Donderdag 20/01/2022

De ongeneeslijke weemoed van Doe Maar-zanger Henny Vrienten

De mededeling dat Doe Maar, Nederlands meest succesvolle popgroep ooit, na zestien jaar onderbreking opnieuw zou gaan optreden, leidde prompt tot een heuse hype bij onze noorderburen. In geen tijd werden 160.000 kaartjes verkocht voor acht concerten. Wie de mannen daar niet aan het werk heeft gezien, moet de nieuwe plaat maar beluisteren, want dat risico nemen ze ook nog. Zanger Henny Vrienten is ondertussen 52 en heel wijs geworden. Trots ook dat de liefde van zijn leven, de muziek, is blijven doorleven.

Betty Mellaerts / Foto's Tim Dirven

'Ik hoorde al een tijdje dat er op studentenfeesten en in discotheken veel oud werk werd gedraaid en ik zag aan de platenverkoop dat er nog belangstelling voor ons was. Een jaar geleden belde de manager van de Nederlandse band BLØF mij op. Hij is ook onze manager geweest, toeval bestaat niet in het leven, maar dat wist ik al lang. Hij zei: 'Je moet komen kijken, de band speelt op de Flashback-tournee Doe Maar-liedjes en dat is zo leuk!' Dus stond ik daar in Paradiso met mijn twee zonen onopgemerkt in een hoekje van de zaal. Die was afgeladen vol met mensen tussen de twintig en de veertig die letterlijk elk woord van elk liedje meezongen. Dat was een vreemde gewaarwording. De jongens weten dat ik ooit beroemd was en groeiden bij elk nummer een halve meter van trots, vroegen: 'Papa, doen ze het goed?' Dat deden ze, maar BLØF is een rock-'n-rollband en ze speelden onze reggae op hun manier. Toen begon het vreselijk te jeuken en ik dacht: dit moeten we gewoon zelf doen. "We hadden in de afgelopen jaren enkele keren een serieus voorstel gekregen om opnieuw op te treden, maar ik voelde er nooit veel voor omdat ik dacht: je moet de mensen niet lastigvallen met je verleden. Ik heb nu een heel leuk ander beroep als filmcomponist en het is toch pathetisch, een paar oude mannen die nog een keer hun kunstjes van toen opvoeren. Maar van het moment dat ik dat concert heb gezien, ben ik koortsachtig na gaan denken. De aanbiedingen waren er nog en als we door even goed of beter te spelen konden laten zien waarom het zo bijzonder was toen, kon het toch leuk zijn? Ik wou het wel alleen maar doen als we ook nog eens het risico namen om een nieuwe plaat te maken.

"Plots werd het spannend, dacht ik: jeetje, waar moet ik over zingen? Vroeger zongen we over meisjes, de nacht, dope, drank, politiek, maar ik peins er niet over het daar weer over te hebben. De thematiek van het leven verandert als je ouder wordt. Laat me het maar eens ernstig zeggen: je leert nadenken. Dat deed ik vroeger niet, ik had een kreet in mijn hoofd en met het gelijk van de onwetendheid schreeuwde ik die uit.

"Ondertussen hadden wij met zijn vieren een paar keer in de duinen gezeten, veel gewandeld, veel gedronken, veel gelachen, veel muziek gemaakt. Het idee groeide: we kunnen het. Want vanaf het moment dat ik mijn bas uitpak, Jan Hendriks zijn gitaar, Jan Pijnenburg de drums en Ernst (Jansz) zijn orgeltje, weet je: dit kan maar van één band zo klinken, dat geluid is zo herkenbaar. Nou, toen werden we dapper en zeiden: we doen een paar concerten.

"Er zijn ondertussen zestien concerten uitverkocht. Ik hoorde van de manager dat 80.000 kaartjes in een recordtijd weg waren. Hij belde mij, ik lag in bed: 'Ze zijn nóg zes concerten aan het verkopen', zei hij. Daarvan kreeg ik zo een positieve kick dat ik naar beneden ben gerend en drie liedjes heb gemaakt. Sinds die dag komen ze uit de lucht aanwaaien, en al mag ik niet te vroeg juichen, ik ben er enthousiast over.

"Ik ga er niet om liegen: dat zoveel mensen naar ons willen komen kijken, vervult me met enorme trots maar ook met een grote verantwoordelijkheid, want ik wil dat er niet één persoon van die 160.000 naar huis gaat met het gevoel: was het dat maar? Neen, ze moeten zeggen: nu snap ik het. Daar ben ik blind ambitieus in en daar heb ik veel voor over. Twee weken geleden heb ik, omdat ik het even wilde proeven, in de Ahoy-hal - dé zaal waar we naartoe zullen gaan - een stiekeme preview gedaan. Niemand wist dat ik er zou spelen. Tienduizend mensen waren er. En terwijl ik toch weet dat deze kamer mijn leven is, dat ik een weirde kluizenaar ben, had ik op dat podium het gevoel: hier hoor ik."

"Het was nog niet af met Doe Maar toen we ermee moesten ophouden. Ik wist al een jaar dat ik ergens was waar ik niet wilde zijn en dat ik het niet lang meer wilde doen. Niemand in Nederland nam ons serieus en wij twijfelden ook zelf, terwijl ik op dat moment in mijn leven heel erg serieus genomen wou worden: ik ben geen dom blondje, weet je wel? We hebben nog een heel wrange plaat gemaakt, de voorlaatste, echt geen teksten voor kids. De genadeslag kwam in Tilburg tijdens een matinee, wat betekent dat je bij daglicht speelt. Ineens zag ik mijn publiek. Ik wist dat ze jong waren, maar daar stonden dreumesen van zes jaar in Doe Maar-kleuren te zingen: 'je loopt je lul achterna'. Wat ben ik aan het doen, dacht ik. Dat joch weet niet wat hij zingt en ik wil ook niet dat hij het weet.

"Honderd jaar kun je dan nog doorgaan en rijk worden. Maar ik wilde alleen maar weg. Gelukkig hoefde ik dat maar één keer tegen de anderen te zeggen, ze begrepen het ook.

"Ik word nu wel eens zwetend wakker, denk: waar ben ik aan begonnen? Ik woonde in een rimpelloze vijver en nu ligt er een steen in, want in ieder idee, ook in het mooie, schuilt gevaar. Ik word weer uit de anonimiteit gerukt die ik zo zorgvuldig had opgebouwd. Ik kon zo over straat lopen en niemand herkende mij. De laatste dagen is dat weer anders: ik ben een halfuurtje op tv geweest. Dat spijt me niet, maar het kan nog komen."

"Ik heb echt in zestien jaar niet één plaatje van Doe Maar opgezet. In de auto komt al eens een liedje voorbij en dan denk je: hé, hé, fijn dat iemand dat nog draait, maar ik kan geen enkel nummer foutloos meezingen. In Paradiso vond ik het verbijsterend dat die teksten in een collectief lichaam zitten. Ineens zag ik ook dat je best vijftig kunt zijn en toch '32 jaar' kunt zingen, want je hebt het over het moment van toen. Het kind is de vader van de man, zou Wordsworth zeggen, je jeugdwerk ben je ook. In september was ik met mijn gezin in Las Vegas. We gingen naar een optreden van The Everly Brothers, in een grijze zaal met allemaal mensen die nog tien jaar ouder waren dan wij. Het duo kwam op met een rock-'n-rollband achter zich en met een enorm dédain voor hun oude werk, ze speelden het snel snel om ervan af te zijn. Iedereen in de zaal zat te smachten naar die lyrische maagdelijke stemmen van toen, daar kwamen wij voor en we voelden ons verraden. Toen wist ik: dat moeten wij niet doen. Een feest van herkenning moeten de optredens worden."

"Ik weet dat ik eens dodelijk verliefd was op een vrouw die zich maar mondjesmaat gaf. Zoals alles wat je niet kunt krijgen, werd mijn verliefdheid steeds groter en in die roes schreef ik in één dag drie liedjes: 'Smoorverliefd', '32 jaar' en 'De laatste keer'. Hoe zal ik me voelen als ik dat nu zing? Ik denk dat ik zeker in het begin toch heel vakmatig bezig zal zijn. Een van de dingen die me verbijsteren als ik onze platen opnieuw beluister, is de souplesse waarmee ik basgitaar speelde. Ik trad tweehonderd keer per jaar op en dat al een leven lang. Die motoriek, dat vergroeid geraken met je gitaar moet nog helemaal terugkomen, maar ik oefen iedere dag. Pas als ik dat weer onder de knie heb en me kan richten op het zingen, komt de emotie misschien terug.

"Ik ben - dat schijnt ook te horen bij het ouder worden - wat sentimenteler dan vroeger. Toen ik 'Pa' weer opzette, kreeg ik het echt even te kwaad. Dat nummer gaat over de periode dat mijn vader heel streng en onbereikbaar voor mij was. Ik hunkerde naar zijn aandacht. Of het nou door Doe Maar en het succes kwam of door het ouder worden, weet ik niet precies, maar onze verhouding was de laatste jaren voor zijn dood heel wat verbeterd. Ik merkte aan alles dat hij trots op mij was. Dat ik te laat kwam aan zijn sterfbed, daar heb ik heel lang veel spijt over gehad, maar nu denk ik: dat zat in een paar kilometer wegen en files. Hij weet gewoon dat ik mijn uiterste best heb gedaan om op tijd te komen. Als ik 'Pa' ga zingen, zal ik ontroerd zijn, maar dan draai ik me wel even om. Op een huilende artiest zit niemand te wachten.

"Alles wat ik deed, was een schreeuw om aandacht, vooral van meisjes natuurlijk, de moederlijke dan, de oudere, de tantes, de oma's: zorg voor dit jongetje, hij is zo braaf, kijk eens hoe hij zijn best doet. Negentig procent van alle popmuzikanten die een gitaar om hun nek hangen, doet het om in de buurt van meisjes te komen. Die meter verschil van het podium, de schijnwerpers. Ik wilde gekoesterd worden, mijn hoofd op schouders kunnen leggen, armen om me heen voelen. Daar was ik een groot gedeelte van mijn adolescentie en tot op bedenkelijke leeftijd heel erg mee bezig. Een voortdurende zoektocht naar warmte die met bakken aangeboden werd, maar het was nooit genoeg.

"Wat ik zeker weet, is dat ik er nu níét om die reden ga staan. Ik heb de abstractie van een groot publiek niet meer nodig. Als een zoon of een vriend hier binnenloopt, mij bezig hoort met een deuntje, en zegt: 'Jezus wat mooi, kan ik het nog een keer horen?', dan geeft mij dat een even grote voldoening. Met zovelen hoeven ze niet meer te zijn."

"Mijn moeder zegt nu: het is altijd al zo een serieuze jongen geweest, met een boekje in een hoekje. Dat is ook wel zo, maar toch heb ik het idee dat ik tot op hoge leeftijd, en dan durf ik zelfs te spreken van mijn dertigste of zo, weinig heb nagedacht. Ik deed maar wat. Dingen die ik nu nooit meer of helemaal anders zou doen, al zijn we nooit echte rock-'n-rollers geweest met grote bergen cocaïne of heroïnedealers in de buurt of kapotgeslagen hotelkamers en vier vriendinnen met een bontjas en een Porsche. Ik bleef een brave en nette jongen.

"Het grote publiek bestond uit meisjes, maar die waren veel te jong, ik was tenslotte toch vooraan in de dertig. Ik geloof dat ik verstandig en vaderlijk met hen ben omgegaan. Er waren natuurlijk wel ontzettend veel andere dames die achter je aanzaten en niet tussen die meisjes stonden. En dat soort aandacht komt bij een man nooit ongelegen.

"Toen ik jong was, ben ik volgens mij te vaak verliefd geworden. Tot ik er zelf niet meer in geloofde: ben ik nou verliefd op die vrouw of op de liefde? Het is een gevoel waar je verslaafd aan kunt raken, maar dat hou je niet vol, dat is een vermoeiend leven. Maar liefde is wel een voorwaarde voor alles: voor je werk, je kinderen, je vrouw, om een bolwerk in stand te houden. Dat klinkt een beetje als een priester, hé?"

We lachen erom, want zo klinkt het inderdaad. Hij was het ook bijna geworden.

"Tijdens een ronde in de laatste klas vroeg een frater ons wat we wilden worden in het leven en omdat ik een brave slijmbal was, zei ik: missionaris, wat me - daar was ik weer met mijn schreeuw om aandacht - meteen een aai over mijn bol opleverde, twee extra scherp geslepen potloden, een gum en het recht om de schriften uit te delen. Die frater zorgde ervoor dat er een paar weken later een witte pater met een rode baard, ik zal het nooit vergeten, met een diaprojector met lichtbeelden van de missie bij mijn ouders op bezoek kwam. Ik zag de rode aarde in een of ander Afrikaans land, de rieten hutten, en daar wilde ik naartoe. Die paters waren natuurlijk geboren vertellers, daarvan hangt de kerk al eeuwen aan elkaar en er was niet veel ander vertier. Nou, toen werd buiten mij om met mijn ouders bedisseld dat ik naar het seminarie zou gaan. Mijn moeder vond het vreselijk en achteraf heb ik gemerkt dat mijn vader het ook helemaal niks vond. Maar ik vertrok op internaat en zag mijn ouders nog twee keer per jaar.

"Ik was er heel erg eenzaam, maar toch hebben die jaren mij niet aangetast of gekwetst. Wat ik mij herinner, is de pater die geschiedenis gaf in verzen. Dat was muziek en het legde de kiem van mijn hongerige leesgedrag later. Het seminarie heeft me niet geschaad en ik wist ook precies wanneer ik weg moest. We maakten een wandeling buiten het klooster langs een provinciale weg, een brevierende pater voorop, een rij jongetjes erachter. Het was herfst, ik was veertien. Het was een bewolkte dag, maar op een gegeven moment ging er een ruitje open in de wolken en een zonnestraal viel op een wezen dat aan de andere kant van de provinciale weg aan kwam fietsen. Ik had weliswaar twee zussen en een moeder, maar ik had eigenlijk nog nooit het fenomeen meisje gezien, met een rok die fladderde en witte dijen. Ik wist: dat is de hemel, ik zit hier helemaal verkeerd, want ik had al wel begrepen dat in een klooster heel andere motieven golden. Neen, dat was niet nadenken, het was letterlijk mijn lul achterna lopen. Toen al."

'Toen ik opnieuw thuis was, weg van het seminarie, was ik letterlijk van God los. Het ging heel snel mis. Ik heb mijn middelbare school niet volbracht, ging al heel jong een keer met een vriend naar Ibiza en bleef daar heel lang hangen. Op mijn zeventiende trok ik met een bandje naar Hamburg, ook blijven hangen. Het waren de jaren zestig, ik had lang haar, ging aan de joints en dat was allemaal erg hip. Ik wilde ergens bij horen, bij een scene. "Nu weet ik dat ik leefde als een vis in een vijver, maar toen dacht ik, zoals veel mensen die opgroeien en zoeken, dat ik ongelukkig was. Vaak verliefd ook en dan weer uit, een puinhoop. Eigenlijk mislukte alles, alleen de muziek werd een steeds grotere factor. Ik liep in Tilburg, waar ik woonde, heel snel alle divisies van de popbandjes door. Beginnen in het slechtste, een jaar later een beter, ten slotte - wat een prestatie - de topband van Tilburg! Daarmee kwam ik buiten de stadsgrenzen en pikte ik van allerlei mensen van alles op. Rond mijn vijfentwintigste schreef ik liedjes voor alles en iedereen. In het zuiden van Nederland was er een grote schlagerindustrie, en dus schreef ik liedjes voor 'De Twee Pinten' en 'Frank en Mirella', 'The Blue Diamonds', 'The Cats'. Verder was ik een broodbassist. Ik ging op tournee met Boudewijn de Groot en in studio's kreeg ik een stukje muziek voor mijn neus dat ik tegen betaling speelde, want tegen die tijd zorgde ik voor een vrouw en haar twee kinderen. Niemand bekeek mij, ik schreef onder pseudoniem, was anoniem, hoorde er niet bij. Ik zou er nu niet meer over peinzen om het te doen, maar ik had toch een edel ambacht, vond ik. Een goede carnavalskraker schrijven, daar moet je iets voor kunnen, maar je doet dat met een klein gedeelte van een hersenkwab. Het was een leerschool, alleen waren de poorten er nog niet waar ik doorheen dacht te kunnen.

"Aan mijn huwelijk kwam een einde, ik dacht: er moet méér zijn, en toen vroeg Ernst mij voor Doe Maar. Ik zei eerst neen, om financiële redenen. De band verdiende helemaal niets en ik had een hypotheek. Zo prozaïsch was het. Maar het trok me enorm aan, want dat bandje reisde door het land, bleef overnachten in Groningen om de volgende dag in Friesland op te treden. Friesland! Daar lag de vrijheid. Er gingen een paar maanden overheen en toen ging het inmiddels zo slecht thuis dat ik toch even weg wilde. Ik belde Ernst en zei: als je belooft om meer reggae te spelen, doe ik mee. Ze namen net een plaat op, moesten nog drie liedjes hebben, ik kreeg die verliefde bui met de drie nummers, en zo is Doe Maar ontstaan zoals je de groep kent.

"Binnen een paar jaar was het een enorm succes en dat is van het begin af iets geweest waaraan ik heb willen ontkomen. Dat klinkt ontzettend paradoxaal, ik die zo had zitten werken om mijn liedjes te slijten. Maar ik werd voor het eerst geconfronteerd met het fenomeen van geleefd te worden. In een band neem je sowieso vierledige beslissingen en daar nog eens de mening van een manager bij, dus je bent al niet meer helemaal van jezelf. Dat ging overigens erg goed allemaal, want we waren redelijke, lieve jongens, aardige watjes. Dat imago raken we nooit meer kwijt. Maar met het succes kwam er al snel een ware persoonsverandering, het maakte me bewuster van zowat alles. Er gingen deuren en poorten open waar ik daarvoor nooit naar binnen had gekund. Ik ben nooit een feesten- of receptieloper geweest, maar opeens merkte ik dat mensen waar je respect en bewondering voor had je tot hun kring toelieten omdat je 'erbij hoorde'. Dat was vreemd. En die volle zalen, enthousiaste mensen: door wat wij op het podium deden, voelde ik me plots erg verantwoordelijk voor hen."

"Succes is gevaarlijk terrein. Ik heb dat pas veel later gezien, toen alles voorbij was. En waarom ging het voorbij? Omdat er een beeld werd geschapen dat ik me had misdragen op feesten waar ik nooit was geweest, of ramen had ingegooid in straten waar ik nog nooit had gelopen. En daar kon ik niet meer mee leven.

"Je moet een onderscheid maken tussen wie je bent met je gezin en je vrienden enerzijds en de man van wie de mensen zich een eigen, soms totaal verschillend beeld hebben gevormd anderzijds. Je moet afleren om dat imago te sturen, omdat je geen invloed hebt op wat die 'buitenpersoon' teweegbrengt. Dat is af en toe heel taai. Ook nu weer, omdat meteen het verband wordt gelegd tussen de optredens en het geld dat we daar wel mee zullen verdienen. Ik kan duizend dingen opnoemen waaraan je dat geld legitiem zou kunnen spenderen, maar dat heeft geen zin.

"Voor mijn begrippen ben ik met Doe Maar erg rijk geworden, maar we hebben het over succes in België en Nederland, niet wereldwijd. Ik heb het geld als een geschenk ervaren en als een zekerheid, terwijl ik allang weet dat zekerheid niet bestaat. Als je komt vanwaar ik kom, waar er nooit genoeg geld was - niet om een zwembad of een auto te kopen, want die hebben wij thuis nooit gehad, maar voor de gewone dingen -, dan is geld een feest. En onmiddellijk daarbij: je gaat er voorzichtig mee om.

"Toen ik nog op de lagere school zat, in het patronaat van de fraters, zag ik een film met Roy Rogers. Hij zat op een paard, speelde gitaar en zong een liedje. Ik was er helemaal weg van. Ik overlegde met een frater hoe ik aan zo'n gitaar kon komen. Hij zei: 'Volgens mij moet je een banjo nemen, want dat is een handzamer formaat voor zo'n klein jongetje.' Maar ik begreep al meteen dat het geen banjo moest zijn, want die gitaar lag zo mooi op de dij van Roy Rogers. Een gitaar is een van de grootste erotische symbolen die ik ken, ik word er altijd verliefd op. Een gitaar moest het zijn en mijn lieve moeke zorgde ervoor dat er een kwam. In triplex, van het merk Egmont, 125 gulden, af te betalen in twaalf maandelijkse termijnen. Een paar jaar later kreeg ik op dezelfde manier de eerste bandrecorder, een betere gitaar. Dat was echt fantastisch. Ik besefte het toen niet, maar ik weet nu wat het voor mijn ouders betekende: dat er gewoon andere dingen níét in huis kwamen.

"Mijn vader was een timmerman die niet kon rekenen. Hij ging in het weekend bij mensen timmeren, een konijnenhok of zo, en liet zich dan betalen met een pakje shag omdat hij geen geld durfde te vragen. Mijn moeder had als meisje gediend bij rijke textielbaronnen. Zij wist hoe het hoorde. Onze tafel was altijd perfect gedekt, wij hadden keurige tafelmanieren. Wij zagen er uiterst verzorgd uit. Als het er van buiten maar goed uitzag, was het devies. We hadden een heel erg leuk gezin, vond ik, een warm nest, ruimschoots te eten en als er 's nachts 'gereden' was, stond de Sint-Nicolaastafel vol. Maar wat ik als een nachtmerrie heb ervaren, was dat je de boodschappen moest laten opschrijven als het weekloon van mijn vader op was of dat we dingen op afbetaling moesten kopen. Waar ik nog steeds van heb overgehouden dat ik nooit meer iets op afbetaling koop, zelfs geen huis meer."

'Een van de grote kenteringen van deze eeuw is dat er in één of twee generaties zoveel meer gevoel getoond wordt, dat dat ook wordt opgeëist en een voorwaarde is. Mijn moeder was een knuffelbeer, mijn vader veel minder. Alles was hard aan hem door die timmerhanden. Hij was een soort moerasbewoner, een keuterboertje, die geloof ik vier woorden per week sprak en totaal geen affectie kon tonen. Ik geloof er heilig in dat een mens, en zeker een kind, bevestigd moet worden.

"Er is een sectie columnisten die het leuk vindt om daar heel sarcastisch over te doen, ook over vriendschap. Ze zijn wel geestig, maar er zijn toch dingen waar ik niet sarcastisch over wil doen. Iets betekenen voor een paar mensen, en zij voor jou, vind ik toch de drijfveer van het leven. Hier in Amsterdam, waar ik zestien jaar woon, heb ik twee goede vrienden. De groep wordt met ouder worden inderdaad kleiner. Als je jong bent, maak je veel vrienden, als je wint nog meer. Het mooie nu is: je hoeft niets van elkaar te hebben, het is volkomen onbaatzuchtig. Nooit gedacht dat ik nog eens de loftrompet over de vriendschap zou steken! Daar zit een goed lied in, denk ik.

"Meestal heb ik het gevoel dat ik mijlenver van mijn vader afsta, maar mijn hele leven had ik niets met de natuur en nu krijg ik de waanzinnige behoefte om te tuinieren, naar de vogeltjes te kijken en naar de onderkant van opwaaiende zilveren bladeren. Dat is mijn vader. Hij stond om halfvijf op en ging dan fietsen in de bossen. Fysiek ga ik ook steeds meer op hem lijken, en dat belooft niet veel goeds." Wat ik ontken. Henny Vrienten is een knappe man.

"Maar verval stoot mij niet af, ook niet bij vrouwen, want ik vind dat ze op latere leeftijd vaak erg aantrekkelijk worden. Ik ga ook niet het gevecht met de zwaartekracht aan, ik voel me beter dan ooit, ben sterker en gezonder. Ik ben waar ik zijn wil, erg tevreden, maar ken wel een lichte weemoed naar de souplesse en de kracht, het onbesuisde van vroeger, naar de jonge man die ik was toen de nacht nacht werd en alle mogelijkheden open lagen. Misschien overvalt me daarom dat ongeneeslijke gevoel van weemoed als ik op televisie iets in zwart-wit zie, alsof toen de kleur erin kwam het leven verwaterd is."

Zwarte letters op wit papier. Henny Vrienten bezit de grootste en mooiste collectie poëzie die ik al heb mogen bekijken. Zijn werkruimte is de hemel voor een lezer. Niets laat er vermoeden dat Amsterdam een wereldstad is, de stilte en de rust vallen over je heen. "Ik wil in je boekenkast komen wonen", zeg ik. Het mag.

"Ik lees hongerig, bundels na elkaar, nieuw en oud. Door muziek kan ik ook zeer ontroerd worden, maar mijn vak zit altijd in de weg. Bij poëzie heb ik daar geen last van, want ik ben geen dichter en ik zal er ook geen worden.

"Ik ga in deze kamer aan het werk en zit nooit één seconde voor een blok, film na film, liedje na liedje, Sesamstraat na Klokhuis, het blijft maar stromen, en dan denk ik wel eens: het komt door mijn vrienden de dichters. Poëzie is humus, letterlijk kunstmest. Niet dat je die woorden om kunt zetten in muziek, maar je hoopt schoonheid op die zich in je hoofd nestelt, en als je het kraantje opendraait waar muziek uit moet komen, dan lukt dat.

"Mijn grote liefde voor de poëzie is begonnen toen ik besefte dat er een groep verlichte mensen bestaat die mijn gedachten beter onder woorden kunnen brengen dan ik dat zelf kan. En dat dat van een ontroerende schoonheid kan zijn. Sentimenteel als ik ben, zoek ik altijd naar ontroering, maar vooral naar meesterschap: mensen die iets kunnen zeggen in vier kwatrijnen wat ik in geen honderd jaar geschreven krijg. Inkt op een wit papiertje, woorden op een rij die bij mij iets teweegbrengen dat gaat jeuken op mijn kruin en een branderig gevoel achter mijn ogen nalaat, iets waardoor ik ze onmiddellijk in een schriftje ga schrijven, of een papiertje ertussen stop met: dit mag ik nóóit vergeten.

"Voor mij is het een enorme overwinning op het leven als ik plots een gedicht begrijp waarvan ik eerst denk: mijn God, wat bedoelt deze man? Door het duizend keer te lezen, geeft het zich langzaam prijs. Hermetische werken, zoals De Goddelijke Komedie van Dante of The Four Quartets van T.S. Eliot, blijf ik lezen in elke nieuwe vertaling die zich aandient, dan komt de terriër in mij boven. Ik heb bergen regels die nooit hun luiken opendoen, maar proberen het onbereikbare te bereiken is puur genot, en uiteindelijk is toch iedereen daar alleen maar naar op zoek?

"Er wordt me wel vaker gevraagd wanneer ik dat allemaal doe. Charlotte, mijn vrouw, zegt dan: je kunt hem beter vragen wanneer hij niet leest. Altijd, ertussendoor, als de muziek niet lukt of als ik wil doen alsof ik hard werk, in bed, wachtend in rijen. Ik heb altijd een bundel op zak, en als je uit zou rekenen hoeveel tijd je aanschuivend doorbrengt, dan kun je veel lezen. Ik geef toe dat je er dan uitziet als een zonderling, want bovendien heb ik van de paters geleerd hoe je lopend kunt lezen.

"Het mooie van poëzie is dat je geen zevenhonderd pagina's door moet om in een idee te geloven. Een roman lezen lijkt me hard werken, maar een goed gedicht behoeft niet veel woorden. Er is heel veel wit.

"Vijftien jaar heb ik niet over mijn passie voor poëzie willen praten omdat ik er zelf een hekel aan heb als een popster weer eens een boek heeft gelezen. Het is vaak zo aanstellerig, maar poëzie hoort bij mij. Ik hou er hartstochtelijk en intens van, waarom zou ik dat verbergen? Er is mij wel eens voorgesteld om een Nacht van de Poëzie te presenteren. Dat heb ik nooit gedaan, ook uit faalangst, maar van nu af aan wil ik bij nacht en ontij een pleidooi houden voor de poëzie."

Betty Mellaerts werkt voor De Bijsluiter. Om de twee weken laat zij iemand aan het woord over de keerpunten in zijn of haar leven. Tim Dirven is fotograaf bij De Morgen.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234