Zaterdag 27/02/2021

De nieuwe welvaartsstaat: durven we?

Taboes van de oude welvaartsstaat staan nog overeind, terwijl we al met de nieuwe versie moesten bezig zijn

"Goed pensioenbeleid - zoals goed gezondheidsbeleid - start bij de geboorte": zo leidde ik tien jaar geleden Esping-Andersens bekende boek Why we need a new welfare state in. De boodschap van de Deense sociale wetenschapper was helder: de welvaartsstaat van de 21ste eeuw moet investeren in kinderen. Inkomensbescherming voor gezinnen met kinderen en hoogstaande kinderopvang, voorschools onderwijs en onderwijs moeten hand in hand gaan. De schokkende gegevens uit het onderzoek van Sara Willems (DM, 12/11) leren dat we eigenlijk moesten zeggen: "Goed pensioenbeleid - zoals goed gezondheidsbeleid - start voor de geboorte." Lager opgeleide vrouwen lopen méér kans dat hun baby prematuur ter wereld komt, een lager geboortegewicht heeft of sterft voor de geboorte.

Timmert België aan de weg van de nieuwe welvaartsstaat? UNICEF rangschikte 24 rijke landen op basis van de vraag hoe welvaart en welzijn verdeeld zijn over kinderen. In deze 'league table' van de ongelijkheid scoort België slecht: 14 landen presteren beter dan België; alleen de Verenigde Staten, Italië en Griekenland doen het slechter; 7 landen, waaronder Spanje en Groot-Brittannië, worden beschouwd als vergelijkbaar met België. België blijkt zwak inzake materiële ongelijkheid (15de plaats); zeer slecht inzake onderwijs (24ste) maar goed inzake gezondheid (6de). Dat laatste neemt niet weg dat ook in ons land de gezondheidsongelijkheid schrijnend is.

Inzake materiële ongelijkheid gaat het bovendien de verkeerde kant op. Het financiële armoederisico bij kinderen en jongeren beneden de 18 jaar steeg van 15,3 procent in 2005 naar 18,7 procent in 2010. Kinderen en jongeren die leven in 'werk-arme' gezinnen (gezinnen die weinig of niet aan de bak komen op de arbeidsmarkt) lopen in België ook een bijzonder hoog risico op financiële armoede (68,6 procent). Omgekeerd is het financiële armoederisico bij gezinnen die aan het werk zijn laag (8,4 procent). De armoedekloof tussen 'werk-arme' en 'werk-rijke' gezinnen is daardoor in België groter dan in de meeste andere Europese landen. Bij ons leven ook meer kinderen en jongeren in werk-arme gezinnen. Landen die uitgesproken beter presteren dan België - met name de Noord-Europese landen die aansluiten bij Esping-Andersens 'nieuwe welvaartsstaat' - doen het beter op twee punten: minder kinderen leven in werk-arme gezinnen; het financiële armoederisico bij werk-arme gezinnen is er kleiner. Landen met goede resultaten voor kinderarmoede hebben veelal ook een hoog peil van sociale uitgaven. Nu liggen de sociale uitgaven in België ook hoog, maar - met het oog op armoede bij kinderen en jongeren - zijn onze uitgaven minder doelmatig. Of beter, het samenspel van sociale voorzieningen en sociale uitgaven, onderwijs- en arbeidsmarktbeleid is bij ons minder doelmatig.

Verdeeld land

We zijn een verdeeld land: 24 procent van de Waalse kinderen en jongeren zit onder de Belgische financiële armoedegrens; in Vlaanderen gaat het om zowat 11 procent. Financiële armoede is, zo gemeten, vooral in opmars in Wallonië. De Franstalige partijen moeten zich daarover bezinnen: een status-quo in beleid impliceert in de realiteit een glijbaan naar beneden. Het Belgische referentiekader verbloemt echter ook de Vlaamse realiteit. Kind en Gezin hanteert een 'index van kansarmoede' voor kinderen in Vlaanderen. Die is gebaseerd op het inkomen, de opleiding en de werksituatie van de ouders, de ontwikkeling van de kinderen, hun gezondheid en hun woning. Deze index is sinds 2005 behoorlijk sterk gestegen. Ook Vlaanderen is verdeeld: de index ligt bij kinderen met een moeder van Belgische herkomst (4 procent) beduidend lager dan bij kinderen met een moeder die bij haar geboorte niet de Belgische nationaliteit had (26 procent). En er loopt nog een scheidingslijn: in Aartselaar bedraagt de index 0,6 procent; in Antwerpen 24 procent.

Het gaat niet alleen om ongelijke toegang tot de materiële voordelen van de welvaartsstaat, maar ook - en misschien nog meer - tot de immateriële voordelen: preventieve gezondheidszorg, gezondheidsopvoeding, opleiding en onderwijs. De agenda die voorligt is niet alleen één van bescherming en financiële steun, maar ook van activering en emancipatie. Het is niet zo dat er de voorbije jaren niets gebeurd is. De facto zorgde het beleid de voorbije tien jaar voor een iets betere verdeling van de fiscale aftrekposten en kinderbijslagen over de inkomensgroepen, maar het gewicht van de bijslagen kalfde af, zoals een nieuwe studie van het Centrum voor Sociaal Beleid toont. De eerste lijn in de gezondheidszorg staat sterker dan 10 jaar geleden. Activering kwam op de agenda. Het onderwijs kreeg een actieplan voor kleuterparticipatie, beter omkaderde kleuterklassen, bijkomende omkadering in scholen met veel kansarme kleuters en kinderen, schooltoelagen, een actieplan inzake gezondheidsopvoeding op school met een Vlaamse gezondheidscoördinator... Er werd gestudeerd en geëvalueerd en hier en daar is vooruitgang zichtbaar. Tegelijkertijd blijft de benadering fragmentarisch. Of dit geheel doelmatig is met het oog op de uiteindelijke doelstelling - kansengelijkheid bij kinderen - blijft onduidelijk. Afzonderlijke beleidslijnen leiden daardoor hun eigen leven: eerst een steekvlam, na verloop van tijd soms een laag pitje.

Het bewustzijn dat het hele beleid door deze bril moet bekeken worden, ontbreekt. Hoe leg je anders uit dat in de Vlaamse politiek een 'kindpremie' wordt bepleit die per se op een of andere manier aan alle gezinnen ten goede moet komen? Uit nog een nieuwe studie van het Centrum voor Sociaal Beleid blijkt dat alleen een strikt selectieve uitkering van zo'n premie enig effect heeft op armoede, tenzij men over een groot budget beschikt. (Waaruit meteen de vraag voortvloeit: waarom zet de Vlaamse Regering niet prioritair in op de verhoging van een bestaand selectief instrument, de schooltoelage, waarvoor noch een staatshervorming noch een nieuw beleid nodig is? En moet voldoende kinderopvang niet de allereerste zorg zijn?)

Derdebetalersregeling

We hebben de omslag naar de nieuwe welvaartsstaat nog onvoldoende gezet en blijven tegelijkertijd de gevangenen van versleten taboes van de 'oude welvaartsstaat'. De blijvende discussie over de derdebetalersregeling in de gezondheidszorg is daar een droevige illustratie van. De derde betaler betekent dat mensen het ereloon niet zelf moeten voorschieten. De regering keurde een wetsontwerp goed dat voor een reeks sociale groepen de verplichting voorziet om de derde betaler toe te passen vanaf 2014 en dat is alvast een stap vooruit; maar het artsensyndicaat BVAS voert hier een heilige oorlog tegen. Zouden we zelfs deze stap niet durven zetten? De pleinvrees voor selectiviteit in de kinderbijslag vormt een andere illustratie, net zoals het taboe dat blijft rusten op het herdenken van de wettelijke pensioenleeftijd van 65 jaar.

Dit verdeelde land heeft nood aan een perspectief. En een afspraak. Op alle beleidsniveaus - federaal, regionaal, stedelijk - zetten we in op een nieuwe welvaartsstaat, die investeert in kinderen en een robuust langetermijnperspectief biedt inzake pensioenen. De zesde staatshervorming wordt uitgerold met déze doelstelling voor ogen; ze hevelt op dit punt cruciale bevoegdheden over naar de regio's. We laten ons intussen niet afleiden door een debat over de zevende staatshervorming. Dat is iets voor 2020. Durven we?

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234