Zaterdag 25/01/2020

De olympische halfgoden van Mechelen

Bokser Yvon Bécaus en kanovaarder Rik Verbrugghe waren allebei present toen Johannes XXIII op het Sint-Pietersplein zijn olympische zegen uitsprak. Voor eerstgenoemde werden de Spelen van Rome in 1960 een eenmalige ervaring. Dat komt ervan als je in de eerste ronde wordt uitgeloot tegen een nobele onbekende Amerikaan genaamd Cassius Clay. Rik Verbrugghe daarentegen ontpopte zich tot een olympische habitué. Van Helsinki tot Tokio, telkens was de vliegende kapper erbij. Een medaille zat er net niet in, maar bij de meisjes stond schone Rik op het hoogste schavot.Erik Raspoet / Foto's Stephan Vanfleteren

Nee, Rik Verbrugghe en Yvon Bécaus hebben elkaar nooit gesproken. Niet in Mechelen, de provinciestad waar ze elkaars pad ongetwijfeld moeten hebben gekruist. En ook niet tijdens de Olympische Spelen van Rome in 1960, waar ze allebei de Belgische kleuren verdedigden. Nochtans hebben beide sportveteranen meer met elkaar gemeen dan ze wellicht vermoeden. Allebei stonden ze in Rome oog in oog met Cassius Clay, de piepjonge versie van wat later de grootste sportman aller tijden zou worden. Voor bokser Yvon Bécaus (67) betekende die ontmoeting meteen het einde van zijn olympische carrière. Kanovaarder Rik Verbrugghe (74) van zijn kant kon de schade beperken. Het tafereel moet zich ergens in het olympische dorp hebben afgespeeld. Rik wilde net de trap oplopen, toen Cassius Clay met drie andere Afro-Amerikanen een tegenovergesteld manoeuvre inzette. "Er was geen doorkomen aan", herinnert hij zich. "Ze kwamen op me af als een muur. Trede na trede moest ik achteruit. De hele tijd spraken ze geen woord, maar ze keken wel heel arrogant. Het was de tijd van de black power, in Amerika lagen blanken en negers met elkaar overhoop. Cassius Clay moest eens geweten hebben dat ik net op weg was naar een afspraakje met een zwarte loopster, een erg mooi meisje overigens."

De anekdote typeert de verteller. Rikske Verbrugghe is wereldberoemd, van Mechelen tot Bonheiden. Als kanovaarder met een ongeëvenaard palmares. Als kapper van hele en halve beroemdheden. En niet het minst als een gepatenteerde ladykiller. Zelf herinnert hij het zich niet meer, maar Renée Beeils biecht het op met een koket lachje. Ook zij heeft een flirt gehad met Rik Verbrugghe. De bevlieging was van korte duur, en het lot zou haar in de armen van een andere sportman drijven. Ze ontmoette Yvon Bécaus louter toevallig, ergens in de Kempen. De gewezen bokser uit Charleroi was er als monteur voor de Fabrique du Fer een brug aan het bouwen toen ze elkaar in de gaten kregen. "Een halfjaar later kwam ik hem opnieuw tegen", zegt ze. "Tijdens een vakantie in De Panne. Daar is de vlam overgeslagen." Toegegeven, ze werd verliefd op een knappe man. Aan de muur in de woonkamer hangt een ingelijste foto uit zijn gloriedagen als bokser. Breedgeschouderd, behaarde borst, imposante biceps, een gebeitelde kop met borstelige wenkbrauwen, een toonbeeld van viriliteit dat nu een wat schrijnende indruk maakt. Want de afgetrainde atleet van weleer zit tegenwoordig in een rolstoel, 140 kilo zwaar en compleet hulpeloos. Vijf en een half jaar is het geleden dat hij door een beroerte werd getroffen.

Het was de bedoeling beide Mechelse coryfeeën alsnog samen te brengen. Helaas, twee dagen voor de geplande afspraak heeft Yvon Bécaus een slechte dag. Praten over zijn olympische verleden wilde hij nog wel, maar een verplaatsing richting kapsalon was er te veel aan. Daarom zitten we op de Grote Nieuwendijk, waar Yvon en Renée een gelijkvloers appartement betrekken. De beroerte heeft niet alleen zijn actieradius ingeperkt. Converseren gaat moeizaam en er zitten hiaten in het geheugen, die door Renée echter vlot worden ingevuld. Ze souffleert in het Frans, want ondanks de vijfendertig jaar in Mechelen spreekt Yvon nauwelijks een woord Nederlands. "Ik heb mijn hele leven in Charleroi gewerkt", voert hij als verschoning aan. "Elke dag voor zonsopgang de trein op." Hard labeur en gebeurlijke tegenslagen, dat is het verhaal van zijn bokscarrière. Zeventien was Yvon toen hij voor het eerst de bokshandschoen opnam. "Vader was ertegen", vertelt hij. "Hij vreesde dat ze mijn gezicht gingen vertimmeren. Maar ik liet me niet tegenhouden. Als jongen al keek ik mijn ogen uit op de affiches van boksmatchen. De boksers zagen er geweldig uit, ik wilde zelf ook op zo'n affiche staan."

Boksen was in die tijd nog een volkssport die in populariteit nauwelijks onderdeed voor voetbal en wielrennen. Aan pugilisten geen gebrek, zeker niet in een proletarisch bastion als Charleroi. Maar Yvon was geen grijze middenmoter. Na amper een jaar veroverde hij de Belgische kampioenstitel bij de beginnelingen, en als amateur verzamelde hij bij de halfzwaargewichten zelfs drie landstitels. Amateur was in die tijd overigens geen loos begrip. "Ik werkte al in de fabriek", zegt hij. "Trainen deed ik 's morgens vroeg en 's avonds na het werk. Geld viel er niet te rapen. Voor een overwinning streek ik 300 frank op, een habbekrats. Zelfs de kampioensbekers kreeg ik niet mee naar huis, volgens de traditie gingen die naar de trainer." Nog altijd is hij ervan overtuigd: de kamp om de Europese titel in Luzern had hij niet mogen verliezen. Toen de scheidsrechter de vuist van zijn Oost-Duitse opponent in de lucht stak, brak de hel los. "Het publiek heeft een kwartier aan een stuk voor mij geapplaudisseerd", zegt hij. "Ze voelden dat ik geflikt was." Gelukkig bracht die nederlaag zijn olympische selectie niet in het gedrang. Rome, het blijft voor hem een wat dubbelzinnige ervaring. Met zichtbaar genoegen monstert hij de zwartwitfoto's die Renée uit een ladekast heeft opgediept. Ze zagen er goed uit, de vier Belgische boksers die in Rome breed glunderend van het vliegtuig stapten. Waren die frivole hoeden misschien van stro? Ze staken alleszins fel af bij het donkere kostuum waarin het mannelijke gedeelte van de Belgische delegatie was uitgedost. "Gekregen van het olympisch comité", zegt Yvon. "Ik ben er speciaal voor naar Brussel gemoeten om mijn maat te laten nemen."

De aanloop was onvergetelijk. Nog voor de start van de Spelen was er generaal appèl op het Sint-Pietersplein, waar Johannes XXIII zijn zegen uitsprak. Alle landen gaven present, alleen de atleten van de Sovjet-Unie bleven verstoken van de pauselijke benedictie. Yvon is nog altijd onder de indruk van de openingsceremonie. "We defileerden voor honderdduizend man", zegt hij. "De sfeer in het stadium kan ik met geen woorden beschrijven. De olympische vlam werd ontstoken, er werden witte duiven gelost. Het ging allemaal snel voorbij, alsof ik in een droom leefde." De ontnuchtering zou snel volgen. Voor zijn vertrek had vader Bécaus een sombere voorspelling gedaan. 'Je zult het zien, mon gamin zal op een Amerikaan stoten.' En verrek als het niet waar was: Yvon Bécaus werd toch wel uitgeloot tegen ene Cassius Clay zeker, de achttienjarige kampioen van de United States. "Ik had nog nooit van hem gehoord", zegt hij. "Clay was toen piepjong. Ik deed navraag bij de Franse kampioen, maar ook die kon me niets wijzer maken. Natuurlijk besefte ik dat de loting geen geschenk was. Kampioen van België, dat is niet hetzelfde als kampioen van Amerika. Joe Louis, Rocky Marciano, Sugar Ray Robinson, noem ze maar op, de grote boksers kwamen allemaal uit Amerika."

Op 30 augustus was het zover. Zoals iedere avond zat het Palazzio di Roma afgeladen vol. De mentale voorbereiding in het Belgische kamp verliep niet helemaal vlekkeloos. In de kleedkamer stelde de verzorger tot zijn afgrijzen vast dat hij zijn bandage was vergeten. Met de hulp van een solidaire sovjetbokser werd aan het euvel verholpen. Volledig opgewarmd en vakkundig ingebonden stapte Yvon de ring in, waar zijn onbekende tegenstander al klaarstond. "Ik kon mijn ogen niet geloven", vertelt hij. "Zo groot, zo gespierd, en dan die lange armen. Mijn eerste gedachte was: die hoort hier niet thuis. Dat is geen halfzwaargewicht maar een zwaargewicht. Maar nee, volgens de weegschaal woog Clay toen 80 kilo, precies zoveel als ik."

Niet alleen het verschil in gestalte en reikwijdte bepaalde de kamp. Yvon Bécaus was een meer dan verdienstelijke bokser. Hij werd geprezen om zijn snelle vuisten en goede benen, zeldzame wapens voor een bokser van zijn formaat. Maar tegen de virtuositeit van zijn Amerikaanse opponent had hij geen verhaal. Het is in Rome dat Clay voor het oog van de wereld furore maakte. Een ballerina in de boksring werd hij genoemd, vanwege de manier waarop hij tussen de touwen dartelde. Ongrijpbaar voor zijn tegenstanders, loerend op een kans om zelf bliksemsnel uit te halen. Flies like a butterfly, stings like a bee. De omschrijving is van Clay zelf, een bokser die minstens even berucht was om zijn grote mond als om zijn harde vuisten. Zelfs in Rome liep hij als broekje van achttien te toeteren dat hij de greatest was. Zijn branie leverde hem de bijnaam 'burgemeester van het olympische dorp' op.

Mohammed Ali gold als een meester in de psychologische oorlogsvoering. Slaan onder de gordel was niet toegestaan, maar op het verbaal kleineren, provoceren en belachelijk maken van de tegenstander stond geen sanctie. Had Cassius Clay, zoals Ali heette voor hij zich tot de islam bekeerde, die kunst in Rome nog niet onder de knie? Alleszins kan Yvon zich niet herinneren dat Clay tegen hem heeft gesproken. Maar ook zonder verbale agressie stond er geen maat op. "Ik heb er nochtans alles aan gedaan", zegt Yvon. "In het begin van de eerste ronde waagde ik een aanval, maar met zijn lange armen hield hij mij gemakkelijk af. Zelf kon hij verschrikkelijk hard en snel uithalen. Op het einde van die ronde plaatste hij een reeks. Na een rechtse hoek op mijn slaap ging ik tegen de mat. Het was geen k.o., want binnen drie tellen stond ik weer recht."

De Spelen van Rome waren de eerste die integraal op televisie werden uitgezonden. Het Amerikaanse CBS had de rechten voor 394.000 dollar opgekocht, een ongehoorde som in die tijd. Maar 'integraal' moet met een korrel zout worden genomen. Door een tekort aan filmband werd van de kamp tussen Bécaus en Clay alleen de eerste ronde gefilmd. Nooit kregen de televisiekijkers dus de ontknoping van deze confrontatie te zien. Halfweg de tweede ronde legde de scheidsrechter tot eenieders verbazing de kamp stil, wegens kennelijke ongelijkheid van de tegenstanders. "Ik heb geprotesteerd", vertelt Yvon. "Ik dacht niet aan opgeven, ik was zelfs niet moe. Pas op, ik wil hier niet beweren dat ik een kans maakte. Cassius Clay was gewoon te sterk."

Hij is er wel een tikje rouwig om. De enige foto waarop hij met zijn beroemde uitdager staat afgebeeld werd tijdens de eerste ronde genomen. Uitgerekend tijdens dat ene moment waarop hij tegen de mat ging, het is geen echt representatief beeld van een kamp waarin hij toch vijf minuten weerwerk bood aan de beste bokser aller tijden. Yvon: "Niemand van de Belgische delegatie heeft me achteraf verwijten gemaakt. Verliezen van zo'n krak was geen schande. Na die kamp heb ik het direct gezegd: dit wordt een heel grote, ook bij de profs. Voor Roger Moens was het veel erger. Die was topfavoriet op de 800 meter. Op de meet werd hij echter voorbijgelopen door een Nieuw-Zeelander. Die gemiste gouden medaille, dat was het drama van Rome."

Zijn voorspelling is uitgekomen. Zes dagen na die eerste kamp veroverde Cassius Clay de gouden medaille, het begin van een duizelingwekkende carrière. En Yvon Bécaus? Die heeft het nog twee jaar bij de beroeps geprobeerd, om dan de handschoenen aan de wilgen te hangen. Helemaal vergeten is hij nog niet. Vorig jaar werd hij gehuldigd in Izegem, het mekka van de vaderlandse bokssport. Onder de genodigden bevond zich Jean-Pierre Coopman, die andere Belg die ooit tegen Mohammed Ali heeft gebokst. Yvon werd verblijd met een ingelijste foto, dezelfde foto die nu aan de muur van de woonkamer hangt. In de rechterbenedenhoek bespeur ik een inzetje: een uit een tijdschrift geknipte foto van... Mohammed Ali. "Ik heb al zijn kampen gevolgd", zegt Yvon. "Werken of niet, voor Clay stond ik 's nachts op."

Drie straten en twee kruispunten verder ligt de Augustijnenstraat, het theater waar Rik Verbrugghe zijn eerbiedwaardige vak beoefent. Zijn kapsalon voor heren is een parel. Behang, belichting, haardrogers, flacons en handspiegels, er is de jongste veertig jaar niets aan veranderd. Rookverbod in handelszaken? In de armleuning van de verchroomde kappersstoelen zit een opklapbaar asbakje, zelf mag Rik Verbrugghe tijdens het werk graag een sigaartje opsteken. In dit spiegelpaleis is ijdelheid een goedaardige afwijking. Inderdaad, beamen we, hij ziet er voor een vierenzeventigjarige verdomd goed uit. Smal in de heupen maar breed in de schouders, zijn lichaam is geboetseerd door decennia van trainingslabeur. Hij heeft iets Latijns, met zijn donkere ogen en getaande huid. Een fijne snor balanceert op de gulden snede tussen neus en bovenlip. Clark Gable, denken cinefiele automobilisten als ze hem in het voorbijrijden in zijn vitrine zien staan. Na twee huwelijken is Rik Verbrugghe opnieuw vrijgezel. Maar eenzaam? "Ik heb nog altijd aantrek", verzekert hij. "Ook bij jonge vrouwen."

Een scène uit het Vlaamse sportleven anno 1964. Twee wielrenners rijden onder begeleiding van een politiecombi de Augustijnenstraat in. Het zijn Eddy Merckx en Patrick Sercu, twee jonge beloften dringend op zoek naar een nieuwe look. Dat ze die dag het kapsalon van Rik Verbrugghe in hun trainingsschema hebben ingelast is geen toeval. "Ik had ze leren kennen tijdens een zuurstofkuur met de olympische selectie in Noorwegen", vertelt Verbrugghe. "Ik heb daar niet alleen aan mijn conditie gewerkt. 's Avonds kwamen ze allemaal aan mijn mouw trekken. 'Allee Rik, wilde gij mijn haar eens knippen.' Zie je, ik kende mijn vak, ik volgde de mode. Sercu bijvoorbeeld, die liep met zo'n antieke scheiding in het midden. Daar heb ik een moderne, korte coupe van gemaakt. Na die kuur wilden Merckx en Sercu dat ik voortaan hun haar zou doen. Goed, zei ik, kom maar naar mijn salon in Mechelen. En als ze de weg niet vonden, dat ze het dan aan de eerste de beste agent moesten vragen. Rikske Verbrugghe, die kenden ze allemaal in Mechelen. Opeens stonden ze daar, met een politiecombi. Wat een sensatie toen die twee hier binnenstapten. Ik was net bezig met Rik De Saedeleer. Dat was ook een goede klant, die heeft hier vaak met de bezem het haar bijeengeveegd."

Er bestaat een grote kans dat zich onder dat veegsel de lokken van Louis Neefs bevonden, de Mechelse crooner die zowat een dagelijkse klant was bij Rik Verbrugghe. Of van Bobbejaan Schoepen, nog zo'n periodieke verschijning. Ach, hij zou een heel interview vol kunnen praten alleen al over de bekende koppen die hij heeft gekapt. De helft van de BRT kwam in zijn salon. Met de kalende kruin van Jan Theys heeft hij eens een half mirakel uitgehaald. Met vaardige hand en grote doses pommade wist hij de laterale begroeiing zo over de glimmende schedel te herschikken dat de woekerende kaalslag helemaal werd verdoezeld. "Alleen door het gebruik van zijn eigen haar", benadrukt Rik. "Veel kijkers wilden het niet geloven. Een pruikenhandelaar uit Boom verklaarde in een krant dat Theys een "postischeke" droeg. Theys was daarover zo verbolgen dat hij die man een proces heeft aangedaan." De toeloop van vedetten lokte heel wat gewone stervelingen, het was altijd aanschuiven bij Rikse Verbrugghe. "Mijn faam als sportman heeft de zaak geholpen", geeft hij toe. "Maar maak je geen illusies. Beroemd of niet, ontevreden klanten komen niet terug. Gelukkig had ik goed personeel in dienst." Gelukkig, inderdaad, want de meesterkapper zelve was vaak onbeschikbaar. Rik heeft al peddelend in zijn kano de wereld gezien.

Het verschil met de olympische carrière van Yvon Bécaus is frappant. Vier Spelen heeft hij meegemaakt. Helsinki 1952, Melbourne 1956, Rome 1960 en Tokio 1964, hoeveel Belgische sporters kunnen zo'n palmares voorleggen? "Het hadden er meer kunnen zijn", zegt hij. "Voor de Spelen van 1948 in Londen hadden ze mij ook gevraagd, maar ik voelde me te jong. Normaal gesproken was ik er in Mexico 1968 ook bij geweest. In België stond ik nog altijd aan de top. Ten andere, ik was officieel geselecteerd voor Mexico." Zijn boycot had dan ook niets met sportieve twijfels te maken. De oorzaak lag in een conflict vier jaar eerder in Tokio, een conflict dat veel zegt over het professionele gehalte van het toenmalige Belgisch Olympisch en Interfederaal Comité (BOIC). Vlak voor de afreis, tijdens een ontvangst op het koninklijk paleis, kwam een probleempje aan het licht. Bleek dat het BOIC verzuimd had de Belgische wedstrijdkano's voor Tokio te verzenden. "Foutje van onze afgevaardigde", zegt hij. "Dat was toen prins de Mérode, want het kanoverbond werd te klein geacht om een eigen afgevaardigde mee te sturen. Het gevolg was wel dat ik met René Roels in een geleende kano aan de 1.000 meter moest deelnemen. Je had die boot moeten zien, alsof je met een damesfiets Parijs-Roubaix zou rijden." Dat hij met die Roels in het bootje moest stappen was nog zo'n enormiteit.

Rik Verbrugghe had zijn hele voorbereiding op de 1.000 meter solo toegespitst. "Ik heb nooit een trainer gehad", zegt hij. "Maar mijn schema voor Tokio heeft indruk gemaakt bij het BOIC. Gaston Roelants is er speciaal voor naar Mechelen gekomen, die heeft veel van mij geleerd. Ik verkeerde dan ook in bloedvorm. Zonder overdrijven, voor de K1 1.000 meter was ik een medaillekandidaat."

Waarom het Koninklijk Belgisch Kanoverbond hem dan toch voor de K2 inschreef? Uit balorigheid omdat het van het BOIC geen bestuurslid naar Tokio mocht afvaardigen? Of om Rik Verbrugghe een lesje te leren? Feit is dat het eigengereide kanowonder niet alleen vrienden had. In Melbourne 1956 lag hij ook al overhoop met de Belgische officials, die het niet nodig hadden gevonden een afgevaardigde naar het roei- en kanocentrum te sturen. "Ze lieten zich vertegenwoordigen door de Franse délégué", vertelt hij. "In de finale was er een betwisting over de fotofinish, het ging tussen ons en de Franse boot om de derde plaats. Je kunt wel raden voor wie 'onze' afgevaardigde partij heeft getrokken. Toen ik bij het BOIC van mijn oren ging maken werd ik prompt uit de olympische selectie gezet. Lang heeft dat niet geduurd. In 1958 werd ik wereldkampioen, toen stonden ze rap weer aan mijn deur."

Over zijn trofeekast hoeft hij niet te blozen. Goud op WK's en EK's, hij heeft er hard voor gewerkt. "Uitgaan kende ik niet", zegt hij. "Ik leefde voor mijn sport. Vaak lag ik reeds om vijf uur 's morgens in het water. In het weekend voer ik heen en terug naar Antwerpen, een trip van 80 kilometer. Via de Leuvense Vaart naar het Zennegat, waar ik de boot aan wal sleepte om de sluis te nemen. En dan via de Rupel de Schelde op tot in Antwerpen, waar ik een halfuurtje uitblies in afwachting van het juiste tij. Ik had dan een thermosfles koffie mee en twee pistolets met bruine suiker. Het is een fabeltje dat je zulke inspanningen alleen op biefstukken kunt leveren."

Jammer dat de olympische consecratie is uitgebleven, een gemis dat hij zelf vooral aan brute pech wijt. Over het falen en Tokio en Melbourne hebben we het al gehad. In Helsinki finishte hij in de 10 kilometer op een zucht van een podiumplaats. "Er zat meer in", zucht hij. "Alle concurrenten hadden van die snelle, Deense kano's, maar ik was naar Helsinki getrokken met een zelfgebouwde boot. Bleek toch wel dat mijn kano 20 centimeter te lang was zeker. Er zat niets anders op dan er aan weerskanten een stuk af te zagen. In de reeksen werd er op vlak water gevaren, dat ging vlot. Tijdens de finale echter stond er een stevige wind, ik geraakte gewoon niet vooruit. In het laatste stuk waren er minder golven en liep ik mijn achterstand snel in. Honderd meter verder, en ik had toch nog brons gepakt."

Rome, waar hij de K2 1.000 meter met Germain Van de Moere voer, was weer een ander verhaal. "In 1958 hadden we samen het WK gewonnen. Dan denk je: we hebben onze olympische selectie op zak. Maar nee, van het Belgisch Kanoverbond moesten we ons in de aanloop naar de Spelen nog eens extra bewijzen. Wij dus de auto in om wedstrijden te gaan varen in Praag en Denemarken. Door die loodzware voorbereiding raakte Germain oververmoeid. Tijdens de halve finale in Rome hadden we het vlaggen. Er schoot iets in Germain zijn elleboog, en de Spelen waren voorbij."

Toch halen de mooie herinneringen moeiteloos de overhand. "Van de openingsceremonie heb ik ieder keer genoten", zegt hij. "Het is moeilijk onder woorden te brengen. Die muziek en die vlaggen, ik kreeg er tranen van in mijn ogen. Het is alsof je volledig één wordt met de massa in het stadion. Het was ook fantastisch om al die grote sportvedetten van nabij mee te maken. Stel je voor, ik heb in Helsinki Emile Zatopek de marathon zien winnen. Hij was zo fris als een hoentje toen hij het stadion binnenliep, hij nam zelfs de tijd om zijn vrouw te groeten, die het speerwerpen aan het winnen was. Onwaarschijnlijke atleet."

En natuurlijk waren er de meisjes. In Rome versierde hij zowel een zwarte atlete als een Italiaanse schone. "Pas op", zegt hij. "Het bleef allemaal heel kuis. Als topsporter weet je waar je mee bezig bent. Je gaat geen twee jaar voorbereiding in het water gooien voor een scharrel. Trouwens, we werden in het olympische dorp scherp in de gaten gehouden. Tussen de logies voor mannen en vrouwen stond een heuse versperring, het ijzeren gordijn noemden wij dat." Er was evenwel meer nodig dan een ijzeren gordijn om de Mechelse dandy aan banden te leggen. In Melbourne leerde hij zijn Engels van een vrouwelijke fan, in Tokio flaneerde hij met een Japanse studente. "We waren onafscheidelijk", zegt hij. "Met die stomme botenhistorie had ik toch niet veel om handen. Ach, Japan, daar hebben we ons kostelijk geamuseerd. Het watersportcentrum lag op 60 kilometer van Tokio, in een schitterend natuurgebied met uitzicht op de Fujiberg. Op het einde van de Spelen was er een receptie met prins Albert en prinses Paola. Ze kwamen hulde brengen aan Patrick Sercu en Gaston Roelants, die allebei goud hadden gewonnen. Ik had gewed dat ze Paola geen kus durfden te geven. En inderdaad, Sercu gaf braaf een handje. Maar de Roelants, die gaf de prinses een dikke smakkerd. En weet je wat Paola deed? Ze gaf er Roelants drie terug." Hij tikt de as van zijn sigaartje. "Paola", mijmert hij. "Dat was ook een heel schone vrouw."

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234