Zaterdag 28/01/2023

De paradox Gainsbourg

Poëet en provo, poseur en nonconformist, puur en beredeneerd, ruw en teder, geniaal en vulgair. Serge Gainsbourg was alles terzelfder tijd. Zelfs een omvangrijke biografie kan de paradoxen niet volledig verklaren. Ondanks een gedetailleerd verslag blijft Gainsbourg voor een deel ongrijpbaar, een beetje zoals de magie van de songs die hij zong of prevelde. Gainsbourg en Gainsbarre, Jekyll en Hyde, de grootste mond van Frankrijk en het timide jongetje dat zich zorgen maakte om zijn grote oren.

Johan Vandenbroucke

Gilles Verlant

Gainsbourg

Editions Albin Michel, Paris, 763 p., 1.139 frank.

Hij heette niet Serge Gainsbourg. Op 2 april 1928 werd hij geboren als Lucien Ginsburg, zoon van joods-Russische migranten in Parijs. Vader Joseph had zijn vrouw Olia twaalf jaar eerder ontmoet, kort voor het uitbreken van Lenins revolutie. In 1917, in Sint-Petersburg, waar Olia werkte in een militair ziekenhuis van de tsaar, was de horror compleet toen er te midden van de oorlogsontberingen ook nog cholera en tyfus uitbraken. In dit gruwelklimaat trouwden de ouders van de latere Gainsbourg, met de wederzijdse belofte om tot elke prijs te vluchten. Voor veel joods-Russische migranten was Frankrijk het beloofde land. Na een verblijf in Constantinopel kwamen ze er in 1921 aan.

Vader Ginsburg speelde - zonder partituur - 'Rhapsody in Blue' van Gershwin op het moment dat zijn zoon geboren werd, enkele ogenblikken na zijn tweelingzus Liliane. Joseph was pianist en speelde in bars, cabarets en restaurants. Gevraagd naar zijn muzikale opleiding verwees Gainsbourg steevast naar zijn kindertijd: "Mijn vader speelde iedere dag, voor zijn plezier, Scarlatti, Bach, Vivaldi, Chopin of Cole Porter." Ook de passie voor schilderkunst had hij van zijn vader.

De Ginsburgs behoorden tot de kleine bourgeoisie, kunstenaars, joods, maar niet praktiserend. In 1932 werd het gezin tot Franse staatsburgers genaturaliseerd. De kinderen groeiden beschermd en geliefd op, zowel Gainsbourg als zijn twee zussen getuigden later van een argeloos gelukkige jeugd in de jaren voor de Tweede Wereldoorlog.

Maar al in juni 1940 verschenen in de buurt borden met 'Etablissement inderdit aux Israélites' en werden de eerste uitsluitingsmaatregelen uitgevaardigd: joodse muzikanten werden geweerd uit de theaters en cabarets. Korte tijd later volgden de eerste razzia's, waaraan de Ginsburgs meermaals pas op de valreep wisten te ontkomen. Vanaf juni 1942 werden de joden in Parijs verplicht de jodenster te dragen. Op het in 1975 uitgebrachte album Rock around the Bunker - waarop ook de provocatie 'On va danser le Nazi Rock' staat - zingt Gainsbourg: "Je porte la Yellow Star / Difficile pour un juif / La loi du struggle for life". De lp was dertig jaar na de feiten een poging tot exorcisme, zoals Gainsbourg het zelf omschreef.

Midden in de oorlogsjaren krijgt de tiener tuberculose. Om aan te sterken verblijft hij maanden op het platteland. De zoon van de boerenfamilie waarbij hij woonde herinnert zich hem als het dromerige timide jongetje met zijn tekenblok. Als hij weer op school zit, verslechteren zijn resultaten. Hij heeft geen interesse meer voor wiskunde, alleen nog voor schilderen, literatuur en muziek. Op het college in de buurt van Limoges, waar het gezin tijdens het laatste oorlogsjaar naartoe was gevlucht, werd hij l'artiste, le poète en le philosophe genoemd. Uit brieven aan zijn ouders blijkt een vreemde mengeling van puberale pedanterie, vroegrijpheid, eigenzinnigheid en respectvolle familieliefde. Ook dat laatste is een constante: anders dan zijn imago laat vermoeden was Gainsbourg een familieman, met grote liefde voor zijn ouders.

Ook na de oorlog blijft Lucien een schuchtere jongen die op zijn mansarde gedichten schreef en gitaar speelde. Ontevreden over zijn babyface - tot zijn ontsteltenis is er lang geen spoor van baardgroei - en zijn grote oren, in het ongewisse over zijn aantrekkingskracht. Vanaf zijn dertiende rookt hij met een fanatieke verstoktheid sigaretten. Seksueel initieert hij zichzelf in een bordeel, later zal hij genoeglijk over zijn hoerenbezoek vertellen: over de ene hoer die hem zei dat hij volgend jaar maar eens terug moest komen, als hij groot zou zijn, en de andere die kauwgom in haar mond had tijdens de daad, zoals hij ook vermeldde in 'L'alcool' op zijn eerste lp (1958).

Jarenlang was het zijn grootste ambitie om kunstschilder te worden. In interviews meldde dat hij zou ophouden met zingen zodra hij de middelen had om een atelier te kopen en zich aan de schilderkunst te wijden. Hij volgde de schilderacademie, zijn voorbeeld was Bonnard. Pas toen na 1952 de Cobra-beweging volop doorbrak, borg hij zijn ambitie als figuratief schilder op, zijn credo - Le génie sinon rien - getrouw. Hij vernietigde rigoureus zijn schilderijen en tekeningen. Alleen de doeken die hij aan zijn ouders schonk bestaan nog - precies omdat ze hem verboden hadden die te vernielen. Vreemd is dat hij zoveel respect en pudeur betoonde voor de vormregels van de (figuratieve) schilderkunst, terwijl hij later alle regels van het chanson met voeten trad. Biograaf Gilles Verlant spreekt in dit verband zelfs van een soort revanche.

Op advies van zijn vader werd hij beroepsmuzikant, gitarist en pianist d'ambiance in de bars en cabarets van de Rive Gauche. In 1954 legde hij examen af bij de auteursvereniging Sacem en deponeerde er zijn composities. Eerst onder het pseudoniem Julien Gris, pas vanaf 1957 als Serge Gainsbourg. Met zijn voornaam Lucien was hij niet gelukkig, verklaarde hij, die deed hem aan een kapper denken. Aan het zelf vertolken van zijn liedjes dacht hij niet. De scheiding tussen maker en vertolker was toen nog gebruikelijk, al waren er ondertussen ook al Brassens, Ferré en Brel. Bij Gainsbourg kwam de gedachte pas op toen hij Boris Vian zag optreden: enerzijds doodnerveus, anderzijds arrogant en met bijtende spot tegenover het publiek. Net als Gainsbourg hield Vian niet van het chanson, toch niet voor hij zelf liedjes maakte. Volgens Juliette Gréco waren Gainsbourg en Vian zielsbroeders: "Broers in de hoon, de onverbiddelijkheid en de tederheid."

Zijn eerste lp verscheen bij Philips in 1958. Samen met Brel, die toen al zijn eerste successen had, toerde Gainsbourg enkele maanden later door de provincie. Zijn weerzin om op te treden was nog veel groter dan de befaamde plankenkoorts van Brel. "Soms moest hij werkelijk op het podium worden geduwd," aldus pianist Gérard Jouannest. "Gainsbourg chante non pour le public mais contre le public," zo luidde een kritiek in 1959. Zijn optredens moeten abominabel zijn geweest. Zelfs Johan Anthierens wordt hierover in de biografie geciteerd: hij herinnerde zich een recital in het Casino van Knokke, georganiseerd door het Davidsfonds, waarvan de voorzitter zich nadien publiekelijk verontschuldigde zo'n artiest te hebben uitgenodigd.

De vroege en de latere Gainsbourg. Voor wie zijn carrière in 'voor en na' wil opdelen is 1965 de scharnier, het jaar van 'Poupée de cire poupée de son', waarmee de jonge France Gall het Eurovisiesongfestival won. Toen barstte bij de intellectuelen van de Rive Gauche de discussie los over 'de grote dichter die zich verkocht heeft aan de consumptiemaatschappij'. Het probleem was dat zijn artistieker platen - zoals Gainsbourg Percussions, in 1964 wereldmuziek avant la lettre - gewoon niet voldoende verkochten. "Ik wil beroemd worden in 1965, ik lanceer me in de rock," had hij vooraf aangekondigd, "ik wacht al zes jaar, dat is meer dan lang genoeg." Het bracht hem bij de beat van de yé-yé. Hij werd de hitmaker: "Ik noem dat stijloefeningen. Natuurlijk zou ik liever moeilijker dingen maken."

De paradox Gainsbourg: de maker van artistieke conceptplaten en tegelijkertijd de componist van gemakkelijke deuntjes als 'O o Shérif' en 'N'écoute pas les idoles'. Twee gezichten van één persoonlijkheid, schreef het magazine Diapason in 1965, verwijzend naar Jekyll en Hyde. Wie zal de andere doden, vroeg het blad zich af.

In de periode 1965-'70 verwekten nog meer dan de hits die hij schreef zijn liefdesaffaires beroering. "Serge kon niet werken met mensen zonder verliefd op ze te worden," volgens een medewerker. In haar autobiografie had Brigitte Bardot het over "un amour fou - un amour comme on en rêve". Op een dag moet ze hem gevraagd hebben: schrijf mij het mooiste liefdesliedje dat je je voor kunt stellen. Gainsbourg: "Die nacht schreef ik 'Bonnie and Clyde' en 'Je t'aime moi non plus'." Bardot in haar memoires, over de opname van het laatstgenoemde nummer: "C'était bon, c'était beau, c'était pur, c'était nous."

Onder druk van haar echtgenoot vroeg Bardot het lied niet uit te brengen. Gainsbourg, fideel zoals vaak, accepteerde en haalde op het laatste moment het lied van het album. Later nam hij het op met Jane Birkin, die hij enkele maanden na zijn scheiding van Bardot had leren kennen. Birkin voelde er eerst niet veel voor: "De versie met Bardot was te indrukwekkend." Uiteindelijk deed ze het toch, uit jaloezie omdat Gainsbourg het lied met anderen, zoals Mireille Darc, wilde opnemen. Gainsbourg en Birkin werden het mediaduo van die tijd - 69 année érotique -, het symbool van de seksuele bevrijding voor een hele generatie Fransen.

Ook zijn manier van leven werd spraakmakend. In die periode, verklaarde hij, moet hij zijn record van vrijwillige slapeloosheid gebroken hebben: gedurende acht dagen niet slapen. 's Nachts muziek componeren, 's ochtends studiosessies, 's middags filmopnamen, tussendoor permanent drinken, zware Gitanes roken, en in 1973 zijn eerste hartaanval. Birkin: "Het enige moment dat hij niet rookte was op de intensive care."

In 1976 verscheen de lp L'homme à tête de chou, door de kritiek als een meesterwerk erkend, ook door de aankomende punkgeneratie, die in Gainsbourg een spitsbroeder zag. Later had hij succes met het omstreden album Aux armes et caetera. Schandaal verwekte de titelsong, een versie van het Franse volkslied 'La Marseillaise' in reggaetempo.

Ondertussen voltrok zich de verandering. Het succes waarnaar hij heel zijn leven streefde kreeg hij van de jongere generatie. Hij werd Gainsbarre. Vooral na de scheiding met Jane Birkin begon hij nog ongecontroleerder te drinken. Een bedwelming die suïcidaal en autodestructief was - aldus de biograaf - en waarmee hij ook Birkin in de armen van een rivaal joeg - hoewel de twee vrienden bleven. In 1981 begon hij een hartstochtelijke haat-liefdeverhouding met de eenentwintigjarige mannequin Caroline, gemeenzaam Bambou genoemd. Hij bleef productief songs maken waarvan hij de teksten meestal pas schreef tijdens de nacht voor de opnamen.

De laatste hoofdstukken van de biografie zijn ontluisterend. Gainsbourg werd almaar meer een schim van zichzelf - terend op pose en provocatie. Bijvoorbeeld wanneer hij in 1981 voor een astronomisch bedrag een manuscript koopt van de Marseillaise, of als hij in 1984 tijdens een televisieprogramma een biljet van 500 Franse frank in brand steekt, met de opmerking dat hij belast wordt voor 75 procent. De oudere Gainsbourg raakte volgens zijn verder piëteitsvolle biograaf verstrikt in zijn imago en in de koestering van het succes. Niet alleen Jane Birkin merkt het op: hij was Gainsbarre geworden, en die creatie had Gainsbourg vermoord. Na een concert in 1985 schreef een recensent: "Twee personages wonen in hem: dokter Gainsbourg en mister Gainsbarre. Hij denkt dat het de tweede is die men komt bekijken. Wat een vergissing!"

In 1991 verscheen zijn naam in Petit Larousse, waarin onder meer stond: "achter het ontevreden personage verbergt zich een levendige gevoeligheid". Pas mal, merkte hij op, maar er ontbreekt een datum. Hij overleed op 2 maart 1991, eenzaam en op het hoogtepunt van zijn populariteit. De mythe Gainsbourg werd er alleen nog groter door.

Zie ook: www.geocities.com/moron200/gainsbourg

'Serge kon niet werken met mensen zonder verliefd op ze te worden'

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234