Zondag 14/08/2022

De paring van stripverhaal en altaarstuk

Wie niet een van de 120.000 bezoekers van het afgelopen retrospectief in Parijs was, krijgt nu een nieuwe kans om met hem kennis te maken. De tentoonstelling in de Antwerpse galerie Ronny Van de Velde stelt vooral scherp op zijn grafisch werk vanaf de jaren tachtig. Decennia na zijn Cobra-debuut blijkt de kunstenaar nog steeds niets van zijn kracht te hebben ingeboet: welkom in de speelse, sprookjesachtig griezelige, eindeloos beweeglijke wereld van Pierre Alechinsky.

Eric Bracke

Voor een beginneling is een lithografie beangstigend. Elke beweging is kostbaar, elke fase van het werkproces, elk uur," schrijft Pierre Alechinsky (Brussel, 1927) in de catalogus bij zijn tentoonstelling in galerie Ronny Van de Velde. "Tekenen op steen ging me beter af toen ik wat ouder werd en een paar doeken had verkocht. Zo werd ik omstreeks 1960 klant bij een toevallige onderaannemer van Mourlot; hij had de gedichten gebracht van Charles d'Orléans, mooi gekalligrafeerd, en met de pen gestreeld door Matisse."

De bijdrage die de autodidactische kunstenaar voor de fraaie tweetalige catalogus schreef, roept de sfeer op van ambachtelijke drukkerijtjes waar men met geduld, liefde en vakmanschap de prenten van kunstenaars afdrukt. Die sfeer is afwezig in galerie Ronny Van de Velde, waar Alechinsky's grafiek van de laatste twee decennia vlekkeloos precies wordt gepresenteerd. In de hoge benedenzaal van de galerie ondergaat de bezoeker meteen na zijn entree een esthetische schok. Hier geen geur van olie en inkt, maar drie monumentale werken, vrij ademend tegen het smetteloze wit van de muren, die je onderdompelen in Alechinsky's meesterschap. Zelfs wie hierna meteen rechtsomkeert zou maken en het pand verlaten, zal doordrongen zijn van de essentie van het werk van de kunstenaar.

Overheersend zijn de beweging en werveling van lijnen en vormen die nagenoeg al Alechinsky's werk kenmerken. In de ascetisch modernistische architectuur van architect Baines valt dit aspect meer dan ooit op: S-vormige lijnen, spiralen en concentrische cirkels zijn de belangrijkste dynamiserende tekens in Alechinsky's verbeeldingen. Vaak lijkt de toon van deze reusachtige tekenverhalen somber en beklemmend, zoals in Passarelle (II) uit 1986, maar dat naargeestige gevoel wordt meestal gecompenseerd door de ongekunstelde manier waarop de kunstenaar de dingen naar zijn hand zet. De hoge bakstenen muur bijvoorbeeld, een beeld dat vaker in Alechinsky's oeuvre opduikt, roept enerzijds een gevoel van afgeslotenheid en gevangenschap op, maar kronkelt zich anderzijds met de sierlijkheid van een cobra.

Die contradictie verleent de verbeelde wereld van Alechinsy iets sprookjesachtigs. Zoals de gruwelen in de sprookjes die we hun 's avonds vertellen onze kinderen geen slapeloze nachten bezorgen, loop je na het aanschouwen van de wemelende monsterlijke tronies of een als een vulkaan bloedspuwende hals niet schichtig en huiverend door de galerie. Het is een gewillige, buigzame wereld die, zo lijkt het, de kunstenaar moeiteloos, uit de losse pols, weet op te roepen. De afgedrukte voorstellingen vertellen hun verhalen zo ongedwongen dat je het zeer secure werk met de etsnaald dat eraan vooraf is gegaan vergeet.

In de eerste zaal van de galerie hangt ook het indrukwekkende Le Volturno (1989), bestaande uit vier grote stroken tekeningen in Oost-Indische inkt die op doek zijn gekleefd ('gemaroufleerd'). Aan de horizon hangt een schip schuin in de baren, uit de schoorsteen stijgt een rooksliert spiraalvormig op. In een ander tafereel suggeren de kringen in het water een zinkend vaartuig. Ook rond de zon zijn concentrische stippellijncirkels getekend - het roept de nachtmerrie van mateloze dorst te midden van een eindeloze plas zout water op. In een andere prent klotst de zee kolkend voort, of breekt de zondvloed los uit een inktzwarte hemel. In de andere zaaltjes zie je vulkanen hun hete gal spuwen, of spookachtige silhouetten van kale bomen die ontstaan zouden zijn na de grote bosbranden in het zuiden, in de buurt van waar Alechinsky werkt. Nooit is er stilstand in zijn werk, zelfs de rand van de tekening is omzoomd met een lijn met kleine rechtopstaande haartjes.

Je kunt Alechinsky's monumentale grafiek zien als de vrucht van een paring tussen een stripverhaal en een altaarstuk. Dat komt natuurlijk door het epische karakter van de opeenvolgende beeldfragmenten die de kunstenaar samenbrengt. Met de strip hebben Alechinsky's werken de niet-academische tekenstijl gemeen, al ontbreekt het lineaire scenario en de conventionele spanningsopbouw. De samenhang in de vertelling van de kunstenaar is onderbewust-associatief. Van de altaarstukken onderscheiden ze zich dan weer door hun profaan karakter.

Toch is die laatste associatie, die in de sacrale ruimte van de galerie als vanzelf bij je opkomt, misschien niet zo ver gezocht. Alechinsky spreekt bij sommige werken toch zelf van een predella. Daarmee wordt gewoonlijk het beschilderde onderstuk aangeduid waarop het eigenlijke retabel rust. Bij Alechinsky is het het onderste deel van het werk, dat zich meestal van de rest onderscheidt door een anders gekleurde ondergrond waarop een afbeelding is afgedrukt die niet bij de eigenlijke voorstelling hoort. Bij Ronny Van de Velde zijn op de bovenste verdieping bijvoorbeeld werken te zien die zijn uitgevoerd op afgedankte luchtnavigatiekaarten. De predella is hier een ander deel van zo'n kaart.

Typisch voor Alechinsky zijn ook de in kleur contrasterende randtekeningen die rond de eigenlijke taferelen zijn aangebracht. Dit procédé dook voor het eerst op in zijn beroemde schilderij Central Park uit 1965. In het al eerder aangehaalde Passerelle (II) is de rand een drukke grijze wemeling van zogenaamde frottages. Dat zijn in dit geval afdrukken van profielen van industriële gebruiksvoorwerpen die opdoemen als je er een blad papier overheen legt en er bijvoorbeeld met de zijkant van een potloodpunt over wrijft. Weer aanknopend bij de vergelijking met de altaarstukken zou je ze, met een beetje goede wil, kunnen zien als de grisaille-beschilderingen op de achterkant van veelluiken. Ook deze statische grijsschilderingen van polyptieken houden niet rechtstreeks verband met het thema van het altaarstuk. Al is het natuurlijk waar dat de juxtapositie bij Alechinsky in een oogopslag wordt waargenomen.

Of we hem nu een schilder van profane altaarstukken of een artistiek veredelde striptekenaar noemen, merkwaardig is dat Pierre Alechinsky in de aan sterke wijzigingen onderhevige naoorlogse kunstwereld overleefde met een oeuvre dat gegrond is in het anti-intellectualistische credo van de Cobra-beweging. Alechinsky zocht als jongeman aansluiting bij deze groep van schilders, beeldhouwers en dichters die op zoek gingen naar de spontaniteit die zo kenmerkend is voor tekeningen van kinderen en geestelijk gestoorden. Daarom bewonderden ze, vooral de Deense Cobraschilders, ook de ongedwongenheid van de volkskunst en de folklore. Het was de Waalse dichter Christian Dotremont die Alechinsky in contact bracht met Cobra. Over Dotremont maakte Ronny Van de Velde een expositie met documenten, boeken en kalligrafische werken in het antiquariaat Rossaert, in de schaduw van de Antwerpse Sint-Pauluskerk.

Cobra hield in 1951, na drie jaar, op te bestaan als groep. Maar de grillige lijn en de spontane uitdrukking zijn een constante gebleven in Alechinsky's werk. Dat betekent niet dat er geen evolutie in te bespeuren valt. Ook daar kan de bezoeker zich op de tentoonstelling in Antwerpen een summier beeld van vormen. In de trapruimte is een van Alechinsky's eerste litho's te zien, uit 1948. Le cirque is een mooi werk, nog wat statisch van tekening, waarop drie witte artiesten, een fiets, trapezes, touwen en touwladder wit afsteken tegen een zwarte achtergrond. De ritmering is er al, maar van de wervelende beweging is nog geen spoor.

Nadien is het werk van de linkshandige graficus-schilder veel soepeler en lichtvoetiger geworden en de vertelling grilliger. Die grilligheid komt zowel tot uiting in het naast en door elkaar zetten van beelden als in de variatie van grafische technieken en beelddragers in een en hetzelfde werk. In die ontwikkeling moet zeker ook de invloed van de Oosterse kunst worden vermeld. Alechinsky was goed bevriend met de Chinese schilder Walasse Ting, die hem leerde om gebogen over het op de vloer liggende papier directe, spontane tekeningen te maken. In 1955 scheepte de in Parijs wonende Belg zich in voor Japan, waar hij de kalligrafie ging bestuderen.

Soms heeft de kunstenaar zich, mogelijk door zijn succes, weleens laten verleiden tot het routineus drukken van zijn stempel. De clavecimbel die hij met zijn beeldtaal heeft opgesierd, een werk uit 1986 dat eveneens deel uitmaakt van de expositie, is daar een voorbeeld van. Toch kun je zeker niet stellen dat de kunstenaar zichzelf de laatste jaren heeft herhaald. De meeste van zijn werken van de laatste twee decennia jaar hebben niets aan kracht ingeboet.

Daarom moet Pierre Alechinsky worden geëerd als een kunstenaar die vijftig jaar lang een hoeder is geweest van de rijkdom van het spontane, tweedimensionale beeld. Dat aan zijn speelse wereld puur plezier te beleven valt, blijkt uit deze tentoonstelling.

Pierre Alechinsky, tot 30 mei in Galerie Ronny Van de Velde, IJzerenpoortkaai 3, Antwerpen, tel. 03/216.30.47. Geopend van dindag tot en met zaterdag van 10 tot 18 uur (1 mei gesloten). Gratis toegang. Christian Dotremont, tot 30 april in Rossaert, Nosestraat 7, Antwerpen. Geopend van woensdag tot en met zaterdag van 10 tot 18 uur. Gratis toegang.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234