Maandag 24/01/2022

De Parijse kunsthandelaar Siegfried Bing als motor en promotor van de nieuwste kunst in de negentiende eeuw

Bing wou de kunsten nader tot elkaar brengen: schilderijen mochten decoratief zijn, toegepaste kunst moest artistieke aspiraties hebben

De Japanse golfslag in de art nouveau

Het gebeurt niet zo vaak dat over een kunsthandel een tentoonstelling wordt gemaakt. L'Art Nouveau. La mai-son Bing is er zo een. De Frans-Duitse kunstkenner Sieg-fried Bing gaf met zijn Parijse galerie L'Art Nouveau de naam aan de innoverende kunststroming van de jaren 1890 en speelde er ook een baanbrekende rol in. Over de invloed van Bing en van Japan, Amerika en België op de art nouveau loopt nu een boeiende en esthetisch verfijnde expo in het Amsterdamse Van Gogh Museum.

Amsterdam

Van onze verslaggever ter plaatse

Eric Rinckhout

Wat doet een art-nouveautentoonstelling in het Van Gogh Museum, vraagt u zich misschien wel af. Het Amsterdamse museum houdt zich al langer niet exclusief met Vincent van Gogh bezig. Dat blijkt ook uit de aankopen van de laatste jaren, waaronder zich bijvoorbeeld werk van Manet bevindt. Men laat zich inspireren door de periode waarin Van Gogh (1853-1890) leefde en werkte, en kijkt naar de internationale, artistieke context van eind negentiende eeuw. Expo's in het museum hebben al vaker het fin de siècle en het prille modernisme tot onderwerp gehad. Een expositie over de wortels van de art nouveau, die grofweg de periode 1885-1905 omvat, past daar dus perfect in.

Maar er is ook een directere band tussen kunsthandelaar Bing en Van Gogh. Vincent woonde tussen 1886 en 1888 in Parijs en ging in die tijd regelmatig langs om te snuffelen tussen de Japanse prenten die Bing te koop aanbood. Vincent kocht veel. Het museum bezit honderden Japanse prenten uit zijn verzameling. Een groot deel daarvan is te zien op de kleine randexpositie Vincent koopt bij Bing, die bovendien aantoont hoe sterk Van Gogh door Japan beïnvloed werd. Schilderijen zoals Bloeiend perenboompje en Brug in de regen zijn beide geïnspireerd door werk van Utagawa Hiroshige.

Ook in de grote expo blijkt nog meer invloed van Japanse kunst op Europa te zijn uitgegaan, meer bepaald op de art nouveau. Afgezien daarvan is het aardig om te zien hoe België als een rode draad door de expositie en het leven van de kunsthandelaar loopt. Op zich is dat al een reden om een kijkje in Amsterdam te gaan nemen.

Siegfried Bing (1838-1905) was geen gewone kunsthandelaar. Natuurlijk was hij een commerçant, maar hij was alleszins ook een vurige promotor van het nieuwe in de kunst en zelfs behept met enkele idealen. Bing was afkomstig uit een Hamburgse familie van porseleinhandelaren. Het zakendoen zat hem in het bloed. In 1854 verhuisde hij met zijn vader naar Frankrijk, waar ze keramiek gingen produceren. In de loop van de jaren zeventig kwam Japan meer en meer in de belangstelling van Europese kunstliefhebbers. Bing speelde daarop in, maar was zelf sterk geïnteresseerd: rond 1879 had hij in Parijs een winkel waar je allerlei soorten Japanse (kunst)waren kon komen ontdekken. In de loop van de jaren tachtig behoorde Bing al tot de belangrijkste handelaren die de rage van het japonisme in Frankrijk en later over de hele wereld stimuleerden.

Bing was een vurig verdediger van de Japanse kunst en zette een reeks baanbrekende promotionele activiteiten op, zoals in 1888 het maandblad Le Japon artistique, een bijzonder belangrijk tijdschrift voor de verspreiding van het japonisme. Lezers over de hele wereld kwamen door het magazine in contact met Japanse kunst, kunst die je ook kon kopen, en die bovendien een goede belegging bleek.

Bing organiseerde in datzelfde jaar een rondreizende expo met japoneries, in Europa en Amerika. In Kopenhagen toonde hij Japanse stukken samen met werk van onder meer de art-nouveau-ontwerper Emile Gallé. Bing schonk ook Japanse kunstobjecten aan het invloedrijke Conservatoire des Arts et Métiers in Parijs met de bedoeling dat Franse en bij uitbreiding Europese kunstenaars zich zouden laten inspireren door de zwierigheid en het fraai kronkelende lijnenspel van de ontwerpen. Tegelijk hoopte hij dat de Europeanen zich zouden kunnen bevrijden van hun nationale historische stijlen.

Door de band wordt erop gewezen dat vooral de organische wereld van bloemen en planten de sierlijkheid, de 'golfslag' van de art nouveau beslissend bepaald zouden hebben. Deze tentoonstelling voegt daar dus wel een correctie aan toe. Uit enkele bijzonder sierlijke Japanse vazen, waaronder een met een heuse, erg concrete golfslag, en enkele ceremoniële doeken, eveneens rijkelijk versierd met krullen, bogen en arabesken, blijkt dat de in Europa verspreide japoneries minstens een stimulerende rol hebben gespeeld in de ontwikkeling van de 'palingstijl' van de art nouveau.

Door de jaren werd het voor Bing moeilijker: er kwam meer concurrentie in de handel van Japanse werken en het werd langzamerhand problematisch om steeds weer even kwaliteitsvolle stukken te vinden. Hier en daar wordt gesuggereerd dat Bing zich toespitste op de Europese 'moderne kunst' niet uit interesse maar uit financiële noodzaak: de Japanse handel was, na een bloeiperiode van bijna dertig jaar, ernstig aan het verslappen.

In 1894 reisde hij naar Amerika, dat voor hem vanaf de jaren tachtig een belangrijke markt was. Tijdens zijn reis wou hij de dynamiek en de energie van de Amerikaanse toegepaste kunsten leren kennen - om ze in Frankrijk te kunnen introduceren. Hij bezocht Boston, New York, Cincinnati en Pittsburgh, maakte overal aantekeningen en schreef er een boekje over: La culture artistique en Amérique. Op zijn reis ging hij ook een kijkje nemen in de ateliers van Tiffany, deAmerikaanse ontwerper van vazen, van wie hij wat later de alleenvertegenwoordiger in Europa werd.

Bings interesse ging duidelijk verder dan het commerciële, hij durfde ook richting geven aan de kunst. In Amerika kwam hij onder de indruk van de professionaliteit van de ambachtslieden en in mei 1894 vroeg hij enkele Franse avant-gardekunstenaars ontwerpen te maken voor glas-in-loodramen, die Tifanny zou uitvoeren. De kunstenaars om wie het ging, waren niet de eersten de besten: Toulouse-Lautrec, Pierre Bonnard, Edouard Vuillard, Félix Vallotton en Maurice Denis. Veel ramen hebben de tijd niet overleefd, enkele ontwerpen zijn wel in Amsterdam te zien.

In de lente van 1895 neemt Bing een belangrijke beslissing, een die hem beroemd zal maken. Hij gaat zijn kunsthandel in 19 rue Chauchat, op de hoek met de rue de Provence, in Parijs ingrijpend verbouwen. Hij wil de verfijnde 'nieuwe kunst' presenteren, de art nouveau, en daarvoor is de krappe, oubollige behuizing totaal ongeschikt. Tijdens een bezoek aan België had hij inspiratie opgedaan in La Maison d'Art in Brussel. La Maison d'Art, eerst op de Warmoesberg, later op de Guldenvlieslaan, was geen gewone galerie en daarom zo vernieuwend. Het huis was opgericht in juni 1894 en had als doel de schone kunsten en de decoratieve kunsten samen te presenteren in een doordacht modern interieur. Alsof de bezoeker en/of koper in een echt woonhuis rondwandelde. In plaats van winkel of galerie was het woord 'salon' er meer van toepassing op. De bedoeling was om leven en kunst zou nauw mogelijk met elkaar te vervlechten, zodat het leven kunst zou worden.

In La Maison d'Art vonden ook voordrachten, concerten en zelfs toneelvoorstellingen plaats, iets wat niet in de Parijse galerie gebeurde, die Bing inmiddels de naam L'Art Nouveau had gegeven. Nog een belangrijk verschil was dat Bing met zijn L'Art Nouveau wel commerciële bedoelingen had. Hij was en bleef een zakenman. Hij moest rekening houden met de economische realiteit en kon geen financiële verliezen lijden. In tegenstelling tot het permanente salon van La Maison d'Art bracht Bing opeenvolgende (verkoops)tentoonstellingen waarin alle uitingen van moderne kunst naast elkaar stonden. Hij presenteerde schilderijen en toegepaste kunst in stijlkamers, voor Parijs was dat een nouveauté. En ook Bing wou de kunsten nader tot elkaar brengen: schilderijen mochten een decoratieve rol vervullen, terwijl de toegepaste kunst artistiek aspiraties moest hebben.

In juli 1895 vond in Brussel een ontmoeting plaats tussen Siegfried Bing en Victor Horta. De kunsthandelaar wou maar wat graag dat Belgiës vooraanstaande avant-gardearchitect de nieuwe plannen tekende voor de herinrichting van zijn kunsthandel. Op dat moment had Horta al een aantal van zijn grote hôtels in Brussel ontworpen (Autrique, Tassel en Winssinger) en was hij bezig aan de huizen Solvay en Van Eetvelde. Het was dus erg naïef van Bing om te denken dat Horta zich tevreden zou stellen met de rol van adviseur, want de hoofdlijnen van het Bing-project waren al vastgelegd door de Parijse architect Bonnier en de Brits-Belgische schilder-decorateur Frank Brangwyn, die ook grootse wanddecoraties maakte die nu in Amsterdam te zien zijn.

Horta maakte wel enkele ontwerpen, die op de tentoonstelling te zien zijn, maar hield nauwelijks rekening met de vragen van Bing. Bovendien zal het Horta ook wel dwars hebben gezeten dat Bing Henry Van de Velde had gevraagd zich over het interieur te ontfermen. De ziekelijke afgunst van Van de Velde jegens Horta en Horta's dédain ten aanzien van 'decorateur' Van de Velde was legendarisch en maakte een samenwerking tussen de twee Belgen onmogelijk. De hele handel ging dus niet door. Jammer, want zo is Parijs zijn eigen Horta-huis misgelopen.

Met een andere Belg, de toen nog jonge Georges Lemmen, ging Bing wel in zee. Lemmen concipieerde een grafische lijn voor L'Art Nouveau, een huisstijl, zeg maar. Hij had zijn talent daarvoor al bewezen met opdrachten voor Les XX en La Libre Esthétique. Lemmen ontwierp trouwens de hele publicitaire omkadering voor L'Art Nouveau: een aanplakbiljet, een kaart voor de plechtige opening op 26 december 1895 en twee briefhoofden.

Bing contacteerde de Belgische schilder Théo Van Rysselberghe en uiteindelijk deed hij ook een beroep op Van de Velde voor enkele interieurs. Bing beschouwde Van de Velde niet ten onrechte als de pionier van het Gesamtkunstwerk. De Belgische architect ontwierp de eetkamer bij Bing, een harmonieus en functioneel geheel. Voor de decoratieve sjablonen op de gevel van het verbouwde hoekpand deed Bing dan weer een beroep op Frank Brangwyn.

Wat was er op die eerste art nouveau-tentoonstelling in Parijs te zien? Een mengelmoes, sommige critici vonden dat er te weinig lijn in zat. Decoratieve schilderijen van Albert Besnard (ergens tussen academie en impressionisme in), vijf speciaal voor het interieur gemaakte schilderijen van Edouard Vuillard, en de glas-in-loodramen van de eerder genoemde Franse ontwerpers. Vuillard beschilderde ook een set van borden, niet met de gebruikelijke florale of vegetatieve motieven maar met sierlijke dames.

Lees verder op pagina 23

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234