Woensdag 08/12/2021

De overspelige president als filmheld

Toen de politieke roman Primary Colors gepubliceerd werd in het voorjaar van '96, leek het verhaal over de presidentiële campagne van een even ambitieuze als meedogenloze gouverneur uit een zuidelijke staat, met een seksuele appetijt in overdrive, vooral bedoeld als een nogal doorzichtige, maar toch wel goed gedocumenteerde en erg bijtende satire op de verkiezingscampagne van Arkansas-gouverneur Bill Clinton uit '92. Inmiddels is die sleutelroman verfilmd (door regisseur Mike Nichols, met John Travolta in de rol van gouverneur Jack Stanton en Emma Thompson als zijn echtgenote Susan) en volgens sommigen heeft Primary Colors, die vandaag in de Amerikaanse bioscopen in roulatie komt, daarbij de vorm van een apologie voor de veelgeplaagde president aangenomen. In het politieke tijdschrift George laat hoofdvertolker John Travolta er in ieder geval weinig twijfel over bestaan: 'You'd have to be dead not to see that the film favors Clinton.'

In de Amerikaanse media, waar Primary Colors niet zozeer als artistiek product dan wel als politiek fenomeen uitgebreid wordt besproken en becommentarieerd, wordt de film dan ook omschreven als dé ultieme synergie: niet alleen tussen nieuws en entertainment, maar ook tussen Washington en Hollywood.

Als er in de film inderdaad sprake zou zijn van een pro-Clinton-pleidooi, dan kunnen daar grosso modo drie soorten redenen voor aangestipt worden. De eerste soort kan onder de noemer 'politieke samenzwering' samengevat worden. De tweede kan op rekening van Amerika's voorliefde (althans in films) voor antihelden en andere bad boys geschreven worden. En als derde zijn er de veranderde noties van privé-gedrag en publieke moraliteit.

Primo: de samenzwering. Vanuit het Witte Huis zou er namelijk vriendelijke druk zijn uitgeoefend op regisseur Mike Nichols en scenariste Elaine May. Meer dan vriendelijke beïnvloeding zou trouwens niet nodig geweest zijn, want Nichols en May staan hoe dan ook bekend als Clinton-sympathisanten. Daarnaast zou aan hoofdvertolker John Travolta gevraagd zijn om zijn personage van oversekste en manipulerende gouverneur toch niet al té hatelijk of antipathiek voor te stellen. Travolta hoefde dat niet zomaar te doen. In ruil voor deze dienst zou de Clinton-administratie de Scientology-Kerk, waarvan John Travolta bekend lid en pleitbezorger is, helpen bij haar problemen met de Duitse regering (die weigert Scientology als religie te erkennen).

Uiteraard heeft Nationaal Veiligheidsadviseur Samuel R. Berger de hele zaak inmiddels afgedaan als 'conspiracy theories'. Hij geeft wel toe dat hij een Scientology-delegatie (waaronder acteur John Travolta) ontmoet heeft en dat daar inderdaad beloofd werd tussenbeide te komen bij de Duitse regering. Maar dat gebeurde volgens hem op basis van het jaarlijkse mensenrechtenrapport van het State Department, waarin geconcludeerd werd dat Scientology-leden unfair behandeld werden door de Duitse overheid. En Berger besluit: "Het enige wat ik aan Travolta gevraagd heb, was een handtekening voor mijn kinderen."

Secundo: de Amerikaanse voorliefde voor bad boys. In die context helpt het natuurlijk dat het Clintonesk hoofdpersonage in Primary Colors, door het vakblad Variety omschreven als een "modern immorality play", vertolkt wordt door een charismatische superster als Travolta, die met zijn naar verluidt erg geslaagde imitatie van de Clinton-'walk and talk', niet alleen de kwaliteiten maar ook (en vooral) de morele mankementen en geile gebreken van presidentieel kandidaat Jack Stanton zo niet aantrekkelijk, dan toch verschoonbaar kan maken. Vanuit die optiek worden de president en zijn vrouw even glamoureus en opwindend als Bonnie en Clyde, terwijl aanklager Kenneth Starr veeleer als een saaie pretbederver oogt.

Tertio: een veranderd waardepatroon. Hier en daar merken commentatoren op dat Primary Colors - en daarmee bedoelen ze dan zowel het boek als de film - vooral belangrijk is als "a lesson in modern politics", met als voornaamste boodschap dat het misschien toch niet zo'n goed idee is om te denken dat briljante politici tegelijk ook totaal decente menselijke wezens zouden zijn.

Dat Amerikaanse presidenten niet steeds een toonbeeld van echtelijke trouw waren, is trouwens iets dat men reeds lang in Hollywood wist en is dus ook in verscheidene films aan bod gekomen. In State of the Union, een Frank Capra-klassieker uit 1948, was men nog niet zover. In die film is industrieel Spencer Tracy ongelukkig in zijn huwelijk met Katharine Hepburn en dus begint hij een affaire met Angela Lansbury. Maar als hij dan beslist een gooi te doen naar het Witte Huis, maakt zijn politiek adviseur hem duidelijk dat een dergelijke presidentiële campagne alleen maar kans op slagen heeft als dat samen met zijn wettige eega gebeurt. "It's an Amerian tradition", zegt hij, "Otherwise, you can forget the whole thing." In typische Capra-stijl wordt Spencer Tracy uiteindelijk een populaire held en jawel, ook zijn huwelijk wordt gered.

Dat was toen; nu is het enigszins anders. In enkele recente thrillers blijkt womanizing een vast onderdeel van het presidentieel personage te zijn geworden. In de Clint Eastwood-film Absolute Power is Gene Hackman de president die een slippertje wil maken, maar als de vrijpartij nogal brutaal uit de hand loopt, komen twee Secret Service-agenten haar slaapkamer binnengestormd en schieten de vrouw dood. In de thriller Murder at 1600 blijkt de combinatie van hoge politiek en seks eveneens levensgevaarlijk, maar hier wordt het lijk van een jonge vrouw zowaar gevonden in een badkamer, vlakbij het Oval Office. De onderzoekers vermoeden zelfs dat het slachtoffer zowel de minnares was van de president als van zijn zoon.

Maar het kan ook op een grappige manier. In My Fellow Americans spelen Jack Lemmon en James Garner twee ex-presidenten, die op de vlucht moeten voor politieke tegenstanders die het nog steeds op hun leven gemunt hebben. In de loop van het verhaal wordt duidelijk dat Lemmon een trouwe echtgenoot is geweest, maar Garner zag er indertijd geen graten in om vrouwen het Witte Huis binnen te smokkelen via een geheime ingang, die door de Secret Service wellicht niet toevallig 'the Kennedy Door' werd genoemd. In de dubbelgangerskomedie Dave zit een scène waarin Sigourney Weaver als First Lady samen met haar ontrouwe presidentiële echtgenoot het balkon moet opstappen voor een glimlachende foto. Maar net voordien stoot ze hem venijnig aan met de vraag: "Who was she, Bill? Another political secretary?".

En er is ook nog de recente politieke satire Wag the Dog, waarin de Amerikaanse president van zijn politieke adviseurs de raad krijgt een (fictieve) oorlog te beginnen om te media-aandacht af te leiden van een dreigend seksschandaal. De film is gebaseerd op de roman American Hero van Larry Beinhart uit '93, waarin eigenlijk de spot werd gedreven met president George Bush, die de Golfoorlog best kon gebruiken om zijn dalende ratings wat op te krikken. Het seksschandaal blijkt dus een scenariotoevoeging uit het Clinton-tijdperk.

In het reeds geciteerde Dave zit ook een scène, waarin de ontgoochelde First Lady in verband met de overspelige stoeipartijtjes van haar man opmerkt: "You don't change, do you, Bill?" In een New York Times-artikel met als titel 'Presidential Affairs: When The Headlines Follow The Script' wordt dat citaat in herinnering gebracht met als conclusie: "Maar de publieke attitudes zijn wél veranderd. We weten nu beter wat te verwachten en we kunnen het zelfs toegeven."

Journalist Joe Klein, de auteur van Primary Colors, heeft inmiddels laten weten bijzonder tevreden te zijn over de getrouwe verfilming van zijn boek. Volgens de New York Times beschouwt hij Bill Clinton als "a pretty good president in a very dull time", want aldus Klein: "Denk maar eens hoe saai de jaren '90 zouden geweest zijn, indien we Clinton niet hadden gehad." Kortom, Klein is duidelijk een adept van de Bonnie and Clyde-theorie.

Toen Primary Colors in januari '96 door uitgeverij Random House gepubliceerd werd, gebeurde dat onder het pseudoniem Anonymous. Die geheimdoenerij was uiteraard goed voor de verkoop en zorgde voor een stortvloed van gissingen en hypothesen over de identiteit van de mysterieuze auteur. In februari '96 kwam New York-magazine, via computeranalyse, tot de conclusie dat Joe Klein, politiek columnist van Newsweek, hoogstwaarschijnlijk de auteur moest zijn. Die bleef bijzonder heftig ontkennen, maar moest in juli '96 - toen de Washington Post aan het licht bracht dat zijn handschrift op het manuscript was aangetroffen - uiteindelijk toegeven dat hij de auteur was .

Journalist Joe Klein heeft inmiddels miljoenen verdiend aan royalties en filmrechten, werkt momenteel als Washington-correspondent voor The New Yorker en bereidt nu ook een tweede roman voor. Over de inhoud daarvan wil hij voorlopig nog niets kwijt. Zijn uitleg: "Ik heb behoorlijk wat succes gehad door niet te praten over mijn vorige boek."

Jan Temmerman

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234