Vrijdag 07/08/2020

De para's van het eerste uur

Erik Raspoet / Foto's Stephan Vanfleteren

Het Belgische leger staat op het punt een monument te verliezen. Volgens het stuurplan defensie verdwijnt nog voor het einde van dit jaar de brigade paracommando. De drie elitebataljons worden aangehecht bij de landcomponent van het leger. Volgens het plan verhuizen de Vlamingen naar de brigade Leopoldsburg, de Walen naar de brigade Marche-les-Dames. In officiële legerkringen klinkt daarover sussende taal. Nee, dit is niet het einde van rode en groene baretten. De paracommando's behouden hun eigen opleiding en karakter. In de kazernes van Diest, Tielen en Flawinne daarentegen heerst vertwijfeling. Met het opdoeken van de eigen staf verliezen de paracommando's hun legendarische autonomie. Uitgerekend nu de para's in Kisangani een zoveelste hoofdstuk van hun roemrijke Afrika-epos laten optekenen. Het omvormen van Kongolese militairen en rebellen tot modelsoldaten zou wel eens de laatste zelfstandige operatie van de paracommando's kunnen worden. "Dit is het begin van het einde", voorspelt voormalig para-kolonel Roland Reynders. "Binnen de kortste keren worden we volledig opgeslorpt door de landmacht. Ik noem het een stommiteit van jewelste. Net nu overal ter wereld wordt geïnvesteerd in special forces, gaat België zijn elitetroepen afschaffen. Het argument van besparingen gaat niet op. De para's hadden een heel compacte, efficiënte staf. Als ze zo nodig willen besparen, dat ze dan eerst het mes zetten in het waterhoofd van Evere." De gepensioneerde para-officier laat het er niet bij. Als voorzitter van de Nationale Para-Commando Vriendenkring roept hij zijn achterban op tot verzet. "Tachtigduizend para's zijn er de voorbije zestig jaar in het leger geweest", rekent hij voor. "Tel daar familie en sympathisanten bij en je hebt een hoop volk om te lobbyen. Vergeet niet dat er binnenkort verkiezingen zijn." De strijdlustige kolonel schermt niet alleen met kwantitatieve argumenten. De Afrika-expertise is zijn grootste troefkaart. De uitschuivers in Somalië en het drama van Kigali doen daar niets aan af. "De balans van onze Afrika-operaties is absoluut positief", poneert hij. "Hoe vaak hebben we ginder de kastanjes niet uit het vuur gehaald voor de Belgische regering? In 1960 en 1991 hebben we in Kongo telkens zo'n tienduizend blanken geëvacueerd. Toen we in 1978 in Kolwezi ingrepen, was ik tweede in bevel. In nauwelijks 36 uur tijd waren we ter plaatse met tweeduizend manschappen. Actiebereidheid, dat is wat ons uniek maakt. Want onderschat dat niet. Ook para's hebben vrouw en kinderen. Maar als het nodig is, staan ze meteen klaar om uit te rukken. Die houding kweek je niet door iemand een rode of groene muts op het hoofd te planten. Doorgedreven training, dat is het geheim. Kolwezi was een enorme prestatie, zowel van de paracommando's als van de luchtmacht. Die tandem werkt al decennialang perfect, waarom moet dat plotseling veranderen? Ik snap het niet. Louis Michel wil in Afrika de grote verlosser uithangen. Dat is erg nobel, en ik sta daar voor honderd procent achter. Maar met die ambitie in het achterhoofd is het laatste wat je moet doen het kortwieken van de paracommando's."

Of zijn campagne veel zoden aan de dijk zet, moet in de komende weken blijken. In afwachting blikken we terug op de pioniersjaren van het eliteregiment. Een oud-strijder van de SAS, een Korea-veteraan en een milicien vertellen over hun tropenjaren bij de rode en groene mutsen. Drie verschillende verhalen met één gemene deler: de para-spirit, die letterlijk vleugels geeft.

Julien Schaukens (milicien, klas 55)

Eens paracommando, altijd paracommando. Vraag het maar aan Julien Schaukens. De houding die hij spontaan aanneemt als hij staande een praatje slaat. Met de armen voor de borst gekruist, wijdbeens, de bottines verankerd in de grond, alsof iemand op het paradeplein 'Ter plaatse rust' heeft gebruld. Hij is zesenzestig, maar met zijn afgetrainde lichaam en kale knikker kan hij zo weer onder de wapens. Het is echter niet in de kazerne dat ik hem ontmoet, maar in de para-club van Asse, in feite een klaslokaal van een afgedankte gemeenteschool dat behangen is met foto's, vaandels, uniformen en andere memorabilia. Een keer in de week gaat hier de bar open en worden er sterke verhalen opgedist over militaire en andere bravourestukjes.

Juliens heldenjaren begonnen in 1955, toen hij als milicien resoluut voor de zwaarste dienst van het Belgische leger koos. "Mijn ouders waren ertegen", vertelt de gepensioneerde automechanicus. "Paracommando's genoten in die tijd een slechte reputatie. Vechtjassen en crapuul, werd over hen gezegd. In mijn ogen stonden de paracommando's voor spanning en avontuur. Een van mijn beste vrienden had al een para-brevet. Als hij met verlof was, liep hij in het dorp te paraderen in zijn uniform met vleugels. 'Wacht maar', zei ik dan, 'straks is het mijn beurt.' 'Maar manneke toch', spotte hij, 'dat kun jij niet aan, dat is veel te zwaar voor jou.' Spreekt vanzelf dat ik daardoor extra gemotiveerd werd. Ik dus naar het Klein Kasteeltje om mijn drie dagen te doen. Bij welke eenheid wil je? Bij de paracommando's, antwoordde ik zonder aarzelen. Een half jaar heeft het geduurd voor ze me opriepen. Ik was er zo op gebrand dat ik iedere week naar de champetter fietste om te zien waar mijn oproepingsbrief bleef."

De eerste dag, op de Citadel van Namen, zal hij niet licht vergeten. Naar aloud gebruik stonden de instructeurs de rekruten in het station op te wachten. Schaukens: "We hadden nog geen voet op het perron gezet, of ze begonnen al te brullen. Als een kudde vee joegen ze ons de Citadel op. Zo ging dat vier maanden aan een stuk, de hele tijd lopen, marcheren en klauteren. Ook mentaal legden ze ons op de rooster. Te laat komen op het appèl: pompen. Een seconde te lang in bed blijven liggen? Dan werd dat bed in 'geef acht' gezet, met de langslaper erin. Tegenpruttelen werd absoluut niet getolereerd. Bij het geringste teken van protest mocht je een nachtje in het cachot gaan slapen. Ik heb struise kerels zien huilen als kinderen, niet omdat ze de fysieke beproevingen niet aankonden maar omdat ze de vernedering niet konden verdragen. Zelf had ik daar geen moeite mee. IJzeren discipline is nu eenmaal noodzakelijk bij de paracommando's. Als je uit een vliegtuig springt of een vijandelijk doel bestormt, dan moet je blindelings kunnen vertrouwen op elkaar. Die onvoorwaardelijke gehoorzaamheid werd trouwens niet alleen afgedwongen. Anders dan bij gewone eenheden bleven onze officieren nooit aan de kant staan. Kropen we door de modder, dan kroop de adjudant mee. Liepen we een speedmars in de blakende zon, dan trok hij de kop. Klauterden we op een rots, dan gaf hij het goede voorbeeld. Op die manier krijg je vanzelf respect voor het kader."

Na vier maanden behaalde Julien Schaukens zijn eerste trofee: de rode muts, die hij tot vandaag koestert. Daarop vertrok een deel van zijn peloton naar Marche-les-Dames voor de commandotraining. Hijzelf toog naar Schaffen om er zijn vleugels te halen. Het moment van de waarheid werd zorgvuldig voorbereid. Urenlang hingen ze in een loods te schommelen, tot ze de juiste houding beet hadden. Telkens weer sprongen ze van een metershoog platform om te leren de schok van de landing op te vangen. Een demonstratie? Nog voor ik kan antwoorden voegt Julien Schaukens de daad bij het aanbod. Hij laat zich zijwaarts op de tegelvloer vallen en rolt in een vloeiende beweging op zijn buik. Het is een gracieus manoeuvre, een balletdanser waardig. Drooggetraind maar met knikkende knieën stapten ze destijds in het 'varken', een reusachtige ballon met een kooi eronder die met een lier tot driehonderd meter hoogte werd gevierd. "Springen uit een ballon is veel enger dan springen uit een vliegtuig", weet Schaukens uit ondervinding. "Het is alsof je in een zwart gat valt, recht naar beneden. Die ballon hebben we te danken aan de Engelse instructeurs die in de Tweede Wereldoorlog de eerste Belgische para's hebben opgeleid. Weet je dat er buiten België, Engeland en Thailand geen enkel leger is waar de paracommando's uit een ballon springen? Het is wel een ideaal trainingsmiddel. Wie uit een ballon durft te springen, is nooit meer bang om uit een vliegtuig te springen. Die eerste keer knepen we hem wel, het was erg stil toen we opstegen. Maar uiteindelijk spring je toch, want je valt liever dood dan af te gaan in de ogen van je kameraden.

"Vanuit Schaffen ben ik naar Marche-les-Dames gegaan voor de commandotraining. Daar heb ik leren afzien. Zes weken buiten slapen, met minimale rantsoenen. Gelukkig viel mijn commandokamp in de zomer, in de winter is het pas echt een hel. We leerden rotsen beklimmen, we dansten op een kabel over afgronden, we oefenden close combat-technieken. Dagen aan een stuk slopen we door de bossen. Soms joegen ze ons door een rivier, zo diep dat alleen ons hoofd en ons geweer boven het water uitstaken. Kletsnat moesten we dan de tocht voortzetten. Ze probeerden echt alles om ons fysiek en moreel te kraken. Je keerde 's nachts om drie uur van een oefening terug in het bivak, volledig onder de modder. Doodmoe, maar van slapen was nog geen sprake. Want tegen het appèl van zes uur moest al het koper blinken en mocht er geen spatje modder meer op je uniform zitten. Marche-les-Dames was onmenselijk zwaar, maar het was ook de plaats waar ons peloton tot een hechte ploeg werd gesmeed. We pepten elkaar voortdurend op. Als iemand een kwaad moment beleefde, dan sleurden we hem erdoor. 'Niet opgeven', schreeuwden we, 'denk aan je commandobrevet'."

De laatste zes maanden van zijn dienstplicht sleet Schaukens als volledig gebrevetteerd paracommando in Belgisch Kongo. Die tropische epiloog was een verplicht nummer waar miliciens reikhalzend naar uitkeken. Want dril en discipline ten spijt leek Kamina na de loodzware opleiding een langgerekt vakantiekamp. Julien Schaukens mag graag vertellen over de tien dagen durende survival in de brousse. Voedsel meenemen mocht niet, ze moesten maar eetbare planten zoeken, of een aap uit een boom schieten. Het was 1956, niemand besefte dat de kolonie op haar laatste benen liep. "De Belgische kolonisten keken op ons neer", zegt Schaukens. "In blanke bars mochten de para's niet eens binnen. Eerlijk gezegd, ik had zelf geen hoge dunk van die kolonisten. Hoe ze hun personeel uitkafferden, hoe die vrouwen vanuit hun luie zetel hun boys commandeerden. Geen wonder dat de zwarten zich later hebben gewroken." Hij was erbij toen de para's in juli 1960 voor het eerst uitrukten om de blanken uit onze voormalige kolonie te evacueren. De toeloop van haveloze kolonisten op Ndjili staat hem nog levend voor de geest. "Ik had te doen met de kinderen", zegt hij. "Maar met die mannen en vrouwen? Eigen schuld, dikke bult, dacht ik. Hadden jullie de Kongolezen maar wat minder moeten uitbuiten."

Rik Wouters (Korea-veteraan, para-instructeur)

Een adres op een drukke steenweg in Heppen-Leopoldsburg. De heer des huizes ziet er niet bepaald uit als een ijzervreter. Rik Wouters (75) praat met zachte stem, zijn grijze snor is niet van het martiale type. Nochtans, zo zal blijken, kan deze rijzige Limburger op een indrukwekkende reeks wapenfeiten terugblikken. Zich bewust van zijn historische roeping heeft hij die wapenfeiten uitvoerig gedocumenteerd. We doorbladeren samen vuistdikke fotoalbums waarin de parachute een hoofdrol opeist. Geen wonder, want als instructeur in Schaffen heeft hij zelf 1.400 sprongen gemaakt, waarvan de helft in vrije val. Sommige plaatjes zijn ronduit idyllisch. Para's die landen aan de oever van het Tanganyikameer, onder de bewonderende blikken van de toegestroomde inlanders. Vaak school achter dergelijke manoeuvres een politieke agenda. Als er in een streek onrust dreigde, stuurde de koloniale overheid er een klad para's op af om een demonstratie te geven. "De inlanders waren vooral onder de indruk van het parachutespringen", vertelt de adjudant-chef in ruste. "Voor hen was dat pure magie. Sommige van onze mannen legden het er ook dik op. In Burundi sprong ik met een Brusseleir. 'Attention', riep die altijd naar de inlanders op de grond, 'grand chef blanc arrive'."

In zijn albums zitten ook andere, beladen beelden. Zoals de foto die hij in 1964 in Stanleystad (het huidige Kisangani) maakte van een Simba-rebel die door twee soldaten van Mobutu's regeringsleger wordt voortgeduwd. Het was dezelfde Simba die Rik Wouters gevangen had genomen toen hij met enkele para's het ziekenhuis van Stanleystad uitkamde. "De Simba's hadden hun gewonden in het ziekenhuis achtergelaten", vertelt hij. "Deze man bijvoorbeeld had zich in de apotheek verstopt, hij was een arm kwijt. Ik verloor hem snel uit het oog, want eigenlijk waren we dringend op zoek naar medische hulp voor een zwaargewonde para. Tevergeefs, moet ik eraan toevoegen, want die para is aan zijn kwetsuur bezweken. Maar deze foto zal ik nooit vergeten. Hoe die man me aankeek. Hij had me herkend, het leek alsof hij om hulp smeekte. De soldaten zijn met hem achter een muurtje verdwenen. Ik verwachtte een salvo, maar het bleef stil. Toen de twee soldaten terugkwamen, begreep ik het. Ze hadden hem zonder kogels afgemaakt."

Er zijn wel meer taferelen van die bewogen missie die op zijn netvlies blijven branden. "De opstand van de Simba's was geen lachertje", zegt Wouters. "Er zijn veel doden gevallen. De Simba's hadden de blanken van Stanleystad in een paar hotels samengedreven. Toen ze onze vliegtuigen zagen passeren, werden alle gijzelaars buiten verzameld. De Simba's maakten ruzie onder elkaar. Sommigen wilden de gijzelaars aan ons overdragen, anderen wilden hen als levend schild gebruiken. En toen gebeurde het. Op het moment dat onze eerste mannen om de hoek verschenen, hebben ze met machinegeweren in de groep geschoten. Het was vreselijk. Ik zag een moeder met haar pas gedode kind in haar armen, uitzinnig van verdriet. Na Stanleystad gingen we ook in Paulis springen, het huidige Isiro. Als dispatcher moest ik onze mannen droppen, daarna sprong ik erachteraan. Ik deed geïsoleerde missies: blanken uit het oerwoud ophalen. Sommigen hadden zich wekenlang verstopt voor de Simba's, die hadden alleen nog hun ondergoed als bezit. Kun je nagaan hoe blij die waren als ze onze jeep zagen verschijnen."

Hoe gruwelijk ook, voor adjudant Wouters was het allemaal déjà vu. Anno 1964 kon hij immers al op een flinke portie oorlogservaring bogen. Dertien jaar eerder - hij was pas afgestudeerd als onderofficier bij de infanterie - had hij een contract getekend om in Korea het communistische gevaar te bekampen. De foto's met gekartelde randen uit die periode zijn niet groter dan postzegels. Vaak prijkt er een leeg landschap op met een eenzame berg. 'Haktangn-Ni' heet de bult, die een strategische rol speelde in het Belgische front. "Op die berg lag mijn peloton", vertelt hij. "Het was een vooruitgeschoven post, omringd door niemandsland. Overdag werden we met mortieren bestookt, 's nachts probeerden de Chinezen en de Noord-Koreanen te naderen. Een keer werden we bijna in de rug verrast. We hebben toen geluk gehad dat de vijand op een van onze twee vlammenwerpers is gebotst. Dat is een primitief wapen, maar wel afschrikwekkend als je er in de linies van de vijand mee schiet. Ineens sprongen tien Chinezen als levende toortsen uit hun stelling. Daarna hebben ze de aanval afgeblazen."

De oorlog in Korea was een ouderwetse stellingenoorlog. Verveling, chronische angst, koude, ontbering, de stank van ontbindende lijken, boobytraps en landmijnen, het hoorde er allemaal bij. Waarom heeft hij zich vrijwillig aan die beproeving onderworpen? "Niet uit idealisme", zegt hij. "En zeker niet voor het geld. Tegenwoordig krijgen de para's een riante risicopremie voor buitenlandse missies. Wij moesten het in Korea met een bonus van 50 frank per dag stellen, goed voor vier pakjes sigaretten per dag." Niet voor het geld dus. Waarom dan wel? "Het was een andere tijd", voert hij aan. "Mensen gingen nooit op reis. Als je wat van de wereld wilde zien, dan moest je wel het leger in. Daarom hebben zoveel Koreanen na hun terugkeer voor de paracommando's gekozen. Alleen daar vonden ze het avontuur en de kameraadschap uit Korea terug."

Zeggen dat hij na Korea op één been zijn paracommando-opleiding heeft afgemaald, is overdreven. "Fysiek was het behoorlijk zwaar", zegt hij. "Vooral in Marche-les-Dames moest je op de tanden bijten. In mijn tijd stond milling nog op het programma. Een minuut boksen met een tegenstander van vergelijkbaar kaliber. Afweren was verboden, je mocht alleen slaan en incasseren. Ik werd eens uitgeloot tegen een amateur-bokser. Wel, die heb ik een pak slaag gegeven. Maar de volgende keer moest ik het tegen een advocaat opnemen. Nooit van mijn leven zoveel rammel gekregen."

In een van de albums prijkt een foto van een wel heel bijzonder groepje rekruten: de allereerste Kongolese militairen die in België tot paracommando werden opgeleid. Ze lachen al hun tanden bloot, misschien wel om de ironie van de koloniale geschiedenis. Vóór 1960 speelden de Belgen de parachute immers uit als ultiem bewijs van blanke suprematie. Generaal Emile Janssens, opperbevelhebber van de Force Publique, voorspelde ooit dat inlanders nooit in staat zouden zijn om uit een vliegtuig te springen. Deze foto dateert echter uit 1961, het jaar waarin de militaire co-operatie met de nieuwbakken dictator Mobutu op kruissnelheid kwam. En dus mocht Rik Wouters zijn geheimen met de soldaten van het Armée Nationale Congolaise delen. En waren het goede leerlingen? "Het waren merkwaardige leerlingen", antwoordt hij. "Na een van de theorielessen over valschermspringen polste ik of ze geen vragen hadden. Steekt een van die Kongolezen zijn hand op. Dan verwacht je natuurlijk een vraag over de leerstof. Maar weet je wat hij zei? 'Mon adjudant', zei hij met zo'n dik accent, 'mais qu'est-ce que c'est un tremblement de terre?'."

René Van Haezendonck (SAS-veteraan)

René Van Haezendonck (81) woont in een serviceflat van het OCMW-rusthuis van Mortsel. De tijd heeft hem niet gespaard. De man die de zeven wereldzeeën heeft bevaren en zich tijdens de oorlog achter vijandelijke linies liet droppen, zit nu gekluisterd aan een rolstoel. Hij vat het filosofisch op. "Ach ja, je kunt toch niet eeuwig jong blijven? Ik verveel me niet, want ik kan terugblikken op een spannend leven."

Para van het eerste uur, in zijn geval moeten we dat letterlijk nemen. Op zijn buffetkast, tussen de souvenirs van een vervlogen huwelijk, prijkt een foto die hem dierbaar is. René Van Haezendonck schouder aan schouder met Eddy Blondeel, de reserveluitenant die de krijgsgeschiedenis zou ingaan als stichter van de Belgische para's. Blondeel was een naar Canada uitgeweken landbouwingenieur die na de Duitse invasie in mei 1940 de noodkreet van het vaderland had gehoord. Hij was overigens niet de enige. In het plaatsje La Joliette in Québec werd een kamp geïmproviseerd om de Belgische patriotten uit de Nieuwe Wereld te trainen met het oog op hun verscheping naar Engeland. "Vaak waren het zonen van boeren die na de Eerste Wereldoorlog naar Amerika waren geëmigreerd", vertelt René. "Ze kwamen uit Canada en de Verenigde Staten, maar ook uit Argentinië en Brazilië. Daarnaast waren er mensen zoals ik. Zeelui en andere zwervers die zich in een of ander Belgisch consulaat hadden aangemeld. In Engeland noemden ze ons het Belgian-Canadian Battalion. Ik had het stamnummer BC303." Uit dat zootje ongeregeld werd dus de toekomstige elite van het Belgische leger gevormd. Eerst was er Eddy Blondeel, die in juni 1942 in de schoot van de Special Air Service (SAS) zijn Belgian Independent Parachute Company oprichtte. De Britse roots overleven tot vandaag, zowel in de trainingsmethode als in de rode muts van de para's. Enkele maanden later, onafhankelijk van de para's, onderging weer een andere groep Belgen een doorgedreven commandotraining. Para's en commando's, rode en groene mutsen, het verschil hield tot in 1951 stand. Sindsdien worden alle rekruten in beide disciplines getraind.

Maar hoe is hij in La Joliette en vervolgens bij de SAS verzeild? René steekt van wal met een uitgebreide maar zeer amusante prelude. Hoe hij als vijftienjarige lichtmatroos op een Belgische tanker aanmonsterde. Hij wilde de wereld zien, en werd op zijn wenken bediend. Houston-Texas was een dorp met twee winkels en een koffieshop, het Panamakanaal groef zich in zijn geheugen als een wereldwonder. In Japan keek hij zich de ogen uit. In Kobe liepen de vrouwen nog in kimono rond, zeer tot genoegen van de jonge lichtmatroos. René verloor er in een geishabar niet alleen zijn hart maar ook, zoals hij openhartig meedeelt, zijn bloemeke. Bloemeke? "Je weet wel", zegt hij, "mijn voorhuid. Die was een beetje gescheurd. Jongen, was me dat daar een paniek, zelfs de bazin van de geishabar kwam ernaar kijken. Ik bloedde, ze moesten er een verband rond doen. En ik terug naar mijn schip, met een wikkel rond mijne sjarel."

Maar we zouden het over de oorlog hebben. Aan de Duitse bezetters is hij op het nippertje ontsnapt. Toen de tanker in Terneuzen het ruime sop koos, zag hij van op het achterdek hoe de Nederlandse marine de haven met kettingen blokkeerde. Het bleek uitstel van executie, want in Los Angeles haalde de oorlog hem in. Zijn tanker werd aan de ketting gelegd, een gevolg van een betwisting over de Belgische koopvaardijvloot tussen de nazi-bezetters en de regering-Pierlot. Het geld raakte snel op, en René zag zich genoopt om elders emplooi te zoeken. En wat wilde het toeval? Op de eerste boerderij waar hij aanklopte, werd hij in loepzuiver Vlaams ontvangen. "Boeren uit de streek van Ronse", zegt hij. "Ik ben er een maand gebleven. Die mensen waren geabonneerd op de Gazet van Detroit, een krant speciaal voor Vlaamse immigranten. Toen ik daarin las over de Duitse bezetting van België, besloot ik me als vrijwilliger aan te melden."

En zo belandde stamnummer BC303 in Frizz-Hill in de Engelse Midlands, de plek waar het Belgian-Canadian Battalion werd gekazerneerd. "Niet ver van ons lag de Brigade Piron", zegt René. "Maar daar hadden we geen hoge dunk van. Piron en zijn mannen, dat waren in onze ogen lafbekken die voor de Duitsers op de loop waren gegaan. Wist je trouwens dat Piron er alles aan heeft gedaan om Blondeel stokken in de wielen te steken? Piron was nog een generaal van de oude stempel, eentje die het front alleen kende van horen zeggen. En dan komt er zo'n jonge reserveofficier op de proppen met een heel nieuw initiatief. Blondeel, die was uit ander hout gesneden. Die bleef niet achter zijn bureau zitten, die kroop met zijn mannen door de modder. Gelukkig genoot hij de steun van de Engelsen, die overigens evenmin hoog opliepen met generaal Piron."

René Van Haezendonck heeft niet geaarzeld toen de allereerste Belgische para's werden geronseld. "Al mijn makkers uit Canada hebben dadelijk toegehapt. Alles was goed om de verveling te doorbreken. Parachutespringen, waarom niet. Springen uit een vliegtuig, dat leek ons wel spannend. Zo was de sfeer onder de Belgische Canadezen. We waren allemaal uit op avontuur."

Over de opleiding door Britse SAS-instructeurs heeft hij niets dan lof. Na drie sprongen kreeg hij zijn rode muts met vleugels. De opwinding ebde weer weg, de geallieerde bevelhebbers maakten geen aanstalten om de kersverse paracompagnie in de strijd te gooien. Aan dat eindeloze wachten had René Van Haezendonck een broertje dood. Hij stelde zich bij de SAS kandidaat voor 'speciale operaties' en onderging een intensieve training in uiteenlopende technieken als vrije val, sabotage en morsecodering. Op een nacht werd hij met twee makkers boven de Ardennen gedropt. "De Amerikanen waren in volle opmars", zegt hij. "Wij moesten hun komst voorbereiden. Contacten leggen met de weerstand en paniek zaaien in de Duitse gelederen. We pleegden sabotageaanslagen met granaten en plastiekbommen. Gevaarlijk? Tja, als je in handen van de SS viel, dan werd je gegarandeerd doodgemarteld. Maar het ging goed, na vijf dagen guerrilla kwamen de Amerikanen en sloegen de Duitsers op de vlucht. Ik ben dan met het Amerikaanse leger als tolk opgetrokken naar de Kempen. Later heb ik nog een geheime missie gesprongen, in Nederland. Eigenlijk was het gekkenwerk. Bij de SAS hadden we geleerd ons te camoufleren als wandelende bossen. Maar als we sprongen, hielden we altijd onze rode muts op. Rood, een beter doelwit kun je niet dromen. Maar zo is nu eenmaal de para-spirit. Niet nadenken, maar doen."

'Onze officieren bleven nooit aan de kant staan. Kropen we door de modder, dan kroop de adjudant mee. Liepen we een speedmars in de blakende zon, dan trok hij de kop' 'Wij moesten het in Korea met een bonus van 50 frank per dag stellen. Het was een andere tijd. Mensen gingen nooit op reis. Als je wat van de wereld wilde zien, moest je het leger in' 'We pleegden sabotageaanslagen met granaten en plastiekbommen. Gevaarlijk? Tja, als je in handen van de SS viel, dan werd je gegarandeerd doodgemarteld'

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234