Zaterdag 24/10/2020

De nieuwe lente van Hugo Claus

Jef Lambrecht

Jef Lambrecht over meesterlijke zinnetjes en ‘Clausiaans genieten’ met de schrijver

is gewezen VRT-journalist. Hij was jarenlang bevriend met Claus.

Op 19 maart 2008 stierf Hugo Claus. ‘Het land was op zijn dood, laat staan zijn erfenis, niet voorbereid en wist er geen raad mee’, schrijft Jef Lambrecht. Maar lees (de heruitgave van De Verwondering) en luister (naar Absynth Mindeds ‘Envoi’ of de audiofilm Het jaar van de Kreeft) en zie: ‘Op de wortels van de eik staan nieuwe scheuten.’

Kort geleden hoorde ik op televisie een even lawaaierig als zwaarwegend politicus het op zijn beurt citeren: ‘tètitatutè’, in een context die enkel politici verzinnen en met bronvermelding natuurlijk. West-Vlaams met een accent uit de Antwerpse rand. Het zou de auteur ongetwijfeld hebben verheugd dat zijn ontboezeming intussen een zegswijs is tot in de Wetstraat en een contrapunt op ‘ik hoorde zo geiren de veugelkes schufeln’, dat andere laatste woord van de door Claus zeer gewaardeerde Guido Gezelle.

We zagen mekaar zo niet wekelijks, dan om de veertien dagen en tot tevredenheid van menige bodega, al verdient het te worden vermeld dat ons op een winternacht de toegang werd ontzegd tot een cocktailbar vlak bij het Antwerpse stadhuis. De zaak is vol, zei de buitenwipper. We zagen dat er niemand was. Waren er instructies? Van wie? Tegen wie? Geen afzakkertje, die keer, of toch wel, maar waar weer? Het was een van die vele onvergetelijke momenten. We waren de oude rakkers op het balkon van de Muppets. We keken naar de wereld als buitenstaanders en lachten. Ik wist me buitengewoon bevoorrecht en ik vermoed - misschien ten onrechte - dat hij mijn discretie waardeerde.

Claus feestte misschien minder omstandig dan in het Jaar van de Kreeft, maar nog steeds con mucho gusto. Clausiaans genieten, spreekwoordelijk als Rubensiaans voluptueus. Het kon ook Clausiaans gereserveerd, sarcastisch, oneerbiedig of ondeugend zijn. Hij bood onderdak aan vele ikken.

Hugo Claus was een zondagskind. Een kwajongen in de versleten jas die zijn lichaam werd. Geleidelijk brozer maar nog altijd lichtvoetig als een danser, een bokser. Hij hield van sport. Om ernaar te kijken. Hij had zelf gebokst maar alleen de edele jeu de boules beoefende hij nog.

Hij keek naar de slechtste televisieprogramma’s en las alles. Een ochtendwandeling naar de krantenzaak van La Roche in de laatste zomer van zijn leven, leverde een stapel op van Britse zondagskranten tot Story. Ik kreeg zijn internationale kunstbladen. Ik koester ze. Hier en daar staat er een kribbel in. Een tekeningetje, enkele woorden, sporen van de drang. Een kinderhand is gauw gevuld, zei hij.

Bij vlagen week zijn levenslust voor ernst en soms afwezigheid, maar nooit helemaal. Zijn humeurige somberheid en kittelorigheid, zijn bittere weerzin van de aftakeling toonde hij node. Daarvoor bleef hij te veel een speler, een levensgenieter en een gentleman en was hij te helder. Te onderhoudend ook want met een langetermijngeheugen en een eruditie die bleven verbazen tot het eind. Een rusteloze geest die kennis absorbeerde als een spons en twee dagen voor de zelfgekozen eindstreep tranen lachte in een nacht die niet wilde eindigen.

Al te weinig is bekend dat achter het masker, het schild, het talent en de branie, een kwetsbaar, attent en gevoelig man schuil ging. Toen mijn vrouw borstkanker kreeg, kwamen hij en Veerle als eersten op bezoek. Hij bezocht Jean Pierre Van Rossem in de gevangenis. En hij was gul met fooien.

Hugo Claus beoefende de werken van barmhartigheid maar wordt daarvoor niet heilig verklaard, al verleende de bisschop van Brugge hem dispensatie om op zijn vierde zijn eerste communie doen omdat hij voortijdig goed van kwaad kon onderscheiden. Georges Wildemeersch kan ongetwijfeld bevestigen dat daarover een bericht verscheen in een Oost-Afrikaanse krant, een voetnoot in zijn biografie die het begin is van een steile klim naar de wereldroem. Zijn uitdagende en stoïcijnse houding tegenover de macht en dus ook de dood verijdelt zelfs zijn zaligverklaring.

Claus wist wat hem wachtte.

Hij was de eerste om te beseffen dat alzheimer op de loer lag. De ziekte fascineerde hem jaren voor de diagnose werd gesteld. Het moet omstreeks de eeuwwisseling zijn geweest dat hij tijdens een etentje zijn waardering toonde voor Elegie voor Iris, het relaas dat John Bayley, de man van Iris Murdoch, schreef in 1998 over haar laatste levensjaren. Er ontspon zich een gesprek over alzheimer, over het late werk van Willem De Kooning, over de Britse schrijfster die ook aan de ziekte leed, en over wat de aandoening betekent voor een kunstenaar.

Zijn onwel worden op de historische Saint Amourvoorstelling in de stadsschouwburg van Leuven, zeven jaar geleden, was meer een verrassing voor het publiek dan voor hemzelf. Tijdens de pauze sprak hij van Hölderlin in zijn toren te Tübingen, waar de zieke dichter de laatste 36 jaar van zijn leven doorbracht. Hij herkende, daar in het foyer, in Hölderlin en zijn toren een metafoor van wat hem wachtte. De ballingschap was aangebroken. Hij had ze drie jaar tevoren in de meesterlijke novelle Een slaapwandeling aangekondigd.

‘Ik zei namelijk ‘Het was de achttiende Remember en het was Agnes’ vergaarbak.’ Daar schrok ik zo van dat ik van woede mijn verdere zinnen inslikte.’

Deze ‘ik’ was Claus zelf.

Onder het barokke verhaal van Een slaapwandeling ligt een patroon van versprekingen. Het inslikken van de ‘verdere zinnen’ kon maar één ontknoping kennen. Het zou de schrijver wurgen. Op het einde van de novelle, een pareltje trouwens, haast terloops bezorgd door De Bijenkorf ter gelegenheid van De Literaire Boekenmaand, kijkt Claus in de spiegel. Het begint met Agnes die vraagt:

‘Ben je nog altijd met je rare woorden bezig?’ ‘Niet meer. Dat is voorbij.’ (Het is niet voorbij. De beschadigde woorden zullen zich vermenigvuldigen. Als broden.)

Even later volgt het aangrijpend slot, een testament vol zelfspot en eindeloos dubbele bodems.

Ik blijf staan en doe het v-teken.

‘Dat belooft je’, zeg ik, ‘een lichaam dat beloofd is aan het einde,’ zeg ik plechtig.

‘Kom mee naar binnen.’

‘Ja.’ Mijn ziel stottert, mijn woorden niet meer.

‘Tsjip, tsjip, tsjip,’ zeg ik. ‘Ik ben de kanarie die nieuwe neuronen gekregen heeft en veel nieuwe lieve liedjes zal kennen.’

Uitgepuurd meesterschap brengt bedrieglijk simpele zinnetjes voort. Claus muntte er op het eind in uit. Dat is nauwelijks opgemerkt. Zo bedolven onder veelal internationale eerbewijzen was hij dat zijn laatste werk niet meer met frisse ogen werd gelezen. Ongemerkt was hij nieuwe wegen ingeslagen, ook in zijn poëzie, zoals bleek in zijn laatste bundel In geval van nood. Niet enkel ontglipten hem woorden en tijd, hij sprak tegen de muren. Dat ergerde hem. Het was een vorm van miskenning. Het herinnerde hem aan wat hij het gevaarlijkste vond: domheid.

Hij vond het amusant dat Het verdriet van België na een kwarteeuw weer op één stond op het moment van zijn overlijden maar hij was al lang illusieloos.

Zijn vertrek is de explosie van vele megatonnen. Het land was op zijn dood, laat staan zijn erfenis, niet voorbereid en wist er geen raad mee. Het krabbelt onbeholpen overeind en op de wortels van de eik staan nieuwe scheuten. Absynthe Minded, Claus in Oostende, Het jaar van de kreeft als audiofilm, een heruitgave van De verwondering, ‘onthullingen’ over zijn vlegeljaren, gelegenheidsstukjes en andere publicaties...

Gelukkig. Het is niet erg dat een dichter wordt gelauwerd, onderscheiden, geëerd en uiteindelijk wordt herinnerd, als hij maar wordt gelezen.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234