Zaterdag 16/10/2021

De nv Academisch Onderzoek

Universitaire research wordt steeds meer betaald met bedrijfsgeld

Vandemoortele heeft dezer dagen geurloze frituurolie in de winkelrekken staan. Met dank aan de UGent, die het onderzoek voor haar rekening nam. Steeds vaker zijn bedrijven de aanstokers van wetenschappelijk onderzoek aan de Vlaamse universiteiten én staan ze in voor de financiering van vorsers. Voor de op hun onafhankelijkheid gestelde onderzoekers is het

vaak balanceren op het slappe koord.

Door Kim Herbots

In het Research & Development centrum van de KU Leuven spenderen 47 mensen er een fulltime dagtaak aan om de wensen van het bedrijfsleven en de Leuvense vorsers op elkaar af te stemmen. "Die 47 moeten ervoor zorgen dat de samenwerking omtrent onderzoek voor beide partijen een win-winsituatie is", legt hoofd R&D Paul Van Dun uit. Ze hebben hun werk: aan de Leuvense alma mater worden ondertussen 1.200 onderzoekers betaald door externe partners. Vorig jaar alleen al werden 800 nieuwe onderzoekscontracten afgesloten met industriële partners. Een vierde van de totale onderzoeksgelden komt uit de privésector. "Dat is, zelfs naar internationale normen, redelijk veel", geeft Van Dun toe. "Wij zijn al in 1972 als een van de eerste binnen Europa gestart met een R&D-afdeling om die activiteiten te stroomlijnen."

De cijfers die gisteren bekend raakten (DM 14/4), tonen aan dat niet alleen de KU Leuven meedoet met die trend. Zowat elke Vlaamse universiteit ziet een vijfde tot een vierde van haar onderzoeksmiddelen aanvloeien vanuit het bedrijfsleven. En de keuze van de bedrijfswereld voor universitaire onderzoekers als leveranciers van research neemt toe. "Logisch ook", zegt Bert Maes, hoofddocent organische synthese (UA). "Het past in de algemene outsourcingstrategie. Vanuit de optiek 'time is money' kunnen bedrijven het zich vaak niet meer veroorloven om volledig zelf in te staan voor hun research. Investeren in onderzoek is zeer duur. Bovendien zit je dan vaak met het probleem van overtallig personeel zodra het onderzoek afgelopen is."

Maes, die momenteel een grootschalig onderzoeksproject leidt voor farmareus Janssen Pharmaceutica, ziet het aandeel van industriegestuurd onderzoek dan ook gestaag toenemen. "Op dit eigenste moment is ongeveer 40 procent van mijn onderzoeksprojecten gelinkt aan het bedrijfsleven", zegt hij. "Soms is dat zelfs meer dan de helft. Je moet dat wel relativeren: ik zit in de chemie. Voor de industrie zijn wij een erg sexy domein. Ik kan mij voorstellen dat andere onderzoeksgebieden veel minder in trek zijn."

"Van de universiteit uit is private financiering dan ook gewoon een noodzaak", meent Van Dun. "De overheidsfinanciering is verre van voldoende, in tegenstelling tot bijvoorbeeld Nederland, waar universiteiten per student een drievoud krijgen van die in Vlaanderen. Wij kunnen daarenboven niet rekenen op hoge inschrijvingsgelden. Volgens mij maakt het percentage gesponsord onderzoek niet zoveel uit. Belangrijk is dat je intern voor een goede ondersteuning zorgt, waardoor het op geen enkele manier een uitverkoop wordt. Dat spreekt voor zich."

De samenwerking levert, aldus Antwerps vicerector onderzoek Dirk Van Dyck, ook interessante mogelijkheden op inzake onderzoek. "Niet alleen de bedrijven varen er wel bij", zegt hij. "Wij ook. Kijk, krijg het als bedrijf maar eens aan je aandeelhouders verkocht dat je wilt investeren in fundamenteel onderzoek op lange termijn. Dat is gewoon niet interessant. Een universiteit is nét wel op zoek naar dat soort onderzoek, dus door samen te werken, kom je er allebei beter uit."

"Het is gewoon een deel van onze opdracht", stelt VUB-onderzoeksverantwoordelijke Jan Cornelis. "Maatschappelijke dienstverlening bestaat naast het uitvoeren van opdrachten van de overheid, het creëren van spin-offs en het laten doorstromen van onderzoeksresultaten naar de non-profitsector ook uit het uitvoeren van onderzoek op verzoek van de bedrijven. Wij gaan geen resultaatsverbintenissen, aan dus risico is er niet. Twee juristen, één gespecialiseerd in vennootrecht en één in contracten, screenen de overeenkomsten tot in de puntjes." "Je kunt er inderdaad niet meer onderuit", zegt Van Dun. "De maatschappij vraagt meer return van de universiteiten. De tijd van de ivoren toren is voorbij."Hoewel de universiteiten strikt genomen niks verdienen aan het onderzoek kan het af en toe gebeuren dat er extraatje uit de kast komt vallen. "Als we voor een bepaald onderzoek apparatuur moeten aankopen blijft die hier daarna natuurlijk ook staan", zegt Maes. "En ja, dan is het wel handig als we dat niet met ander geld hebben moeten aankopen. De meeste contracten voorzien ook zogenaamde 'milestones'. Dat wil zeggen dat de onderzoeksgroep een bonus van pakweg 10.000 euro krijgt als een bepaalde fase in het onderzoek wordt bereikt. Nu, het is verkeerd om te denken dat we daarvoor onderzoeken zouden aannemen: de kans dat je die fase haalt, is vaak uiterst klein. Het is ook geen persoonlijke verrijking: dat geld wordt onmiddellijk weer geïnvesteerd in onderzoeksactiviteiten."

Niet dat er nooit excessen zijn geweest. "Toen ik hier acht jaar geleden begon, hoorde ik ook de wilde verhalen uit de jaren tachtig, toen een professor die krap bij kas zat in ruil voor een nieuwe computer een onderzoek uitvoerde", vertelt Van Dun. "Ondertussen is dat zogoed als onmogelijk." Met dank aan een decreet van de Vlaamse overheid uit 1995. "Terwijl professoren vroeger individueel een afspraak konden maken met een bedrijf moet dat sindsdien via een centrale universitaire dienst gaan. Er wordt hier geen contract afgesloten of de handtekening van R&D staat erop."

Van Dun kan begrip opbrengen voor de scepsis bij de zoveelste studie die een nieuw geneesmiddel de hemel in prijst en uitgevoerd werd met geld van het betrokken farmabedrijf. "Ik snap het wel", zegt hij, "maar we hebben wat dat betreft al een lange weg afgelegd. Ook internationaal wordt een en ander de laatste jaren streng gecontroleerd. Toonaangevende wetenschappelijke tijdschriften eisen dat er bij een onderzoek duidelijk vermeld wordt wie mee instond voor de financiering. Overigens, wij doen hier veel onderzoek naar de relatie tussen professoren en het bedrijfsleven. In tegenstelling tot wat vaak gedacht wordt, is er een rechtstreeks verband tussen onze hoogleraren die veel interactie hebben met het bedrijfsleven en zij die excelleren op wetenschappelijk vlak."

De afspraken die de instellingen met de bedrijven afsluiten, zijn strikt omlijnd. Het kan zijn dat een onderzoeker zelf een idee heeft voor een studie en dat een bedrijf dat oppikt. Neem nu het onderzoek naar het griepvaccin aan de UGent. Dat werd aangestuurd vanuit de instelling maar wordt ondertussen grotendeels gefinancierd door het farmaceutisch bedrijf Acambis. "In de meeste gevallen is het omgekeerd en contacteert een bedrijf mij", zegt Maes. "Voor we rond de tafel gaan zitten, sluiten we een confidential agreement af. Dat wil zeggen dat ik de inhoud van dat gesprek later niet voor onderzoek mag gebruiken. Daarzonder is het onmogelijk om in alle openheid te spreken. Nu, onze juristen kijken die afspraak na. Het kan niet de bedoeling zijn dat ik mezelf klemzet voor verder onderzoek. Maar ik moet zeggen dat het zelden gebeurt dat er uit zo'n gesprek geen overeenkomst voortkomt. De bedrijven doen ook hun huiswerk: ze weten bij wie ze moeten aankloppen voor bepaalde studies."

Dat de ideeën vooral van bedrijven komen, zit onder meer professor Mark Bogaert van het Belgisch Centrum voor Farmacotherapeutische Informatie (BCFI) dwars. "Wie in het wereldje rondhoort en internationale cijfers bekijkt, krijgt de indruk dat in mijn vakdomein het aandeel onderzoek dat geïnitieerd wordt door academici steeds kleiner wordt. Dat hoeft op zich niet problematisch te zijn. Dat een bedrijf een studie sponsort, hoeft niet noodzakelijk te zeggen dat het een slechte studie is maar je kunt je er toch vragen bij stellen. In hoeverre zijn onderzoekers op die manier nog betrokken bij hun eigen onderzoek?"

Maar professoren, zo benadrukken de universiteiten, kunnen weigeren. Al gebeurt dat niet vaak. "Ach, ik geloof niet in die visie dat het bedrijfsleven het wetenschappelijk onderzoek stuurt", zucht Maes. "Als men mij een onderzoek voorstelt en het is niet fundamenteel dan is het sowieso njet. Voor mij is het ook belangrijk dat ik de resultaten kan gebruiken voor publicaties achteraf. Dat is per slot van rekening de manier waarop je als wetenschapper naam en faam vergaart. Niemand verplicht mij om aan een bepaald onderzoek te beginnen. Er is geen druk."

Het publiceren kan een heikel punt zijn. Wat als de resultaten negatief zijn voor het bedrijf in kwestie? "Dan nog publiceren we", zegt Van Dun, die daarin gevolgd wordt door zijn collega's aan de andere universiteiten. "Dat laten wij in elk contract opnemen. Het is echt not done meer om te proberen resultaten onder de mat te vegen. Dat zien de bedrijven ook in. Het enige waarover onderhandeld kan worden, is een uitgestelde publicatiedatum om een bedrijf de kans te geven de resultaten te verzilveren in een patent maar ook die termijn moet realistisch zijn. Onze professoren moeten ook scoren, hé."

Bogaert vindt dat professoren zich te weinig bewust zijn van de afspraken over publicaties. "In het geval van klinische studies geldt er nu een ethisch aanvaard principe waarbij professoren nagaan in hun contract hoe het daarmee gesteld is", zegt hij. "Internationaal zijn er voorbeelden bekend van bedrijven die hebben getracht instellingen te beïnvloeden om niet te publiceren. Zo heeft een bedrijf geprobeerd een Amerikaanse universiteit onder druk te zetten om negatieve resultaten in verband met een preparaat met schildklierhormoon niet openbaar te maken. Zoiets kan absoluut niet. Zeker niet als er proefpersonen deelgenomen hebben aan het onderzoek."

Naar de buitenwereld is de samenwerking niet altijd even transparant. "Ik werk ook samen met buitenlandse bedrijven", vertelt Maes, "en zij bepalen vaak dat ik tijdens het onderzoek hun naam niet mag noemen. In sommige gevallen is het immers genoeg om mijn naam en die van het bedrijf aan elkaar te linken om te weten in welke richting het onderzoek gaat. Zelf heb ik daar geen probleem mee. Het is een mes dat aan twee kanten snijdt: ik mag hun naam niet gebruiken maar zij de mijne ook niet. Trouwens, zodra we aan de fase van publicatie zitten, vervalt die geheimhouding. Ik sta tijdens een onderzoek altijd in contact met onderzoekers van het bedrijf en vaak verschijnt de publicatie ook onder hun naam."

Naast de gefinancierde onderzoeken is er nog een andere geldstroom van de bedrijven naar de universiteiten: de leerstoelen. Die zijn vooral en bijna uitsluitend talrijk in Leuven. Een bedrijf doneert minimaal drie jaar lang 65.000 euro per jaar om zijn naam te verbinden aan een leerstoel. "Maar dat moet je zien als een vorm van mecenaat", zegt Leuvens beheerder Koenraad Debackere. "Bedrijven kunnen zo'n donatie als schenking aftrekken van hun belastingen. Ze bepalen zelf het onderzoeksdomein maar hebben verder geen enkele inspraak in het onderzoek. Met een leerstoel drukt een bedrijf vooral zijn waardering uit voor het werk van een bepaalde onderzoeksgroep."

Dirk Van Dyck, Antwerps vicerector onderzoek:

Zowel de universiteiten als de bedrijven varen wel bij een samenwerking

Bert Maes, hoofddocent

organische synthese (UA):

Ik geloof niet dat het bedrijfsleven het wetenschappelijk onderzoek stuurt

Jan Cornelis, VUB-onderzoeksverantwoordelijke:

We gaan geen resultaatsverbintenissen aan, dus er is ook geen risico

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234