Woensdag 27/10/2021

De omgekeerde wereld: Daan interviewt rockjournalist Bart Steenhaut

Bart Steenhaut, gewaardeerd rockjournalist van deze krant, heeft samen met fotograaf Alex Vanhee een boek uit. Face 2 Face verzamelt dertig interviews met groten der aarde en nog meer foto’s: hoogtepunten uit twintig jaar onderweg zijn in de wereld van de muziek. Een uitgelezen moment om de rollen voor één keer om te draaien. Of Daan Stuyven niet eens interviewer wou spelen? Hij kwam er speciaal voor uit zijn opnamestudio.

e zitten in een prettig Brussels restaurant, en ze gedragen zich als twee echten. Daan heeft keurig vragen voorbereid die hij geprint en wel voor zich heeft liggen. Bart Steenhaut maakt zijn stem wat zwaarder en dicteert: “Er zijn een paar thema’s waar we het níét over zullen hebben: géén vragen over mijn privéleven. Ik heb een boek geschreven, laten we daarover praten. En confronteer mij in geen geval met quotes uit het verleden, mensen evolueren en dan is het héél flauw om oude zinnetjes tegen hen te gebruiken.” Gelach heen en weer. Daan vraagt wat Bart Steenhaut doet als hij zulke orders krijgt van muzikanten. “Beginnen met precies die thema’s.” Daar drinken ze op.

Alex Vanhee maakt foto’s. Daan wil hem er ook bij, hij is tenslotte de helft van het onafscheidelijke duo. Hij kan niet de hele tijd blijven, maar voor hij weg moet, praat hij nog even mee.

Alex Vanhee: “Wij hebben amper nog woorden nodig.”

Bart Steenhaut: “Ik ging een paar jaar geleden Mike Skinner interviewen, de rapper achter The Streets. Een goeie muzikant, maar wat een eikel. Hij hing apathisch in zijn zetel, prutsend aan zijn gsm, en ik maar mijn best doen. Daar kán ik niet tegen. Een beetje wederzijds respect is essentieel.”

Vanhee: “Bart bleef dapper proberen, maar ik zag hem richting het kookpunt gaan.”

Steenhaut: “Na achttien minuten ben ik gewoon opgestapt. Er zijn grenzen.”

Vanhee: “Ik heb Mike Skinner uitgelegd dat we net drie uur onderweg waren geweest - dat interview vond plaats in Amsterdam. Toen heeft hij zich uitgebreid geëxcuseerd. Toen we aan de fotoshoot begonnen was hij plots uiterst welwillend.”

Steenhaut: “Ik moet zeggen: dat maak ik zelden mee. In al die jaren misschien een keer of vijf. Ik herinner me vreselijk gespannen gesprekken met Tears for Fears en Morcheeba,…”

Vanhee: “En de Beastie Boys…”

Steenhaut: “O ja, die ging ik interviewen in Parijs, helemaal van de kaart omdat de dag voordien Yasmine, een van mijn beste vriendinnen, gestorven was. Maar goed, ik wou mijn afspraak nakomen. Ik arriveer ter plaatse, en een kleerkast van een securityman beveelt me mijn gsm af te geven, mijn opnametoestel, alles. Alleen dan mocht ik op een iPod naar de nieuwe plaat luisteren. Belachelijk, dat machtsvertoon, ik daag iedereen uit om met een gsm een plaat van een iPod te kopiëren. Tot overmaat van ramp werd mij nadien gevraagd of het oké was dat ik de helft van de afgesproken interviewtijd zou krijgen. Het klonk als een vraag, maar het bleek een mededeling. Toen ik binnenkwam bij de muzikanten, negeerden ze mij totaal, en ik mocht moeizaam het gesprek op gang trekken, ellendig. Ze zien een journalist en ze worden op slag weer zestien. Twee maanden later hoorde ik dat een van hen kanker had gekregen, en ik kon niet anders dan denken: serves you right, bastard.”

Steenhaut: “Natuurlijk is dat niet oké. Maar ik kan er echt niet tegen als mensen gevangen zitten in hun eigen imago. Nu, in tegenstelling tot wat de mythe voorschrijft, de overgrote meerderheid van de muzikanten is best oké, Daan!”

Steenhaut: “Nee, hoe verleidelijk soms ook, ik gebruik nooit wat off the record wordt gezegd.”

Vanhee: “Als je met een artiest een relatie wil opbouwen, kun je dat ook niet maken.”

Steenhaut: “Je zou eens moeten weten hoeveel onwettige kinderen in de Belgische muziekscene rondlopen waar wij keurig over zwijgen. Willy Sommers, you are not alone!”

(Alex Vanhee vertrekt, op naar een volgende opdracht)

Steenhaut: “Absoluut. En als het gebeurt, vind ik het heel erg. Ik heb een boek geschreven over Bono. Ik heb hem ooit gesproken, maar nooit geïnterviewd, en dat is goed zo. De mythe moet intact blijven. Een paar van mijn andere helden zijn toch een beetje van hun voetstuk gedonderd. Peter Gabriel bijvoorbeeld, dat bleek gewoon een mens te zijn, een saaie variant zelfs. Na tien minuten waren we uitgepraat.

Dat is het wonderlijke van de media. Op foto’s en in videoclips zien artiesten er allemaal beter uit, en op een podium in het juiste licht lijken het wel halfgoden. Maar hoe dichterbij je komt, hoe vaker het tegenvalt. Al zijn er uitzonderingen. Ik herinner me mijn allereerste interview. Ik was zeventien, en ik mocht met Dave Stewart van Eurythmics gaan praten. Ik had - met twintig frank zakgeld per week - gespaard voor zijn platen, en nu stond hij voor mij, in 3D. En hij ging met mij door de Nieuwstraat in Brussel lopen, en op zijn hotelkamer speelde hij voor mij twee nummers die hij de avond voordien had geschreven. Ongelooflijk. Toen was ik nog very impressionable.”

“Eigenlijk wou ik Formule 1-piloot worden. Maar ik heb zelfs nooit mijn rijbewijs gehaald. De liefde voor muziek is onblusbaar geworden in Kinshasa. Ik heb daar drie jaar gewoond, en ik voelde me niet echt thuis. In mijn klas zaten jongens die een boy hadden om hun boekentas te dragen. Dat zegt het allemaal. Mijn oudere broer Dirk werkte toen voor Radio 3 en later ook voor De Morgen. Hij stuurde me tapes op, en ik gaf al mijn geld uit aan plaatjes. Muziek was mijn band met de beschaving. En op den duur wist ik het zeker: die wereld wilde ik in.”

“Heb ik gedaan. Maar dat was niks voor mij. Later heb ik ook nog drums gespeeld. Daar had ik wel talent voor, maar ook dat zag ik mezelf niet doen, later.”

“Ik hou niet zo van die aandacht. Ik wil niet op een podium kruipen. Ik zou ook nooit nummers schrijven die goed genoeg zijn om ze avond na avond met plezier te spelen, denk ik. En eindeloos op tournee gaan, nog zoiets…”

“Ik heb een paar keer een band op tournee vergezeld. Ze reizen in fantastische omstandigheden, natuurlijk, en de optredens zijn prettig, maar na een week had ik dat echt gehad. Het gedoe eromheen is zo vermoeiend. Dat eeuwige wachten op alles, en vooral op mekaar, om zot van te worden.

Toen ik met Monza in Zuid-Afrika zat, gingen we een keer overdag op uitstap. Er woedden her en der bosbranden, maar iedereen was optimistisch: die zullen wel niet tot bij onze verblijfplaats raken. We komen terug: alles platgebrand, al onze spullen waren weg. Iedereen ongelukkig, maar ik was oprecht blij. Vanaf dat moment ging het tenminste een beetje vooruit. Mensen bleven niet langer eindeloos weg omdat ze hun bagage nog bij mekaar aan het zoeken waren.”

“Precies. Daar is mijn liefde voor muziek te overweldigend voor. Ik ben geen mislukte muzikant die dan maar is gaan schrijven. Dit was echt wat ik wou doen. Ik las interviews van Marc Didden en Frank Vander linden in Humo, en die wereld trok mij geweldig aan. Aankloppen bij Mick Jagger, die dan ook nog opendoet. Of, zoals Frank, Tina Turner interviewen aan de rand van een zwembad… Dat wou ik ook.”

“Dat doe ik vaak. Little Richard is cool: tutti frutti, de essentie van rock-’n-roll. Maar ik ben tekst almaar belangrijker gaan vinden. The Divine Comedy, Richard Hawley, wat zij schrijven, da’s pure poëzie: elk woord op de juiste plaats, ironie moeiteloos verzoend met emotie. Daar moet ik van janken, zo schoon vind ik dat. Het is een misdaad tegen de menselijkheid dat The Divine Comedy geen wereldgroep is. Topteksten, heel melodieus. Nog beter dan Scott Walker… Oeps, hier komen de lezersbrieven.”

“Ik nooit. Ik draai de knop om. Je kunt toch moeilijk tijdens een interview een potje gaan zitten meehuilen.”

“Als Suzanne Vega vertelt over de vader die ze nooit heeft gekend, en ze krijgt tranen in de ogen, dan stop ik even. Maar de tape loopt verder. Ik check op zo’n moment of-ie toch zeker verder loopt. Dat is misschien niet de meest ethische houding, maar zo moet je zijn.

Sinéad O’Connor begon toen we bij haar op bezoek waren over de vier vaders van haar vier kinderen te praten. Een van die mannen zag ze nooit meer, omdat hij er met een ander vandoor was, en of ik dat alsjeblieft niet wou opschrijven. Iets later biecht ze op dat ze bijbels steelt op Kerstmis. Dan denk ik: dat zou ik nooit zeggen. Maar ik ben wél blij dat ze het doet, natuurlijk.

Pas als ik achteraf het gesprek uittik, komt bij mij de emotie. Dan mag het.”

“Allemaal. Zonder die gesprekken zou ik een slechter mens zijn. Muzikanten, da’s een slag apart. Als je beslist om je leven in het teken van de muziek of een andere kunstvorm te stellen, dan zet je jezelf on the line. Zulke mensen hebben doorgaans een andere kijk op de wereld, en da’s interessant. Meestal is er ook een hoek af, nietwaar Daan?

(Daan lacht)

Natuurlijk bepalen zij mee je wereldbeeld. Ik maak bijvoorbeeld zelden of nooit ruzie met mijn vriendin. Wat is er zinlozer dan dat? Als je vaak genoeg geconfronteerd wordt met de essentie der dingen, dan kies je waar je je tijd in stopt.”

“Ik heb veel respect voor muzikanten. Ik weet hoe lastig de weg is van het eerste idee tot het concert waar nieuwe nummers gespeeld worden. Ik zal dan ook nooit iemand zomaar de grond in boren. Een negatieve kritiek is weldoordacht. Ik luister meerdere keren naar elke plaat waar ik over schrijf, en ik zit elk optreden uit tot het einde, in tegenstelling tot sommige van mijn collega’s.

Ik heb het moeilijk met het cynisme dat in de journalistiek stilaan de norm geworden is. Ik zie driehonderd optredens per jaar, en ik moet een paar keer tot tranen toe ontroerd zijn, of ik hou ermee op. Voorlopig lukt dat aardig. Het was onlangs nog prijs, op het concert van U2 in Parijs. In het Stade de France moeten de muzikanten letterlijk via een afgebakende gang door het publiek lopen om op de scène te geraken. En ik zag ze daar samen: jeugdvrienden, zoveel meegemaakt, de wereld gezien, en ik voelde de verbondenheid tussen die mannen, je zag aan hun gezicht dat ze het goed gingen doen. Het was ook het beste optreden van de dertig die ik van hen gezien heb. Dat pakte mij enorm. Zo’n watje ben ik.”

“Dat valt geweldig mee.”

“De meesten denken zo. Een interview geven is werken. Artiesten doen dat niet voor hun plezier. Dus zij zijn wakker, en jij probeert je goed voor te bereiden om het toch zo aangenaam mogelijk te maken.”

“Dat is altijd het leukste, natuurlijk, als een artiest het ook de moeite vindt. Maar dat wil ik nu toch eens vragen: hoeveel van jouw antwoorden zijn eigenlijk verzonnen?”

“Veel rockjournalisten nemen zichzelf geweldig serieus, ik begrijp die pretentie niet, want de dag nadien komt de krant in de kattenbak terecht. In een gesprek moet de geïnterviewde de ster zijn, niet de interviewer.”

“Ik ben van nature niet gauw star struck, dat werkt ook.

Pas op, bij artiesten kan arrogantie iets hebben, maar dan moeten ze ook straf zijn. Van mij mag zo’n muzikant zeggen: ik heb de beste plaat van de wereld gemaakt. Misschien moet dat zelfs. Als je zelf niet in je muziek gelooft, waarom zou de wereld dan volgen? Maar hele grote artiesten zijn bijna altijd bescheiden. En daar doe je als vanzelf goeie interviews mee. Helemaal als ze ook een keer in de put hebben gezeten, dat is ideaal. En muzikanten die lekker aan zichzelf blijven twijfelen hebben ook mijn eeuwige sympathie. Een man als Nick Cave - toch een van de allergrootsten - laat nog al zijn teksten nalezen voor hij ze gebruikt. Ongelooflijk.

Wat ik ook tof vind: mensen die gewoon zijn wie ze zijn. Anouk bijvoorbeeld, haar heb ik nu elf keer geïnterviewd. De meeste journalisten vinden haar verschrikkelijk. Ik niet, integendeel.”

“Terecht. She’s not impressed, door niks. Ze houdt ook niks hoog. Toen ik haar voor het eerst sprak, had mijn toenmalige vriendin vooraf gevraagd: hoe houdt zij haar buik zo plat? Dus ik herhaal dat, en Anouk - no kidding - trekt spontaan haar T-shirt naar boven, en zegt: hoezo plat? Ziehier: een vetrolletje. Fuck de mythe. Heerlijk vind ik dat: zo’n uitgesproken, sterke vrouw. Zij is ook de enige artieste die ooit een interview scherper heeft gemaakt: ‘Marco Borsato is toch een totaal oninteressant figuur, schrijf dat maar op!’ Ze komt die man wel elke week tegen, hè. Da’s een droom voor een journalist.”

“Goh. De mannen van Radiohead waren in het begin schooljongens die keurig met twee woorden spraken, en ze zijn nog altijd zo. Onaangetast. Prachtig. Placebo ken ik al van in het prille begin. Zij doen vaak enorm vervelend tegen iedereen, maar nooit tegen mij. Op een optreden in Hongarije eisten ze dat het podium helemaal ontruimd werd, en vijf minuten later kwamen ze mij uit het publiek halen om me vanuit de coulissen te laten kijken. Ze vertrouwen me.”

“Cool als groepen die het echt maken je later nog kennen. Dat verwacht ik niet van mensen die zoveel volk ontmoeten. Dus als dat gebeurt ben ik daar echt trots op.”

“Dat De Morgen geëvolueerd is van een krant die vooral de groepjes goed vond die niemand kende naar een krant die openstaat voor kwaliteit in bredere zin. Als ik vroeger schreef dat Robbie Williams een goed performer was, dan stroomden de lezersbrieven binnen. Ging ik Britney Spears interviewen, dan kreeg ik ruzie op de redactie: dat kón niet.”

“Precies. Dat moet toch kunnen? En nee, ik héb die coole importplaat uit IJsland nog niet gehoord, dus natuurlijk is die dan de max. Het is veel moeilijker om als journalist P!nk goed te vinden, daar heeft iedereen een mening over. Dan word je veel makkelijker een schietschijf voor je lezer.”

“Fuck, da’s een vraag die ook ik altijd stel: doe je het nog graag, en ben je nog gelukkig? Ik denk daar vaak over na. Hoe lang kun je echt gelukkig zijn?”

“Dat begrijp ik. Mijn werk maakt mij ook gelukkig. Het was een kinderdroom en die leef ik nog altijd. Het enige wat soms tegenwerkt zijn de omstandigheden: een kind dat droomt denkt niet aan de tientallen telefoons op een dag, de vervelende e-mails, de mensen waar je nee tegen moet zeggen terwijl ja zoveel mooier is, de sfeer op een redactie die kan tegenzitten.

En verder geloof ik niet dat geluk langer dan vijf minuten kan duren. Maar dat is goed zo, anders is het ook niet meer bijzonder. Want geef toe, Daan, hoeveel secundaire hulpmiddelen zijn er aan die week geluk te pas gekomen? (lacht)”

“Ik heb nog nooit drugs gebruikt. Maar ter compensatie kan ik wel stevig drinken.”

“Ik ben een controlefreak. Als ik naar een concert ga en ik zit onder de pillen, heb ik niet dezelfde ervaring.”

“Als je moet schrijven, kan dat niet, vind ik. De dag dat ik stop met deze job - en die moet er komen, hier kun je toch niet tot je zeventigste mee doorgaan - dan zullen we nog eens praten. Beloofd.”

‘Placebo ken ik al van in het prille begin. Zij doen vaak enorm vervelend tegen iedereen, maar nooit tegen mij. Op een optreden in Hongarije kwamen ze mij uit het publiek halen om me vanuit de coulissen te laten kijken.’

Tori Amos.

Jónsi van Sigur Rós.

Bruce Springsteen.

Dave Gahan van Depeche Mode.

Nick Cave.

Moby.

Patti Smith.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234