Zondag 05/12/2021

De ontdekking van Nubië

De ondergaande zon zoog het laatste bloed uit de hemel van Aswan. Zeilboten sneden door de zilveren Nijl. De tempel op de zuidelijke uitloper van het Olifanteiland zag er even verwoest uit als altijd. Op het terras van het Cataracthotel, boven de rivier met haar granieten oevers, bracht een kelner met een slobberende broek me mijn aperitief, zoals zijn voorgangers hadden gedaan voor gasten als Winston Churchill en Lord Kitchener.

Anthony Sattin

Naar verluidt heeft Agatha Christie in het Cataract hotel Death On The Nile geschreven. Ik dacht aan het moment waarop de stoomboot met Hercules Poirot in Aswan aanlegt en besloot dat Egypte nog altijd de ideale plaats was om mij weer een gevoel van continuïteit te geven. "Tja", mompelde ik, "het eeuwige Egypte..." Hisham, de kelner, verstond me verkeerd: "No, no, sir", verbeterde hij, "niet Egyptisch. Ik kom uit Nubië." Wat mij er dan weer aan herinnerde dat zelfs in Egypte dingen veranderen. Hishams land was grotendeels verdwenen. De watervallen die het hotel zijn naam hebben gegeven zijn door de bouw van de eerste dam van Aswan verdwenen. Toen in de jaren zestig de hoge dam van Aswan werd aangelegd, waren de gevolgen drastischer: het meer dat toen ontstond, verdronk het grootste gedeelte van het bewoonde Nubië. Je kon gemakkelijk vergeten dat het ooit had bestaan, tenzij je de ferry van Aswan naar Soedan nam, op de meren ging vissen of als toerist een dagtrip maakte naar Aboe Simbel. Nu is dat weer aan het veranderen, want twee ondernemende Egyptische broers organiseren cruises tussen Aswan en Aboe Simbel en hebben Nubië weer op de kaart geplaatst. "Morgen ga ik naar Nubië," zei ik tegen Hisham, met een gevoel van solidariteit .

De 'esprit du Nil' ofte 'Nijlgeest' van de 19de-eeuwse reizigers was voor een stuk snobisme. Je moest de rivier verder opvaren dan de andere reizigers, een introductie hebben bij een pasja of de bescherming van een sultan, je moest koste wat het kost dat bepaalde beeld of die bepaalde tempel zien. In het vliegtuig naar Aboe Simbel ontdekte ik dat de Nijlgeest ook in mij was blijven leven. Terwijl de andere passagiers zich bij de raampjes verdrongen om voor het eerst de grote tempel van Ramses II te zien, keek ik uit naar mijn verblijf de volgende vier dagen, op de MS Eugenie.

De Eugenie, die net voor de tempel lag aangemeerd, is een nieuwe boot met ingebouwde nostalgie. De smalle loopplank, de gelambrizeerde salon en zelfs de aankleding van de balkonnetjes van het vijftigtal hutten herinneren stuk voor stuk aan vroeger, toen reizen een meer grandioze onderneming was. Ik arriveerde nog voor de laatste passagiers van de vorige cruise vertrokken waren en ontmoette hierdoor een ouder paar, Egyptenaren die ook nog tot die grandioze tijd behoorden. "Het was een prachtige cruise," zei de vrouw, die in Cairo een restaurant uitbaatte. "Ik ben blij dat we haar hebben gedaan. Nu kunnen we naar huis om iedereen erover te vertellen."

Ramses II liet in Aboe Simbel twee tempels uit de rots houwen, de ene voor zichzelf en de andere voor zijn beminde echtgenote, Nefertari. In 1260 voor onze tijdrekening voer het koninklijke paar de Nijl op om de tempels te openen. De meeste moderne bezoekers komen per vliegtuig voor een snel bezoek. Ze blijven zelden langer dan een uur op de site en, als de geruchten waar zijn, is de Egyptische minister van cultuur van plan om het nog vlugger te doen gaan, ongeveer tien minuten per tempel. De extra tijd die je kan doorbrengen in Aboe Simbel volstaat dus op zich al als reden om een cruise op de Eugenie te rechtvaardigen - als er geen andere en veel betere zouden zijn. De tempel van Ramses heeft een van de spectaculairste gevels van Egypte - zeg maar van de wereld. Hij wordt gedomineerd door vier beelden van de zittende farao, elk twintig meter hoog, als een soort voorlopers van de hoofden van de Amerikaanse presidenten die in Mount Rushmore zijn uitgehouwen. De tempel ligt achter de beelden en werd rechtstreeks in de rotsen uitgehakt - zelfs voor de farao's een indrukwekkende prestatie. Na de verdwijning van de farao's en later van het Romeinse Rijk werden de tempel en zijn kleinere buurman door de westerse wereld vergeten. Meer dan duizend jaar lang lagen ze bijna volledig onder het zand, tot ze in 1813 opnieuw werden ontdekt door Jean-Louis Burckhardt, de grote Zwitserse reiziger. Toen de hoge dam van Aswan werd gebouwd, leidde de wetenschap dat de tempels onder de waterspiegel van het stijgende stuwmeer zouden verdwijnen tot een internationale inspanning om ze te redden. Ze werden letterlijk uit de rots losgemaakt en zeventig meter hoger en tweehonderd meter verder landinwaarts geplaatst. Lotfi, de gids van de Eugenie, nam ons mee naar de structuur die werd gebouwd om ze in onder te brengen: net als in de Oudheid werd een volledige heuvel voor de tempels aangepast. Maar ondanks alle glorie van de 20ste-eeuwse reddingsoperatie blijft het meest indrukwekkende van Aboe Simbel die groep van vier kolossale beelden van Ramses die de gevel van de grote tempel vormen, naast de rijen beelden van hemzelf als Osiris, de god-koning van het hiernamaals, die de zoldering van de grootste kamer dragen, en de prachtig heldere versieringen binnenin.

Toen die avond de andere passagiers aan boord waren gegaan en de dagtoeristen verdwenen waren, slenterden we door de lege, met schijnwerpers verlichte tempel, dronken we cocktails en luisterden we naar Pavarotti (uiteraard op tape). Het was onvergetelijk, maar wat ik de volgende ochtend bij zonsopgang te zien kreeg was nog veel gedenkwaardiger. In de schemering van het heiligste der heiligen van de tempel zit Ramses tussen drie godheden, waarvan de hoofden lang geleden door overijverige christenen aan gruzelementen werden geslagen. Toen de zon in het oosten van de woestijn opkwam, verlichtten haar stralen eerst de massieve beelden van de farao buiten de tempel, waarna ze door de hoge deur naar binnen kropen. Terwijl ze aarzelend over de reliëfs gleden, leken ze de beelden tot leven te brengen en kregen de gezichten van de farao zelfs een blos. Toen de zon het diepste heiligdom bereikte, werden ook de figuren in de duisternis verlicht. De oude Egyptenaren geloofden dat de zonnegod het leven naar de aarde bracht. Tijdens die enkele ogenblikken, toen iedereen, van de bewakers van de tempel tot de Amerikaanse toeristen, zwijgend in het zonlicht baadde, was dat geloof gemakkelijk te begrijpen - en herkende ik weer een van die continuïteiten waarin Egypte zich specialiseert. Enkele van de dingen die Florence Nightingale van Aboe Simbel deden houden, hebben dezelfde uitwerking op mij. 'Nooit zullen we van een plaats genieten als van deze', schreef ze in 1850 naar huis. 'De volstrekte eenzaamheid ervan, het ontbreken van een heden, van andere mensen...'

Die indruk van eenzaamheid, van een grens overschrijden, werd nog sterker toen we over het verlaten meer voeren. Het gaf mij niet alleen een enorm gevoel van ontsnapping, maar riep ook een vraag in mij op: waarom had Ramses een verlaten uithoek gekozen om zo'n prachtige tempel te bouwen? Mijn antwoord kreeg ik zoals altijd van Lotfi, die in Luxor directeur van het oudheidkundig museum was geweest en opgravingen had gedaan in Nubië. Tijdens het bewind van Ramses II was het oude Nubië zelf een ontwikkeld en machtig koninkrijk - verder naar het zuiden bouwde het zijn eigen indrukwekkende piramiden. De Egyptenaren haalden er luxegoederen vandaan, zoals goud, goede steen om te beeldhouwen en exotische dieren (als huisdieren of voor hun vacht....). Ramses bouwde zijn tempel in Aboe Simbel om de mensen die van het zuiden kwamen duidelijk te maken dat zijn macht zich tot hier uitstrekte, ook al bevond zijn hoofdstad zich ver naar het noorden, in Luxor. "Heb je de versieringen bij de poort van de tempel gezien?," vroeg Lotfi, verwijzend naar een rij van vastgebonden, geknielde mannen. "Dat waren de vijanden van Egypte en er waren Nubiërs bij."

Het was een donderdag, maar het had eender welke dag kunnen zijn. De zon brandde heet en de wind waaide fel terwijl de Eugenie over het 500 km lange meer zwoegde. De passagiers - Britten en Italianen, Amerikanen en een Duitsers, een zakenman en een academicus, een schilder en een uitgever - brachten de ochtend door met lezen, in de zon soezen en kijken hoe het water van uur tot uur van kleur veranderde: eerst kwikzilver met toetsen gepolijst zilver, dan zeegroen met lichtende strepen en ten slotte diepblauw, bezaaid met diamanten. Hoe langer ik naar de oevers van het meer keek en naar de heuvels in de verte, des meer ik ervan overtuigd raakte dat ik zo'n landschap nog nergens in Egypte had gezien. Bij onze volgende halte, Qasr Ibrim, het fort van Ibrim, kwam ik de verklaring te weten: het landschap van het Nassermeer is het werk van de mens, niet van de natuur. De 19de-eeuwse reizigers waren onder de indruk van de machtige ligging van Qasr Ibrim, hoog op een rots boven de rivier, maar door de vorming van het Nassermeer, dat op sommige plaatsen 189 meter diep is, zijn de bergen van Nubië zo gekrompen dat de resten van het fort nog maar net boven het waterpeil staan. Om het te bezoeken hoefden we slechts van de motorboot, die ons van de Eugenie had overgebracht, aan wal te stappen. De ruïnes waren totaal verlaten. Wie had er ook kunnen zijn, zo ver van het dichtstbijzijnde dorp? Opnieuw gaf de eenzaamheid (voor zo ver je in een groep eenzaam kan zijn) een gevoel van bevoorrecht zijn - het was bijna alsof we het fort zelf mochten ontdekken. "Dit was het bastion van het zuiden," legde Lotfi uit. "Invloeden uit de buitenwereld drongen slechts als een verre echo tot hier door." Net als verder in het noorden liggen de bladzijden van de geschiedenis hier op elkaar. Vierduizend jaar geleden bouwden de Egyptenaren een fort. Later kwamen de Romeinen, de Byzantijnen, de Arabieren, de mammelukken van Saladin en de Bosniërs van de Ottomanen, en allemaal lieten ze hun sporen achter. Maar in Qasr Ibrim zijn die sporen broos. Terwijl je in Aboe Simbel gemakkelijk een gevoel van tijdeloosheid krijgt, dacht ik hier, terwijl de wind mijn voetstappen in het zand deed vervagen, aan de vergankelijkheid van keizerrijken. 'Tussen Aboe Simbel en Philae liggen veertien tempels' schreef de Britse reizigster Amelia Edwards in 1874. En als een kelner die discreet laat merken dat je te veel aan het bestellen bent, waarschuwde ze: 'Langzamerhand beginnen de meeste mensen uitgekeken te raken op tempels...' Sinds het ontstaan van het meer - en omdat het vaak niet gemakkelijk is de tempels te bereiken die tot boven de waterlijn werden verplaatst - zijn er nu maar vier stopplaatsen meer en zeven tempels. De andere zeven tempels zijn naar buitenlandse musea overgebracht of rusten op de bodem van het meer.

Egypte wordt wel eens vergeleken met een openluchtmuseum, maar dan moet men wel de aanwezigheid van zo'n 60 miljoen levende Egyptenaren negeren. Nubië is een betere kandidaat: tijdens het grootste gedeelte van de reis zagen we geen boten of mensen. In tegenstelling tot de tempels tussen Luxor en Aswan, die omgeven zijn door dorpen, staan de Nubische tempels eenzaam en alleen aan de rand van de woestijn.

Terwijl de cruise tussen Luxor en Aswan de glorie en triomfen van het Oude Egypte onthult, toont het traject van Aboe Simbel naar Aswan de inspanningen van de Egyptenaren om hun zuidelijke grens te beschermen. De eerste dag, in Aboe Simbel, hadden we reliëfs gezien van Ramses II die heldhaftig en zegevierend tegen de Hittieten (de latere Turken) streed. De tweede dag, op weg van Qasr Ibrim naar Amada, zagen we in een van de twee tempels die we bezochten hoe farao Merneptah, de zoon die Ramses II opvolgde, pochte over zijn overwinning op de Libiërs. De boodschap was duidelijk: de farao stond niet alleen in verbinding met de goden, maar heerste ook op aarde. Uitstekende propaganda. Maar net toen ik vond dat het thema voorspelbaar begon te worden, kreeg ik een verrassing. De volgende dag bezochten we namelijk weer twee tempels, in Wadi as-Seboua, 50 km verder naar het noorden. Eén ervan, gebouwd in de tweede eeuw van onze tijdrekening, dus lang na de laatste farao's, was opgedragen aan de Nubische vorm van een Egyptische god, wat laat veronderstellen dat er tegen die tijd een soort van culturele uitwisseling bestond. Ramses II zou zijn strijdwagens naar het zuiden hebben gestuurd om met zo'n ketterij af te rekenen! Toen we tussen de twee tempels van Wadi as-Seboua wandelden, zagen we rijen zwarte stenen waarin dierenfiguren waren uitgehakt. "Kijk, een olifant," zei de Amerikaanse ontwerper. "En hier een giraf!," riep de Duitse academicus. Na het formalisme van de gestileerde beeldhouwwerken in de tempels waren de afbeeldingen van deze en andere dieren een verrassend prettige ontdekking. Lotfi legde uit wat ze betekenden: "Ze zijn veel ouder. Ze dateren van 4000 voor Christus, wat ze zelfs voor Egypte oud maakt." In de jaren zestig werden ze als onderdeel van de Nubische reddingsoperatie uit een rots in Korosco gehakt. "Sindsdien liggen ze hier zomer en winter buiten. In Europa zouden ze in een museum ondergebracht zijn, of bewaakt worden, zoals de rotsschilderingen van Lascaux. Nu mensen als u naar hier beginnen te komen, zal er misschien iets worden gedaan om ze te beschermen." De Duitse academicus vond dat wel een aangenaam idee: "Stel je voor - we komen hier voor ons plezier en tegelijk doen we iets nuttigs, helpen we om deze stenen te beschermen." Goed voor onze Nijlgeest!

Na drie dagen op de Eugenie begon ik de aantrekkingskracht van die eeuwige cyclus onweerstaanbaar te vinden, terwijl we overdag vaarden en 's avonds aten - een Egyptische cruise zonder overvloedige diners bestaat niet. De routine van de hut en de tafel, het zonnedek en de tempel, het gezelschap van de passagiers en de eenzaamheid van het landschap, de woestijn naast ons, het verlaten meer voor en achter, werd zo vertrouwd dat ik de derde avond een soort van schok voelde toen ik in de verte lichtjes zag, laag boven het meer. Een teken? Een gril van de natuur? De halsketting van de godin van de nacht? Toen we dichterbij kwamen, eiste de werkelijkheid haar rechten op en besefte ik dat het de verlichting van de weg over de dam was. Enkele ogenblikken later legde de kapitein de motoren stil en meerden we aan in Shallal, de haven waar vroeger de ferry naar Soedan vertrok.

Laat de volgende middag, na onze laatste tocht over het meer, was ik terug in Aswan en zat ik op het terras van het Cataract Hotel. "Ik heb een stukje van je land gezien," zei ik tegen Hisham, de kelner met de slobberbroek. "Wat bedoelt u?" "Ik heb op het Nassermeer gevaren. Ik heb Nubië gezien." "Nee, dat hebt u niet," zei hij. "Want mijn land ligt onder het meer."

*Twee ochtenden per jaar valt de zon rechtstreeks binnen in het heiligste der heiligen van de tempel van Aboe Simbel en beschijnt ze de beelden van Ramses II en de oude goden. Sinds de tempel verplaatst is, gebeurt dit één dag later dan Ramses wou: op 21 februari en 21 oktober.

* De MS Eugenie verzorgt cruises tussen Aswan en Aboe Simbel, met drie of vier overnachtingen.

* Twee van de beste reisverhalen over Nubië zijn 'Letters from Egypt, 1849-1850' van Florence Nightingale, met een inleiding door Anthony Sattin en 'A Thousand Miles Up the Nile' van Amelia Edwards, Parkway Publishing (paperback, 9,95 pond).

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234