkingsregister was gehalveerd en het vuur vanzelf doofde. En zo ging het overal, van Zuid-Spanje tot Scandinavië en alles wat daartussen lag, een rooftocht van ruim drie jaar.

Dat was lang, maar de pest rukte traag op. In een tijd waarin niks sneller ging dan een paard en de meeste mensen nooit of zelden hun eigen dorp of stad verlieten, had ook een ziekte tijd nodig om zich te verplaatsen. Die tijd betekende geen winst. Van voorbereiden op wat er aankwam, was geen sprake. De medische wetenschap stond in de middeleeuwen zo goed als nergens en niemand had er ook maar het minste benul van waar de ziekte vandaan kwam of hoe je die kon bestrijden. De grootste wetenschappers uit die tijd raakten niet verder dan "slechte dampen", "een straf van God", "bloed aflaten" en "kruiden verbranden". Dat het een straf van God was, wat de overgrote meerderheid toen geloofde, zorgde ook voor gelatenheid. Tegen de almachtige mocht niemand zich verzetten, je moest zijn woede in nederigheid ondergaan.

Ook van zichzelf waren de middeleeuwers slecht gewapend tegen de pestbacterie. Hun immuunsysteem was de jaren voordien zwaar op de proef gesteld door ondervoeding. In 1316 stierven honderdduizenden van de hongersnood, Ieper verloor bijvoorbeeld tien procent van zijn bevolking, en de kinderen van toen zouden altijd zwakker blijven. Ook de bloederige oorlogen die overal in het continent tot aan de komst van de pest volop aan het woeden waren, hadden de immuniteit van de mensen aangevreten, vermoeden wetenschappers vandaag, want dat doet stress met een mens. En dan was er nog eens overbevolking. De economie kon niet volgen met de productie, er was schaarste en geen van de steden was voorzien op de hoeveelheid volk die er woonde.

Bovendien was hygiëne zo goed als onbestaand. Nog voor de komst van de pest stonk het in Firenze, Parijs en Gent al naar dood en riool. Rijk en arm waste zich maximum een keer of drie per jaar, de meeste mensen verversten zelden of nooit hun kleren en haast iedereen kieperde toiletpotten op straat. In sommige steden was je verplicht eerst een verwittiging te roepen voor je dat deed, maar lang niet overal. Op warme dagen rook het in de steden ook naar bloed en slachtafval dat de beenhouwers voor hun deur lieten liggen tot de honden of de regen ermee aan de haal gingen.

Chantage

Ook de communicatie verliep in die tijd traag. Het nieuws ging amper sneller dan de pest, maar zelfs wie op tijd was verwittigd, deed weinig anders dan bang afwachten. Ook hier in Vlaanderen waren we gealarmeerd, zeker in Brugge. De kanunniken van de Sint-Donaaskerk kregen in de zomer van 1348 een brief van hun goede kennis Lodewijk Heyligen. Die was weken eerder verstuurd in Avignon, de stad waar de paus verbleef en waar Heyligen als secretaris werkte in wat we nu het Vaticaan zouden noemen. In de brief meldde Heyligen zijn Brugse vrienden dat een vreselijke ziekte in Avignon 62.000 mensen had gedood, hij beschreef hoe lijken als wrakhout in de Rhône dobberden en verwittigde dat die pest nu al een heel eind op weg was naar Vlaanderen. Er is geen ontkomen aan en er is ook geen kruid tegen gewassen, schreef hij.

De kanunniken hadden al van de pest gehoord. Ze wisten dat hij in Italië voor een genocide had gezorgd, maar daarover maakten ze zich toen niet echt zorgen: de Alpen zouden die ziekte wel tegenhouden, dachten ze. Nu maakten ze zich wel zorgen. Zou het worden zoals dertig jaar eerder, toen de grote hongersnood van 1316 de mensen voor dood had achtergelaten in de straten en velden? De kanunniken die de pest zouden overleven, wisten het antwoord op die vraag al een half jaar later. Heyligen had in zijn brief niet overdreven. Van de 35.000 inwoners van hun stad bleven er maar een goeie 20.000 meer over. In de straten hadden lijken gelegen. Net buiten de stad was een massagraf aangelegd, zes voetbalvelden groot. Zo goed als alle ziekenverzorgers en dokters in de stad waren overleden.

In Brugge, en ook in Parijs, zetten die bewust hun leven op het spel, maar in vele andere delen van Europa gebeurde dat niet of amper. Zieken werden gemeden, als de pest zouden we vandaag zeggen, vaak ook door eigen familie. De ziekte wakkerde de meest primaire instincten aan, ook die van de jungle. In Firenze doken grafdelvers op van buiten de stad die de gevaarlijke klus voor veel geld wilden klaren. Iedereen had schrik van ze, dus gingen ze ook stelen en verkrachten en chanteren. Wie niet betaalde, vermoordden ze.

Prostitutie bloeit

In steden waar de pest intrek had genomen, dook een deel van de bevolking in drank en seks. Als God ze dan toch kapot zou maken, dan gingen ze liever verdoofd. Prostitutie bloeide, want de armoede duwde veel vrouwen de straat op. Na de doortocht van de pest nam Gent, toen de grootste stad van Vlaanderen, een reeks maatregelen die het cafébezoek en de straatprostitutie aan banden moesten leggen. Het was blijkbaar nodig.

De angst leverde ook een zondebok op. Joden vond je in Europa overal. Ze waren vaak rijk omdat zij - in tegenstelling tot de christenen van die tijd - bankier mochten zijn. Bovendien waren ze ook beter opgeleid dan de massa die uit analfabeten bestond. En ze hadden natuurlijk de dood van Jezus op hun geweten, leerde elke katholiek. Antisemitisme bestond met andere woorden al lang voor de komst van de pest. Geregeld werden joodse wijken aangevallen, geregeld vielen er slachtoffers. Maar toen de Zwarte Dood Frankrijk had bereikt, stak er een nooit geziene storm van jodenhaat op, die zich net als de ziekte gaandeweg verspreidde over het continent. Nadat er in de Provence al duizenden volgelingen van de Thora zonder aanwijsbare reden waren geslacht, kwam er plots groot nieuws uit de Zwitserse stad Chillon. De autoriteiten daar hadden een jood gearresteerd en die had - na foltering - toegegeven dat hij lid was van een soort terroristenbeweging. Onder leiding van ene rabbi Jacob waren groupuscules Joden in heel Europa bezig het drinkwater te vergiftigen, met als enige doel de teloorgang van het christendom. Dit zorgvuldig geconstrueerde fake news - het verslag stond bol van de details - trok als een vuur naar Duitsland, waar de ene grote stad na de andere Joden uitroeide op een bijna even grote schaal als de nazi's zouden doen. Ook in ons land gebeurde het. In Brussel werden honderden Joden op een inderhaast gebouwde brandstapel gebonden. Hun doodskreten mengden zich met het gejuich van de grote menigte die toekeek.

Religieuze fanatici

Het antisemitisme werd in die tijd nog extra aangewakkerd door de zogeheten flagellanten, religieuze fanatici die vanaf het einde van 1348 in groepen van vijftig tot honderd al zingend van stad naar stad trokken, vaak gehuld in de witte kappen die de Ku Klux Klan later zou dragen. Ze hielden een kruistocht tegen de pest. In de stad aangekomen, ontblootten ze op een plein het bovenlijf en begonnen ze zichzelf tot bloedens toe te geselen met kettingen waaraan weerhaken zaten. Het was een reinigings- en boeteritueel dat de genade van God moest afdwingen. Op sommigen werkte dat macabere spektakel even aanstekelijk als de pest. Steeds meer jonge mannen sloten zich aan, en ook toen kwamen de jeugdige extremisten vaak uit de armoede of de criminaliteit. In Vlaanderen zijn er zeker vijfduizend gepasseerd, we weten zeker dat ze in Doornik, Gent en Brugge zijn geweest. Soms begonnen ook de toeschouwers zichzelf te pijnigen, soms doopten ze hun zakdoeken in het bloed van de geselbroeders om er hun wangen mee te besmeren, in de hoop dat het als medicijn zou werken. Ook die "cruusbroeders", zoals ze bij ons werden genoemd, keerden zich tegen de Joden en veroorzaakten nieuw haatgeweld. Uiteindelijk zou paus Clement VI zowel de jodenvervolging als de flagellanten verbieden en beide uitwassen verdwenen bijna onmiddellijk als sneeuw voor de zon.

Dat deed ook uiteindelijk de pest. Het normale leven hervatte zich met een gemak dat aan het onwaarschijnlijke grenst. Er was een inflatie van wel honderd procent, en dus veel armoede, er waren tekorten, er waren sociale spanningen, maar het maatschappelijk weefsel ging niet kapot. De mens deed voort en dat deed hij ook tien jaar later, toen de pest in 1361 opnieuw de kop opstak. Nog drie eeuwen lang zou de ziekte met intervallen terugkeren en miljoenen mensenlevens eisen, maar nooit zou hij nog zo hard toeslaan als toen.

"Wie zulke horror niet heeft gezien, mag zich gezegend noemen", schreef Agnolo Di Tura jaren na de doortocht van de pest in zijn Siena. De Dikke, zoals hij werd genoemd, had 80.000 stadsgenoten zien verdwijnen in een handomdraai. Hij had zijn vrouw en vijf kinderen met eigen handen begraven. Toen hij zijn verhaal opschreef, was hij hertrouwd, getekend en gelukkig.

De belangrijkste bronnen voor dit artikel waren de boeken 'Hoe de Zwarte Dood Vlaanderen en Europa veranderde' van Joren Vermeersch (2019) en 'The Great Mortality' van John Kelly (2005).

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234