Maandag 27/06/2022

De nieuwe wereld moet nog even wachten: het oude continent is niet in verval

Hoe goedbedoeld ook, het idee dat een verzwakt Europa tot eenwording wordt gedwongen voedt de euroscepsis

Er waart een nieuw idee door Europa, een nogal somber idee over verval. Vergeleken met decennia van groei in landen als Brazilië, India en China doen de economieën in ons deel van de wereld het immers beroerd. Zo wordt het oude continent in hoog tempo voorbijgestreefd. Het enige antwoord op dat verlies aan macht zou liggen in de snelle eenwording van Europa. Terwijl vroeger de integratie bij uitstek werd gezien als een morele opdracht - de verzoening van de erfvijanden Frankrijk en Duitsland - draait het in deze tijd vooral om machtsbehoud. Eigenlijk hebben we veel te verliezen en dus weinig meer te kiezen.

Lees bijvoorbeeld Een New Age of Empires van Guy Verhofstadt, die zonder veel omhaal beweert dat Europa alleen kan overleven in de economische wedijver van mondiale machten 'door een nieuwe kwantitatieve en kwalitatieve stap te zetten in zijn integratie'. Elders betoogt hij met verve dat de crisis een nieuwe wereld van machtsblokken heeft ingeluid en dat het daarom tijd is geworden 'om de Unie om te vormen tot een politieke federatie, een ''Verenigde Staten van Europa'.

In verschillende toonaarden zeggen ook de christen- en sociaaldemocraten en de groene partijen hem dit na in de verkiezingscampagne voor het Europese Parlement.

Bange vraag

Verhofstadt raakt aan een belangrijke vraag. De economische en demografische aanwijzingen voor de machtsverschuiving waarover hij spreekt zijn onmiskenbaar. De Indiaas-Amerikaanse econoom Arvind Subramanian heeft die verandering in kaart gebracht voor China, India, Indonesië en Brazilië gezamenlijk. In 1960 was hun aandeel in de wereldeconomie niet meer dan 29 procent van het gewicht van deze landen qua bevolking. Nu is dat al gegroeid naar 65 procent en zijn voorspelling voor 2030 is 95 procent. Tegen die tijd zal het aandeel van deze landen in de wereldeconomie dus bijna volledig hun aandeel in de wereldbevolking weerspiegelen.

Zijn vaak aangehaalde voorspelling is dat twee derde van de mondiale groei tussen 2010 en 2030 zal plaatsvinden in de opkomende economieën. En de bange vraag is: hoe gaat de zeven procent van de wereldbevolking die in de Europese Unie leeft wedijveren met alleen al de veertig procent die in India en China woont?

Toch is die machtsverschuiving relatief, want de economische afstand tussen de opkomende en de gevestigde machten blijft aanzienlijk. Wanneer wordt gezegd dat China de VS bijna heeft ingehaald als grootste economie, dan moet er wel bij worden gezegd dat het gemiddelde inkomen per hoofd van de bevolking in China nog steeds minder is dan een vijfde van dat in Amerika: 53.101 tegen 9.844 dollar (IMF, 2013). Omdat de Chinese bevolking meer dan vier keer zo groot is, kan het BNP nu al in de buurt komen van dat van Amerika, maar het is een open vraag of China voorbij de positie van middeninkomenland weet te reiken.

Nuchter

Ruchir Sharma, schrijver van het veelgelezen Breakout Nations, komt tot een nuchtere conclusie: hoewel meer naties zich zullen losmaken uit de armoede, zal de economische ordening er aan de top vergelijkbaar blijven uitzien. De opkomst van de nieuwe economieën gaat volgens hem langzamer en is onevenwichtiger dan vaak wordt gedacht. Maar weinig landen zullen de inkomensniveaus bereiken van de ontwikkelde wereld. Dat beeld wordt versterkt door gegevens van de Wereldbank: waren de huidige landen van de Europese Unie (uitgezonderd Kroatië) in de jaren negentig goed voor 31 procent van de mondiale economische output, in de afgelopen tien jaar was dat nog altijd 29 procent.

Met dat alles is dus niet gezegd dat er geen fundamentele veranderingen gaande zijn. De wereld wordt gelijkwaardiger - maar het is onwaarschijnlijk dat China of India of Brazilië in de komende decennia de westerse welvaart zullen benaderen. We hebben vaker voorspellingen over convergentie gehoord die dan niet bleken uit te komen. In de jaren vijftig en zestig bestond immers bij menigeen de gedachte dat de Sovjet-Unie op het punt stond de Verenigde Staten te evenaren, en in de jaren tachtig heerste het idee dat Japan op het punt stond Amerika in te halen. Die eerdere versies laten zien dat de verbeelding van verval in Amerika en Europa vooral een middel is geweest om in die samenlevingen vernieuwing uit te lokken en te rechtvaardigen.

Braziliaans federalisme

Die diagnose kan verder worden aangescherpt wanneer we de politiek-bestuurlijke ontwikkelingen in deze continentale machten in de beschouwing betrekken. Een rondgang in Brazilië, India en China heeft me geleerd dat ze allemaal op hun eigen manier worstelen met het bijeenhouden van een reusachtig territorium en dus een zeer diverse bevolking, want in al deze landen zijn er genoeg middelpuntvliedende krachten. Zo krijgen we een beter zicht op de kwetsbaarheden van deze nieuwe machten.

Nemen we Brazilië als voorbeeld. Het is natuurlijk merkwaardig dat het denken over federalisme in Europa altijd de Verenigde Staten als referentiepunt heeft, terwijl er ook in andere delen van de wereld federale systemen bestaan die proberen continentale politieke eenheden te ordenen. Brazilië is daarvan een prominent voorbeeld. Voorop staat dat het een wonder is dat het land - waarvan de omvang (ongeveer de helft van Zuid-Amerika!) die van de huidige Europese Unie overtreft - als levendige democratie bijeen is gebleven.

Maar wanneer we kijken naar het functioneren van de Braziliaanse federatie, dan valt vooral op hoezeer het bestuur van het land wordt bemoeilijkt door een verdelingsconflict tussen de 27 deelstaten. Dit conflict speelt zich af tussen de zeven rijke staten in vooral het zuiden - waar 80 procent van de rijkdom wordt voortgebracht - en de twintig armere staten, overwegend in het noorden van het land. Het gevolg van de parlementaire patstelling is dat steeds vaker een beroep is gedaan op presidentiele decreten. Dat alles roept de vraag op hoeveel verschil in welvaart - en dus hoeveel herverdeling - een federatie kan opvangen. Een vraag die ook voor de Europese Unie buitengewoon relevant is.

India en China

Een ander voorbeeld. Over India en de manier waarom het land sinds de onafhankelijkheid omgaat met etnische en religieuze diversiteit bestaat een rijke literatuur. Gurpreet Mahajan, werkzaam aan de Jawaharlal Nehru universiteit in Delhi, schetst in een recent boek hoe twee ideeën over India op elkaar zijn gebotst tijdens de vorming van een grondwet voor het onafhankelijke India: een seculier idee waarvan Nehru een principieel voorstander was, en een idee over India als een staat van hindoes, dat wil zeggen een staat verbonden met de dominante religie. Het is bijzonder dat het eerste idee zich, na de afsplitsing van Pakistan als staat voor de moslims, heeft doorgezet. De reactie om van India een hindoe-staat te maken, had voor de hand gelegen.

Maar Mahajan laat wel zien dat India het seculiere idee heeft vormgegeven door veel nadruk te leggen op groepsrechten - bijvoorbeeld op het gebied van familierecht - ook waar die eventueel de bewegingsvrijheid van individuen binnen die gemeenschappen zouden kunnen beperken. Het is opvallend, zo schrijft ze, hoezeer de vrees van minderheden - vooral de omvangrijke moslimminderheid, nu 13 procent van de bevolking - leidend was bij het opstellen van de grondwet. Dat heeft onder meer geleid tot inperkingen van de vrijheid van meningsuiting, bijvoorbeeld op het gebied van godslastering. Hoe kwetsbaar India is, blijkt wel uit de verkiezingszege van Narendra Modi, dieafkomstig is uit een hindoe-nationalistische partij, waar de moslims met begrijpelijke zorg en wantrouwen naar kijken.

Tenslotte is het interessant om het Chinese idee van soevereiniteit te overdenken. Zhonqui Pan van de Fudan-universiteit in Shanghai schetst een paradoxale ontwikkeling: terwijl de Europeanen de soevereiniteit hebben uitgevonden, nemen ze er nu geleidelijk afscheid van. Tegelijkertijd heeft China het idee opgedrongen gekregen en omarmt het nu ten volle. Wat in China 'de eeuw van vernedering' wordt genoemd, heeft zich vertaald in een sterke nadruk op zelfbeschikking. Pan ziet als belangrijk verschil dat in China soevereiniteit wordt opgevat als uitdrukking van de rechten van de staat, terwijl in Europa de verantwoordelijkheid van de staat tegenover de burgers voorop staat. In die benadering zijn de zorgen samengevat over het bijeenhouden van een groot rijk.

In de internationale betrekkingen staat voor China de ondeelbaarheid van soevereiniteit voorop. Om begrijpelijke redenen zoekt het land - en dat geldt ook voor India en Brazilië - erkenning in de wereld en is het tegelijkertijd sceptisch over doctrines als Responsability to Protect. In hun optiek gebruiken westerse landen - zie Libië of Irak - mensenrechten te gemakkelijk als voorwendsel voor militaire interventie. Voor deze landen, met al hun verschillen, betekent globalisering helemaal niet een relativering van soevereiniteit, maar juist de herwaardering ervan.

Wanneer we kijken naar de omgang met federalisme, diversiteit en soevereiniteit in deze opkomende mogendheden dan wordt de kracht en kwetsbaarheid van grote politieke eenheden duidelijk. Zo hebben de ervaringen en ideeën van de opkomende mogendheden betekenis voor het denken over mogelijkheden en onmogelijkheden van democratische integratie op een continentale schaal. Ook voor Europa, dat worstelt met de vraag hoe vijfhonderd miljoen burgers een gemeenschap kunnen vormen.

Zelfkritiek

Toen ik twee jaar geleden aan mijn speurtocht begon, die me langs steden als Delhi, São Paulo en Beijing heeft geleid, was ik er vast van overtuigd dat we op een keerpunt in de internationale verhoudingen waren terechtgekomen. Na vele ontmoetingen in al die steden en na het bestuderen van allerlei literatuur, ben ik geneigd die omslag in de economische en culturele verhoudingen te relativeren. In termen van 'hard power' en 'soft power' - ook dat laatste is van belang, want zonder aantrekkingskracht geen werkelijke macht - hebben deze landen nog een lange weg te gaan.

Wie ik ook sprak - variërend van een vertegenwoordiger van de suikerindustrie in São Paulo, de directeur van een partijschool in Beijing tot een gepensioneerde generaal in Delhi - telkens stuitte ik op diepgaande zelfkritiek. Overal klonk hetzelfde refrein: het is een illusie om te denken dat we de economische groei van de afgelopen decennia kunnen voortzetten. Het argument dat ik vaak hoorde was: verwacht voorlopig niet een grote rol in de wereld van ons; wanneer we erin slagen onze miljoenenbevolking een goed leven en een ordelijk bestuur te geven, dan hebben we iets wezenlijks bijgedragen aan de mensheid.

Het is bewonderenswaardig wat al deze landen de afgelopen dertig jaar hebben bereikt. Kijk alleen al naar de miljoenen die aan de armoede zijn ontsnapt. Tegelijk zijn de interne problemen nog steeds overweldigend. Welke verwachtingen mogen we koesteren over India, waar volgens Nobelprijswinnaar Amartya Sen meer dan veertig procent van de kinderen onder de vijf jaar ondervoed is? Welke reële toekomstperspectieven heeft Brazilië, waar volgens schattingen 10 tot 15 procent van de oogst ligt weg te rotten omdat er geen vervoer naar de havens mogelijk is? En tenslotte: wat kunnen we verwachten van China dat alleen al voor de immense opgave staat om de leefbaarheid van zijn snel uitdijende miljoenensteden te waarborgen, denk bijvoorbeeld aan de luchtverontreiniging?

Dit is een ietwat retorische opsomming, maar de verschillen met de meeste Europese landen zijn nog steeds groot. Kijk maar naar de Human Development Index, een rangorde van ontwikkeling die door de VN is geïntroduceerd. De top vijf van die index uit 2013 bestaat uit Noorwegen, Australië, de Verenigde Staten, Nederland en Duitsland. Daarbij steken Brazilië (op 85), China (101) en India (136) wel heel erg karig af.

Een goede indicatie vormt ook de top tweehonderd van de universiteiten in de wereld. Slechts twee Chinese universiteiten treffen we op die lijst aan, en geen enkele Indiase of Braziliaanse universiteit. En dat terwijl er in die top tweehonderd 79 Amerikaanse en 87 Europese universiteiten staan, waaronder 31 Britse, 12 Nederlandse, 10 Duitse, 8 Franse en 5 Belgische. Dat geeft een idee over de verhoudingen en toont waarom een vertrek van de Britten uit de Unie zwaar zou wegen.

In een vergelijkend perspectief zien we de verborgen vitaliteit van veel Europese samenlevingen: een relatief hoge mate van gelijkheid en levenskwaliteit, een verhoudingsgewijs lage corruptie en een redelijk functionerende rechtsstaat, een levensvatbare urbanisering en een cultuur van onderzoek en innovatie.

Tegelijk is duidelijk dat zulke verschillen niet gemakkelijk te overwinnen zijn, want bijvoorbeeld een rechtscultuur kan niet per decreet worden veranderd. Het kost veel tijd om de normen daarvan werkelijk in een samenleving te verankeren.

Verborgen vitaliteit

Gezien de geweldige problemen waarmee deze landen kampen is de economische en culturele uitdaging van de opkomende machten minder groot - zeker in de komende tien tot twintig jaar - dan menigeen denkt. We zullen ons zeker moeten blijven vernieuwen, ook omdat de wereld om ons heen verandert. Het denken over de Unie moet echter niet in het teken van verval staan, maar juist de vitaliteit van onze samenlevingen versterken. Hoe goed bedoeld ook: het idee dat een verzwakt Europa tot eenwording wordt gedwongen, voedt de euroscepsis. Anders gezegd: ook in een nieuwe wereld kan het oude continent nog steeds in vrijheid een eigen idee over integratie nastreven en zichzelf blijven zien als een waardengemeenschap.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234