Zondag 28/11/2021

GeschiedenisHolocaust

De onwaarschijnlijke ontsnapping uit een Auschwitz-trein: Simon Gronowski is de laatste die er nog over kan vertellen

Simon Gronowski in de Kazerne Dossin. 'We zaten met vijftig mensen in de wagon op elkaar gestampt. Het waren beestenwagens met stro op de grond. In die wagon was het pikdonker.' Beeld Thomas Sweertvaegher
Simon Gronowski in de Kazerne Dossin. 'We zaten met vijftig mensen in de wagon op elkaar gestampt. Het waren beestenwagens met stro op de grond. In die wagon was het pikdonker.'Beeld Thomas Sweertvaegher

Een stormlamp, drie nijptangen en een pistool. Meer hadden drie jonge Brusselaars niet nodig om het twintigste konvooi tegen te houden. Een heldendaad, die het gewest nu met een monument wil eren. Simon Gronowski sprong als 11-jarige jongen uit die dodentrein naar Auschwitz en is de laatste die er nog over kan vertellen.

“Aan dat raam stond mijn zus, toen ik haar voor het laatst zag.” Simon Gronowski staat licht voorovergebogen in het binnenhof van de Dossinkazerne in Mechelen. Hij heeft net zijn negentigste verjaardag gevierd. Maar op deze plaats speelt hij een tafereel na dat hij als elfjarige jongen heeft beleefd. Zijn herinneringen dateren van 78 jaar terug, maar ze zijn onmogelijk te vergeten, vertelt hij.

Met zijn vinger wijst hij naar een raam op de eerste verdieping. “Er was een ander meisje”, zegt Gronowski. “Zij hield haar arm om mijn zus om haar te troosten. We wuifden, alsof we elkaar snel zouden terugzien. Ik stond hier beneden samen met mijn moeder in de rij aan te schuiven.”

De binnenkoer heeft de vorm van een rechthoek en stond die dag vol mensen. Tussen de twee dubbele poorten van de kazerne zat een bewaker aan een tafel, die de namen van de Joden controleerde. Buiten stonden er SS’ers in twee rijen opgesteld. Helmen op, wapens in de aanslag om iedereen op de trein te krijgen.

De bestemming van de 1.631 gevangenen, die op 19 april 1943 aan boord van het twintigste transport gingen, was Auschwitz. “Dat woord hadden we toen nog nooit gehoord”, zegt Gronowski. “We wisten helemaal niet wat het betekende.”

SS-Sammellager Mecheln

Er zijn tijdens de oorlog 28 treinkonvooien vertrokken uit SS-Sammellager Mecheln, zoals de Duitsers de Dossinkazerne noemden. 24.916 Joden en 351 Roma zijn vanuit de kazerne vertrokken naar het vernietigingskamp. Slechts 1.205 zouden de oorlog overleven.

De foto’s van de gedeporteerden hangen in het museum van Kazerne Dossin. Een foto van de kleine Simon is er ook te vinden, naast een van zijn moeder Chana Kaplan. Een aantal rijen eronder hangt zijn zus, Ita, die net als zijn mama in Auschwitz is omgekomen.

“Mijn zus is pas enkele maanden later gedeporteerd”, zegt Gronowski. “Weet je waarom? Mijn vader kwam uit Polen en mijn moeder uit Litouwen. Indertijd stelde de Belgische wet dat vreemde kinderen die in België geboren waren op hun zestiende de Belgische nationaliteit konden aanvragen. Mijn zus heeft dat gedaan.”

De nazi’s zouden de Joden met Belgische papieren pas later wegvoeren. Er ontbrak nog iemand op het appel. De vader van Gronowski, Leib - verfranst naar Leon Gronowski - was niet door de Duitsers opgepakt. De Gronowski’s woonden voor de oorlog in Etterbeek, op de Waversesteenweg 639, waar zijn vader een winkel had in lederwaren.

In september 1942 dook het gezin onder in Sint-Lambrechts-Woluwe, waar het een half jaar later werd aangehouden. “Gestapo! Papieren!”, schreeuwden twee Duitsers die op 17 maart 1943 aan hun deur stonden.

“We zaten toen aan de ontbijttafel”, zegt Gronowski. “Mijn zus had net boterhammen met confituur voor me gesmeerd. We moesten meteen onze koffers pakken en vertrekken. Toen mijn zus haar kleren in haar tas stak, zag ze de eerste zonnestralen van de lente. ‘Kijk Simon’, zei ze. ‘De zon schijnt, maar niet voor ons.’ Ik kan me haar woorden nog goed herinneren.

“Mijn vader was er niet, omdat hij in het ziekenhuis was opgenomen. Voor hij de winkel had, werkte hij in de koolmijnen, waar hij door al het stof de mijnwerkersziekte silicose had opgelopen. Hij had voortdurend longklachten en moest veel hoesten.”

Boven: Simon Gronowski, toen 9, met zijn ouders, twee jaar voor dat hij en zijn moeder werden opgepakt. Linksonder: Gronowski’s zuster Ita. Rechtsonder: Simon en Ita. Beeld Simon Gronowski
Boven: Simon Gronowski, toen 9, met zijn ouders, twee jaar voor dat hij en zijn moeder werden opgepakt. Linksonder: Gronowski’s zuster Ita. Rechtsonder: Simon en Ita.Beeld Simon Gronowski

De Gestapo bracht de Gronowski’s naar hun hoofdkwartier op de Louizalaan en zette hen dan op een vrachtwagen naar Mechelen. Gronowski kreeg nummer 1.234 en zou in de trein naar Auschwitz redelijk achteraan moeten plaatsnemen. Die vertrok ’s avonds stipt om tien uur. “We zaten met vijftig mensen in de wagon op elkaar gestampt”, zegt Gronowski. “Het waren beestenwagens met stro op de grond. In die wagon was het pikdonker.” Per wagon kregen de gevangenen een emmer mee om hun behoefte te doen, voor een treinreis die enkele dagen zou duren.

Twintigste konvooi

Wat de elfjarige jongen toen niet wist, is dat drie Brusselse verzetsstrijders op een plan broedden om de trein tegen te houden. Youra Livchitz stelde zijn idee voor aan de leden van de Groep G, een Brusselse verzetsorganisatie. Maar zij wilden niet: te gevaarlijk. En waar konden ze de honderden passagiers dan verstoppen als het toch zou lukken? De nazi’s knalden iedereen af die Joden verborgen hield.

Livchitz trok dan maar naar twee vrienden die hij kende van op het atheneum in Ukkel: Jean Franklemon en Robert Maistriau. Zij spraken op die avond van de 19de april af op het Brusselse Meiserplein om het toch te doen. De drie twintigers zouden de enige verzetsstrijders worden die ooit een Jodentrein hebben tegengehouden, in heel Europa.

Om dat te gedenken, wil het Brusselse parlement nu een monument voor hen oprichten. Het treinkonvooi dendert de laatste jaren steeds verder uit de vergetelheid. Vorig jaar schreef Mark De Geest er nog een roman over. Koen Aerts, de man achter de tv-reeks Kinderen van de collaboratie, werkt ondertussen samen met regisseur Hans Vercauter aan een scenario voor een film.

Eigenlijk is het een beetje vreemd dat die er in de decennia sinds de oorlog nog niet gekomen is. Een paar jaar voor zijn dood in 2008 sprak Robert Maistriau nog in een interview met De Morgen over dat gebrek aan erkenning. Maar het feit dat er zo veel mensen toch nog oud waren geworden en gelukkig, deed hem meer dan eender welke gedenkplaat, zei hij.

Toen de drie jongens met de fiets uit Brussel vertrokken, hadden ze enkel nijptangen, een pistool en een lamp bij. Maistriau had de lamp in rode lappen stof gehuld. Die kwamen uit het naaikistje van zijn moeder, zo vertelde hij in het interview. “Youra zei: ‘Als de machinist een rood licht ziet, moet hij stoppen.’ Ik had het lastig om te geloven dat het zo simpel kon zijn, maar hij scheen hier alles over te weten.”

Zo simpel bleek het dus wel. De jongens legden de lamp op het spoor, in een bocht tussen Haacht en Boortmeerbeek. Toen de machinist het rode licht zag, ging hij in de remmen. De trein reed over de lamp en kwam een eind verder tot stilstand. “We keken elkaar aan”, zei Maistriau. “Opeens kwam het besef. Hij is gestopt. Hij is gestopt!”

Simon Gronowski. Beeld Thomas Sweertvaegher
Simon Gronowski.Beeld Thomas Sweertvaegher

De jongeman aarzelde, raapte al zijn moed bij elkaar en liep met zijn nijptang op de trein af. Toen hij een eerste wagondeur opendeed, staarden verbaasde gezichten hem aan. “Fliehen sie! Fliehen sie!”, riep Maistriau. “Maak dat je wegkomt!”

Maistriau zette zijn tang ook in het slot van een tweede deur. Zeventien Joden konden op die plek uit de wagons ontsnappen. Toen er Duitse bewakers roepend kwamen aangestormd, nam Livchitz ze onder vuur. In het struikgewas vond Maistriau zijn vriend Franklemon terug: overmand door angst had hij de hele tijd niet bewogen.

‘Der Zug geht zu schnell’

“De trein is dan weer vertrokken”, zegt Gronowski. “Ik ben in slaap gevallen in de armen van mijn moeder. Andere gedeporteerden waren al aan het proberen om de schuifdeur van de wagon langs binnen te openen.”

Stiekem hadden de gevangen onder de ogen van de Duitsers gereedschap de trein binnengesmokkeld. Met zagen, veilen en tangen hoopten ze de deuren of de tralies te forceren. De gevangenen waren aan dat materiaal geraakt omdat er in Mechelen ook een schrijnwerkerij was, waar sommigen moesten werken. De verzetsdaad zette een aantal passagiers aan om letterlijk een sprong in het duister te wagen. Toen zijn moeder Gronowski wakker maakte, was de trein al tientallen kilometers verder. De deur was open en hij voelde de koude lucht binnenkomen.

“Mijn moeder nam mijn hand vast”, zegt hij. “Voor mij waren er al twee of drie anderen gesprongen. Ik ben toen op de houten trede gaan staan onder de deur. ‘Der Zug geht zu schnell’, zei mijn moeder. Toen de trein vertraagde, sprong ik. Ergens naast de trein ben ik op de grond gerold zonder me pijn te doen. Ik wachtte toen op mijn moeder, want ik dacht dat ze ook zou springen. Ik zag dat de trein volledig stopte. Toen kwamen bewakers van de Sicherheitspolizei in onze richting. Ze schreeuwden in het Duits en schoten met hun geweren.

“Mijn eerste gedachte was om terug in de wagon te kruipen. Om weer bij mijn moeder te zijn, maar daarvoor moest ik in de richting van de roepende bewakers gaan. Op dat ogenblik kreeg ik een soort van reflex, ik kan het niet uitleggen. Ik draaide naar links en ben beginnen lopen.”

Gronowski liep weg van het geschreeuw en de kogels, de bossen in. Heel de tijd neuriede hij In the Mood van Glenn Miller, het favoriete nummer van zijn zus. “Padadadadadada”, heupwiegend, doet hij de swingmelodie nog even na.

In Berlingen, een Limburgs dorpje, tussen Sint-Truiden en Tongeren, klopte hij bij een klein huisje aan, dat van mevrouw Reynders. Haar buurman, de lokale veldwachter, bracht hem naar het politiebureau.

“Op het kantoor was ik doodsbang”, zegt Gronowski. “Ik zei dat ik in de buurt aan het spelen was met kinderen, maar verloren was gelopen. De rijkswachter, Jean Aerts, geloofde me niet. Hij kwam erachter dat ik uit een trein met Joden ontsnapt was. ‘Maar wees gerust’, zei hij. ‘Ik ben een goede Belg. Ik ga je niet verklikken.”

Gronowski nam wat later vanuit Limburg de trein naar Brussel. Hij dook eerst onder bij vrienden van de scouts. Zij herenigden hem met zijn vader, die bij een andere familie verborgen was.

“Mijn papa pakte me vast om te weten of ik in orde was”, zegt Gronowski. “Dan nam hij zijn keppeltje en begon hij te bidden om God te danken en om te vragen om zijn vrouw en dochter ook terug te geven.”

In totaal hebben 231 Joden, net als Gronowski, een poging gewaagd om uit het twintigste konvooi te ontsnappen. Een twintigtal overleefden dat niet: zij kwamen slecht ten val of werden door de bewakers neergeschoten. De Duitsers konden nog eens 90 gedeporteerden oppakken en op een ander transport zetten. Maar 115 Joden bleven wel uit Duitse handen.

Vriendschap met nazikind

Omdat hij zijn moeder en zijn zus in de Holocaust is kwijtgeraakt, sprak Gronowski vijftig jaar lang niet over het verleden. Maistriau heeft hij decennia na de oorlog nog ontmoet, zo’n dertig jaar geleden. Dat gebeurde dankzij de heemkundige kring van Boortmeerbeek, die ook voor een gedenkplaat voor de heldendaad zorgde. Later volgde aan het station van Boortmeerbeek nog een klein monument.

De verzetsstrijders zelf zouden nog een zware prijs betalen. In 1943 konden de Duitsers Youra Livchitz samen met zijn broer Choura oppakken, toen ze een lading wapens in hun auto vervoerden. De broers werden in 1944 geëxecuteerd op de Nationale Schietbaan in Brussel, waar nu het VRT-gebouw staat. Franklemon en Maistriau zijn tijdens de oorlog ook nog gevat. Zij kwamen op deportatietreinen naar de kampen terecht, maar hebben de oorlog wel overleefd.

“Sinds de jaren 90 ben ik verschillende mensen tegengekomen die me aanspoorden om mijn verhaal te vertellen”, zegt Gronowski. “Daarom heb ik begin jaren 2000 ook een boek geschreven. Ik ben dan zelfs gaan spreken in scholen.”

Onlangs heeft zelfs de krant The Guardian een stuk aan Gronowski gewijd, omdat een Britse componist een opera over hem heeft opgevoerd. Als hij in de Dossinkazerne komt, klampen de gidsen hem meteen aan. Gronowski is een beetje gegeneerd door de aandacht, maar vindt het ook amusant, zegt hij. Als hij het verhaal in de Dossinkazerne aan ons vertelt, hangt ook een groepje bezoekers ademloos aan zijn lippen.

Door al zijn voordrachten is hij een aantal jaar geleden in contact gekomen met de beeldhouwer Koenraad Tinel, die in een gezin van collaborateurs opgroeide. De Joodse jongen en het nazikind werden uiteindelijk beste vrienden.

“Hij droeg al sinds de oorlog een ongelofelijke schuld mee, die zijn vader op hem had overgedragen”, zegt Gronowski. “Toen ik hem ontmoette, zei ik: ‘De kinderen van de nazi’s zijn niet schuldig.’ Het was voor hem alsof er een enorm gewicht van zijn schouders viel.”

De broers van Tinel zaten tijdens de oorlog bij de SS. Zijn ene broer was zelfs bewaker in de kazerne Dossin toen Gronowski er gevangen zat. Wanneer zijn broer het einde van zijn leven voelde naderen, in 2013, had Tinel voor Gronowski een verzoek. Of hij zijn broer soms wilde bezoeken?

“Ik zag een zieke, oude man, die me op zijn sterfbed om vergiffenis vroeg”, zegt Gronowski. “Hij had spijt van zijn daden. Ik heb hem in mijn armen genomen en vergeven, een man die me misschien wel op de dodentrein naar Auschwitz heeft gezet. De reden waarom ik dat kon doen, is omdat ik nooit haat heb gevoeld. Misschien deed het mij nog meer deugd dan hem. Want sinds die dag voel ik me geen slachtoffer meer. Dat heeft die vriendschap met Koenraad allemaal in gang gezet. Ze heeft mijn leven veranderd.”

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234