Vrijdag 23/04/2021

De overdracht van het kanaal, tussen Gringoland en Hongkong Latino

Volgende week worden de buitenlandse staatshoofden op een officiële plechtigheid verwelkomd, op 31 december zijn de Panamezen zelf aan het feest. Op die dag doen de Verenigde Staten hun het Panamakanaal cadeau, het kunstwerk waar ze 96 jaar geleden de concessie over kregen en waar ze hun zuidelijke leger installeerden. Toch blijft de vreugde gedempt: in Washington heerst zo'n reversion blues dat Bill Clinton straks niet naar Panama gaat. De Panamezen zelf, die het zonder leger moeten stellen, vinden het kanaal dan weer onmogelijk te verdedigen. 'Een paar bommen erop en het loopt leeg.'

Lode Delputte

'Je hebt toch geen hoogtevrees?', vraagt Dazzell Marshall me met een zwaar nasaal, southern accent. "Komaan." De jonge mulat, in het okergele uniform van de rechtstreeks onder Washington ressorterende Panama Canal Commission, troont me mee op de smalle loopbrug van de vijftien meter hoge sluisdeuren. We zijn in Miraflores, de zuidelijke toegangspoort tot het kanaal, zes kilometer van Panama-stad, even ver van de Stille Oceaan en op een boogscheut van Fort Clayton, het vorige week aan de Panamese autoriteiten overgedragen US Southern Army Communications Command Center. Zelf is Dazzell Marshall, een gezonnebrilde pr-jongen die voortdurend aan zijn walkietalkie hangt, géén Amerikaan. "Don't you dare! Ik ben een volbloed Panamees, hooguit van Jamaicaanse afkomst."

Marshall doet het me helemaal uit de doeken: hoe zijn betovergrootvader in de jaren zeventig van de vorige eeuw door de Franse bouwer van het Suezkanaal, Ferdinand de Lesseps, naar Panama gehaald werd. "Met mooie beloften hebben de Fransen tienduizenden zwarten uit het Caraïbische gebied naar de Centraal-Amerikaanse landengte gelokt. Voor een appel en een ei, ten koste van lijf en leden, werden hele gezinnen aan het graven gezet, en van zo'n graversfamilie ben ik een nazaat."

Op Marshalls gezicht staat trots te lezen, oeverloze bewondering voor het tachtig kilometer lange hoogstandje dat Panamakanaal heet, voor de Miraflores Locks, de megasluizen die dagelijks tussen vijfendertig en veertig oceaanschepen versassen. Tussen middernacht en 's middags gaat het van de Stille naar de Atlantische Oceaan, de rest van de dag andersom. Negen uur doet een schip erover om het kanaal door te varen, wachttijd inbegrepen wordt het vierentwintig uur. "Maar als datzelfde schip om Vuurland en Kaap Hoorn heen moet, een omweg van 13.000 kilometer, dan is het weken onderweg. En aangezien time meer dan ooit money is..."

Onder een loodzware tropenhemel komt, majestueus langzaam, de Star Masaya Miraflores binnengevaren. Op het dek van het Filippijnse vrachtschip staan, vier verdiepingen hoog, tientallen rode en groene containers gestapeld. "Zo'n honderdduizend dollar passagerechten heeft de reder hier betaald, 2,75 dollar per ton. Als deze jongen de andere weg genomen had om van oost naar west te varen, had hij een miljoen dollar aan operationele kosten mogen ophoesten, geld dat aan de consument doorgerekend zou worden."

Kennismaken met het Panamakanaal, 's werelds belangrijkste maritieme short cut, heet in de eerste plaats indrukwekkende cijfers aanhoren: "Telkens als de sluisdeuren opengaan, vloeit er 200 miljoen liter zoetwater naar zee, twaalf miljoen liter water per minuut, aangeleverd door stuwmeren en junglerivieren, die het zelf uit de onophoudelijke neerslag betrekken." Marshall vraagt hoeveel inwoners België heeft en maakt een vluchtig rekensommetje: "Met het water dat per doorvarend schip de oceaan in vloeit, kan jouw land een dag lang drinken."

De Star Masaya is inmiddels veilig en wel de eerste sluiskamer binnengevaren. Niet dat dat voor de hand ligt. Vanuit een centrale controlekamer volgt de lockmaster de hele operatie minutieus, krachtige Mitsubishi-locomotieven nemen het schip vanaf de kade op sleeptouw en een Panamese loods is aan boord gegaan, te zien aan de Panamese vlag die hoog aan de scheepsmast wappert, een onderdeel van het protocol waaraan de kapiteins zich moeten houden.

Slechts luttele centimeters scheiden de scheepswanden van de betonnen sluismuur, en het manoeuvreren is onwaarschijnlijk precisiewerk. "De Star Masaya is een panamax", licht Marshall toe. "Tot voor kort waren tankers, vrachtschepen of cruiseboten nooit groter dan één sluiskamer van het Panamakanaal." Tot voor kort? "Tja", haalt hij de schouders op, "de laatste jaren bouwen ze ze toch ruimer. De post-panamaxen kunnen niet meer door het kanaal, ons kanaal."

Straks, op 31 december om twaalf uur 's middags, zesennegentig jaar nadat ze er de concessie over kregen en nu het eigenlijk te klein geworden is, schenkt Washington het werkstuk aan de Panamezen weg. "Eén miljard dollar zal het kosten om de zaak hier te verbreden, om het kanaal aan de nieuwe normen aan te passen, maar de transition managers maken er werk van, tegen 2010 zou het up-to-date moeten zijn."

Er klingelt een oorverdovende bel en de scheepshoorn loeit. De Star Masaya is van zee- naar kanaalpeil gebracht, de versassing is geslaagd en het schip kan verder, richting Atlantische Oceaan. Meer dan een half miljoen vaartuigen zijn de Star voorgegaan sinds het kanaal in 1914, aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog, openging. Vierenveertig jaar had de bouw ervan aangesleept. De graafwerken hadden, letterlijk en figuurlijk, onnoemelijk veel voeten in de aarde. Het verhaal is dit.

De landengte die niet alleen Noord- en Zuid-Amerika maar ook 's werelds twee grootste oceanen van elkaar scheidt, is een strategisch kruispunt dat al sinds de ontdekking van de Nieuwe Wereld de geesten heeft beroerd. Onze eigenste Keizer Karel, heerser van een rijk waar de zon nooit onderging, had zijn wetenschappers in 1524 al de opdracht gegeven de haalbaarheid van een kanaal te onderzoeken. Dan pas zou Spanje, behept met de idee om het Peruaanse Inca-goud zo efficiënt mogelijk naar Europa te verschepen, een échte grootmacht zijn, ging de redenering.

Maar moeilijk te nemen bergruggen, een ondoordringbaar oerwoud en zompige mangrovebossen beslisten er anders over. Pas drieënhalve eeuw later, omstreeks 1870, werden de kanaalplannen weer bovengehaald. De in Suez-succes zwelgende de Lesseps had zijn inspiratie uit een reisverslag van de Duitse geograaf en bioloog Alexander von Humboldt geput.

In de negentiende eeuw was Panama een achtergebleven provincie van Gran Colombia, de 'Bolivariaanse' republiek waar behalve het huidige Colombia ook Venezuela, Ecuador en Peru deel van uitmaakten. Enige ontwikkeling - zo leert het voor de teruggave opgefriste Museo Interoceánico in de koloniale San Felipe-wijk - had in Panama nochtans ingang gevonden: sinds 1858 liep er een erg winstgevende spoorlijn. Die verbond de stad Aspinwall, het huidige Colón aan de Atlantische Oceaan, met Panama-stad aan de Stille Oceaan.

Het waren de goudkoorts in Californië en de trek naar de Far West die een Brits-Amerikaanse maatschappij op het idee gebracht hadden beide kusten met elkaar te verbinden. Pioniers deden er veel sneller over als ze de oostkust per boot verlieten richting Aspinwall, daar vervolgens met de trein naar de Stille Oceaan doorstaken en ten slotte op een stoomschip naar San Francisco voeren, dan als ze dwars door het Amerikaanse binnenland trokken, waar droogte, honger, dorst en gevaarlijke roodhuiden hun deel waren. Omdat de spoorweg in Amerikaanse handen was, kreeg de uitbater van Colombia de toelating hem te verdedigen tegen wilde dieren, boeven en indianen. De zaken liepen goed zolang er goud te vinden viel, maar kwamen na enkele jaren tot stilstand.

"En daar komt de Lesseps dan aan gewandeld." Onder de zwiepende ventilator van café Morales wil Don Elias, een zeldzame halfintellectueel met een havanna tussen de lippen, kwijt hoe het Franse project van meet af aan tot mislukken gedoemd was. "Geld hadden ze bij hopen, maar die lui kwamen hun salons niet uit! De Lesseps had zijn kanaal al verkocht voor hij ooit een voet in Panama gezet had."

Volgt de bekende geschiedenis dat de Fransen niet eens het verband doorhadden tussen tropische regenval, muggen en gele koorts, dat ze zwarte en Chinese puttendelvers met bergen opium moed probeerden in te praten, dat er wel 24.000 doden vielen door zelfmoord en ziekte en dat de lijkkistenhandel op zeker ogenblik omvangrijker was dan de graafwerken, dat de betweterige de Lesseps voor het vulkanische Panama dezelfde machines hoopte te gebruiken als in het zanderige Suez en dat hij mordicus een kanaal op zeeniveau wou, zonder sluizen dus, en zonder bergen waar schepen overheen getild hoorden te worden. "Weet je wat het is?", pocht Elias: "Die Fransen waren hun tijd te ver vooruit." Buldergelach en billengeklets.

Het vervolg van de historie heeft mijn uit zijn nationalisme barstende gezel met de moedermelk naar binnen gekregen. "Tien jaar na het failliet van de Fransen en nadat ze oeverloze discussies gevoerd hadden of het nu Nicaragua of Panama moest worden, eisen de Amerikanen dat Colombia hun ten eeuwigen titel de kanaalgronden cadeau doet."

Colombia weigert, Washington stuurt oorlogsschepen naar Panama, ontketent er een separatistische revolte, roept de Panamese onafhankelijkheid uit en maakt het kanaal af. "Een fluitje van een cent. Nog even dachten we eraan terug te krabbelen toen bleek dat we meteen 5 procent van ons territorium prijs mochten geven en het voortaan met een stevig versterkte binnenlandse grens moesten stellen. Tot enkele jaren geleden hield Washington hier zestigduizend soldaten paraat."

Wie in die dagen naar de andere kant van het kanaal wou, moest daarvoor een speciale vergunning aanvragen. Panamezen die in de zestien kilometer brede Canal Zone een verkeersovertreding begingen, zagen hun zaak in het Pentagon beslecht en geen wet raakte door het Panamese parlement zonder dat de Canal Governor, de militaire commandant, er op een of andere manier de hand in had.

Aan de vooravond van de (sinds de ondertekening van de Carter-Torrijos-verdragen in 1979 aangekondigde) overdracht, denkt Carlos González, de kritische hoofdredacteur van de krant El Universal en een gepassioneerde kanaalkenner, met afgrijzen terug aan de aanwezigheid van het Southern Army. "Zelfs op de Puente de las Américas, de in '62 door de Amerikanen gebouwde brug en tot vandaag de enige verbinding over land tussen Oost- en West-Panama, mocht de Panamese vlag niet wapperen. Borden met daarop no trespassing, dat was het enige wat wij Panamezen van het kanaal te zien kregen."

Volgens González was het kanaal dan ook geen kanaal, "het was in de eerste plaats de speeltuin van het gringoleger, een land in een land. De Amerikanen hadden hier hun eigen elektriciteitscentrales, hun eigen fabrieken, hun eigen openbaar vervoer, eigen ziekenhuizen en scholen, eigen alles. De republiek Panama liet hen koud en van onze gevoeligheden drong geen jota tot ze door. Het waren niet voor niets militairen: behalve leren folteren in de School of the Americas of overlevingsuitstapjes maken in de jungle hebben ze hier bitter weinig uitgericht."

Het inmiddels naar Puerto Rico verscheepte Southern Army bevond zich niet alleen in het zuiden, het zat ook vol zuidelijke Amerikanen, sudeños. "Echte racisten waren het, op het gouden grasveld (zoals de Panamezen de kanaalzone noemden, ld) hield de rassensegregatie veel langer stand dan in mainland America. Ik herinner me de dag dat een Zonian me aan de grens tegenhield, een probleem met een of ander document. Toen ik vroeg of ik even naar het toilet mocht, wees hij me dat van de zwarten aan, terwijl ik blank ben. Maar zwarten en Panamezen, dat was kennelijk hetzelfde."

"Om nog maar te zwijgen van de communisten. Daar waren de Zonians doodsbang van. Terwijl ze verdorie zelf in een communistisch systeem leefden: in de kanaalzone betaalde geen hond zijn elektriciteit, onderwijs of openbaar vervoer. Dat deed de staat wel in zijn plaats."

Nee, Carlos González zal er verre van rouwig om wezen dat Panama straks het kanaal - "en daarmee zichzelf, want Panama ís het kanaal" - terugwint. Zoals beloofd in de na jarenlange Panamese en internationale druk tot stand gekomen overdrachtsregeling, moet tegen 31 december de laatste Amerikaanse soldaat zijn koffers gepakt hebben. Een reusachtig vastgoedagentschap onder leiding van de Panamese ex-president Nicolás Barletta zal intussen het 7.500 gebouwen tellende legerpatrimonium van de hand zien te doen. Verwachte opbrengst: tien tot vijftien miljard dollar. Het kanaal zelf wordt straks ook niet langer door de Canal Commission bestuurd, wel door de Autoridad del Canal de Panamá.

Met nauwelijks verholen leedvermaak schrijft de Amerikaanse pers dat het kleine Panama de klus niet aankan. Juan met de pet vreest dan weer dat hij het met kruimels zal moeten stellen, dat de Panamese politici als van oudsher alle winst zullen opstrijken en dat presidente Mireya Moscoso de kolos uit het noorden in opperste discretie weer zal binnenhalen.

"Daar kan ik nu eens niet tegen zie", fulmineert González. "Zodra ze beseften dat wij het kanaal van hen over zouden nemen, dat we dus gedekoloniseerd zouden worden, hebben de gringo's er alles aan gedaan om zich als onmisbaar voor te doen. Ze hebben ons een minderwaardigheidscomplex opgedrongen, gebluft dat we er niets van zouden bakken en een clausule voorzien waardoor ze, als dat nodig blijkt, in één twee drie weer binnen kunnen vallen."

"Zie je, dát is de fout die ze maken: de VS verwarren een commercieel kanaal met een militaire basis. 'Het kanaal moet verdedigd worden', schreeuwen ze van de daken, en: 'Oeioei, die Panamezen hebben niet eens een eigen leger.' 'Hoe zullen die sukkels de oprukkende Colombiaanse guerrilla tegenhouden?' 'Hoe moet het met de cocaïnesmokkel?' 'Hoe zullen ze de financiële maffia stoppen, de witte boorden in hun fiscale paradijs?' 'Zijn we drugsbaron annex dictator Manuel Noriega dan al vergeten?'"

Voor zichzelf ernstig nemende Panamezen als González gaat de Amerikaanse onrust niet verder dan lachwekkende retoriek. Toch kun je er niet omheen: op een paar honderd kilometers van Panama-stad, in de Darién-jungle, zit de Colombiaanse guerrilla. Op minder dan een uur vliegen liggen de drugsnesten Medellín en Cali. In de straten van Panama's chique zakenwijk rijden gepantserde Mercedessen rond, met ondoorzichtige ramen, zonder nummerplaat vooraan. In de bankgebouwen tref je, behalve keurig in het pak stekende yuppies, vleesgeworden maffiaclichés aan: mannetjes in wit kostuum, met witte panamahoed, witte mocassins en zwarte zonnebril. In de lobby's van dure privé-clubs wordt bezoekers gevraagd privé-wapens in de vestiaire achter te laten. De futuristische wolkenkrabbers van Punta Paitilla staan, zo wil een publiek geheim, zo goed als leeg omdat er hooguit brievenbusfirma's in zijn ondergebracht, of omdat de drugskartels er hun centen mee hebben witgewassen. Helemaal uit de duim gezogen lijkt John Le Carrés fraude- en spionageroman The Tailor of Panama bijgevolg ook niet.

"En wat dan nog?", reageert luitenant Mario Aguilar van de oppermachtige Panamese politie. "Zet België het leger in om de haven van Antwerpen te beschermen? Neem één ding van me aan: een kunstwerk als het Panamakanaal vált niet te verdedigen. Een paar bommen erop en het loopt leeg."

Aguilar, Caraïbisch type, is een van de talloze agenten in burger die Panama-stad bewaken. Maar op zondag bezoekt hij zijn broer in Colón, aan de Atlantische kust, en als ik het kanaal van zuid tot noord wil langsrijden geeft hij me een lift. "De neutraliteit, dát is de beste bescherming van het kanaal. Er is geen grenscontrole, iedereen maakt er gebruik van, óók de Colombiaanse guerrilla. Hoe zouden ze een waterweg saboteren die ze zelf broodnodig hebben?"

"De enigen die wij Panamezen in de gaten moeten houden zijn de Chinezen. Niet dat ik hier meteen de Triade verwacht, maar toch. De voorbije jaren hebben de Amerikanen immense havengebieden afgestoten, en die zijn in een handomdraai aan bedrijven uit Taiwan en Hongkong verkocht."

Aziatische containerreuzen als Evergreen of Hutchison Whampoa waren er als de kippen bij om de immense overslagcapaciteit die de kanaalzone biedt, over te nemen. "Ze hadden de sociale wetgeving beter óók overgenomen", vindt Aguilar. "Toen we voor Uncle Sam werkten, wisten we tenminste wat we aan elkaar hadden, met de Chinezen niet meer. Lagere lonen, minder vakantie, hogere werkdruk, dat soort rommel."

Op weg naar Colón komen we behalve dicht oerwoud en het gigantische Gatún-stuwmeer ook indrukwekkende haveninstallaties tegen. Monsterachtige kranen uit Korea, duizend ton zwaar en vijftig meter hoog, verplaatsen groene, rode en blauwe kisten. Maersk, Nedlloyd, Sealand Express. De verwachte trafiek van één miljoen containers tegen het jaar 2000 is allang overstegen en er zal spoedig moeten worden uitgebreid. Tussen 1990 en 1998 liepen de buitenlandse investeringen op van 500 miljoen tot 2,5 miljard dollar.

Bij het binnenrijden van Colón, een sinister oord dat zelfs de Panamese toeristische dienst nauwelijks durft aan te raden, klopt luitenant Aguilar geruststellend op zijn broekzak. "Revolver binnen handbereik. Deze stad is niet voor doetjes en vooral buitenlanders lopen risico's. De Colombiaanse kidnapindustrie loert om de hoek."

In een oogopslag wordt duidelijk wat de Colombianen drijft. Eén vierde van Colón, de zogenaamde Zona Libre, gaat achter een ijzeren gordijn schuil, compleet met wachttorens, camera's en zelfontladende geweren. "Een vrijhandelsgebied", legt mijn chauffeur-bewaker uit. "Een van de belangrijkste ter wereld. Taxfree Japanse stereo's kopen? Franse Parfums? Zwitserse uurwerken of Zuid-Afrikaanse diamanten? Go ahead, maar laat je niet bedotten."

Terwijl de rest van de stad een drugs-, prostitutie- en misdaadnest is, baadt de Zona Libre, sinds jaar en dag Panamees territorium op loopafstand van het kanaal, in de weelde. De bewaking van de als forten versterkte villa's van Israëlische, Russische, Libanese of Zuid-Amerikaanse eigenaren moet niet onderdoen voor de ijver waarmee de Amerikanen jarenlang hún zone van de buitenwereld afschermden. "En ook hier beginnen de Chinezen vaste voet te krijgen. Vandaag heet het kanaal nog Gringoland, morgen wordt het Hongkong Latino."

'Natuurlijk hebben we vertrouwen in de Panamezen", verzekert de Amerikaanse marinier J. Saderup 's anderendaags op Fort Clayton. Saderup behoort tot de laatsten der Mohikanen en is een man van weinig woorden. Ook zijn collega's zijn geen spraakwaters. Het lijkt wel alsof de Amerikanen dezer dagen liever in de schaduw blijven staan. Ondanks een eerdere belofte komt Bill Clinton volgende dinsdag niet eens naar de afscheidsceremonie. Officieel heeft hij het te druk, Washington-watchers zeggen dat de Republikeinen de overdracht niet zien zitten en dat Clinton hen in deze pre-electorale tijden liever niet voor het hoofd stoot. Onder meer senator Jesse Helms, bekend van de anti-Cubaanse Helms-Burtonwet, vreest dat de Panamezen er een zootje van zullen maken.

"Toegegeven", wil de marinier kwijt, "we berusten een beetje in ons lot. We hebben Panama natuurlijk opgebouwd, dit is een deel van onze geschiedenis. Plots behoort het grootste militaire complex dat de VS ooit buiten hun eigen territorium bezaten tot het verleden. Het Panamakanaal uit handen geven valt niet licht."

Uit goede maar niet officiële bron verneem ik dat er alles samen nog 38 Amerikaanse militairen in de kanaalzone vertoeven. Een paar weken geleden hebben de laatste Southcom-troepen hun koffers gepakt, echter niet zonder enkele in Panama-stad erg gegeerde patio sales te hebben gehouden. Voor een prikje konden Panamezen op de stoep van de keurige legerwoningen huisraad kopen: stereoketens, boeken, lampen, kasten, stoelen, tafels en grasmachines. Voor de meeste gegadigden was het de eerste keer dat ze tot het hart van de Amerikaanse woonwijken doordrongen. "Ooit was ik in Venezuela gelegerd", mijmert Saderup, "in Colombia ook, en sinds enkele jaren in Panama. Met de hand op het hart: dit is het land dat ik verkies. Zijn de Panamezen geen ongelooflijk vriendelijke mensen?"

Lode Delputte is buitenlandredacteur bij De Morgen

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234