Zaterdag 16/01/2021

De neuroses van onze tijd

Wel vaker toont Herman Franke zich bitter schrijver, denker én cultuurdiagnost. In Wolfstonen raakt een volkswijk op drift door de onoordeelkundige inplanting van een postmodern woonblok. Op de proef gestelde intellectuelen gaan in de clinch met vijandige buurtbewoners, wat uitmondt in een bar pandemonium.

Herman Franke

Wolfstonen

Podium, Amsterdam, 524 p., 25 euro.

Twaalf stielen, maar géén dertien ongelukken, zo laat zich het leven van Herman Franke (°1948) samenvatten. De Nederlandse auteur, ook een tijdlang "verdienstelijk basgitarist", neusde in zowat alle sociale milieus rond vooraleer zich tien jaar geleden tot het compromisloze schrijverschap te bekennen. De uit een Groningse volksbuurt afkomstige Franke leek met zijn inzichtelijke pen en tomeloze nieuwsgierigheid geschapen voor de journalistiek, maar - zo vertelde hij onlangs in een interview met Vrij Nederland - "journalisten hameren terecht op openheid maar ze behoren zelf tot de meest ondemocratische machten in onze samenleving." Franke kwam na een paar jaar verslaggeving voor het Nieuwsblad voor het Noorden tot de conclusie dat "in de journalistiek (...) nooit iemand verantwoordelijk (wordt) gesteld". Tenslotte werd de voortdurende confrontatie met visieloze politici, die in hoofdzaak de eigen belangen beheerden, hem te veel. Op latere leeftijd begon Franke sociologie, filosofie en criminologie te studeren. Cum laude promoveerde hij op de geschiedenis van het gevangeniswezen, maar in de laatste rechte lijn naar het professoraat brak opnieuw de veer en lokte de ongedwongenheid van de literatuur. Volgens Franke gehoorzaamde hij met die stap aan een in zijn wetenschapsgebied eerder vertoonde drang. Een paar vooraanstaande Nederlandse criminologen, zoals J.B. Charles, Andreas Burnier en A. Aletrino, traden ooit - met succes - tot de letteren toe. In Trouw merkte hij op dat "criminologen beroepshalve buitengewoon geïnteresseerd (zijn) in de grenzen tussen goed en kwaad, het duistere in de mens" en mutatis mutandis, "in de belangrijkste thema's van de wereldliteratuur". Vrijblijvend proza is aan Franke zeker niet besteed. Zijn fraai geschreven boeken zijn doordesemd van een zekere hooggestemde, soms elitair genoemde moraal, waarin de mens het vaak moet afleggen tegen duistere krachten. Hij houdt ervan veelomvattende fresco's te konterfeiten, waarin de personages voor bepaalde opvattingen staan en de verhalen zich gedragen als een onrustige mierenkolonie, zoals in het met de AKO-prijs bekroonde De verbeelding (1998).

Toch zijn het vooral zijn essayistische stukken voor onder meer de Volkskrant, die Franke tot de spreekstalmeester van het nieuwe doemdenken hebben gemaakt, een discipline waarin hij zich keert tegen de "pulpdemocratie", de "Endemol-emoties" en de middelmatigheid van sommige zogeheten kwaliteitsmedia. Franke wil een dam metselen tegen de oprukkende cultuurverflensing en heeft daartoe ook erudiete bouwstenen gelegd in zijn essaybundel De tuinman en de dood van Diana (1999). De auteur, die zichzelf uitgesproken 'links' noemt en zich altijd heeft verzet tegen het kapitalistische 'recht van de sterkste', verzandt nochtans niet in Spengleriaanse massahaat of heilloos cynisme. Maar dat niemand het opneemt voor "het mooie, het kwetsbare, het waardevolle", dat steekt hem bovenmatig. Franke pleit daarom voor een "rampenplan met kwaliteitsnormen".

Ongemeen fel hakte hij in op de Fortuyn-verblinding. In de reacties op diens dood zag Franke met ongemak een averechts soort "dictatuur van het proletariaat" geïnstalleerd. "Nu wordt het gewone volk, vooral door de massamedia, te groot gemaakt, waardoor velen hun simpel negativisme met grote, politieke inzichten verwarren. Vroeger werden zij te veel gedwongen hun plaats te kennen, maar nu aanvaarden ze helemaal geen plaats meer en missen zelfkritiek en gepaste bescheidenheid. Het volk van Fortuyn denkt dat wie het hardst en talrijkst schreeuwt, gelijk heeft. Maar wij zijn er ook nog", schreef hij met opgeheven vinger.

Het is moeilijk om niet aan voorgaande berispingen te denken wanneer je Frankes nieuwe roman Wolfstonen aansnijdt en al na pakweg twintig pagina's merkt dat alle voorwaarden vervuld zijn voor een grimmige, finale confrontatie tussen het verfijnde intellectuelendom en de sociale rafelrand die er omheen cirkelt.

Het uitgangspunt van het boek is eenvoudig, de uitwerking wijdvertakt en mateloos ambitieus. Ter herwaardering van een braakliggend stuk grond, wordt in een achterstandswijk - na lang gepalaver - een postmodernistisch appartementsgebouw van glas en aluminium en met afgeronde hoeken à la Hundertwasser opgetrokken. De volksbuurt noemt het bouwwerk algauw "de bijenkorf" en wacht met onverholen argwaan op de nieuwe bewoners. Het stadsbestuur hoopt dan weer dat "de jonge, dynamische kopers" de wijk de broodnodige, sociale injectie zullen geven.

De "acht zonder stuurman" die er hun intrek nemen, willen niet vermoeden dat ze zich op een naar de ondergang schommelende ark begeven. De lezer, ja, hij kan het vanaf de eerste zin raden: "Later zeiden ze dat het noodlot als een zwartgele, dreigende lucht boven de stad hing." Tergend langzaam zal blijken dat ze één voor één in een fuik van angst zwemmen, gegijzeld door het aprioristische onbegrip van de gewone man ("mannen in bontgekleurde trainingspakken op grillig gevormde sportschoenen, die hun haar in een paardenstaart droegen") of kapotgetergd door de spokende klankkast die het kille gebouw zal worden, vol "bibberende, huilende" wolfstonen. Wanneer we samen met Franke achter het vensterglas gluren, zien we dat het 'yuppengeluk' een dun laagje vernis is. Ondraaglijk vol trauma's zitten ze en dag in dag uit worstelen ze met de zin van hun bestaan. Haarscherp krijgen we de neuroses van onze tijd opgelepeld. Ergens staat er: "Er zat te weinig angst en dreiging in de romans van tegenwoordig (...), terwijl het leven er grotendeels uit bestond."

De gevoelscartografie van de acht personages wordt uitputtend overschouwd. Met duivels genoegen tekent Franke hun scheeflopende ambities en verlangens uit. Er is de charmante psycholoog Ista, die spoedig de regelneef wordt en de bewonersvergaderingen gaat trekken. Er is zijn piekerende vriendin, de vertaalster Angolie, die stiekem lid is van de 'Elitaire Volkspartij' en de 'Bond tegen Ongevoeligheid'. Je hebt het oude echtpaar Forstenalt, waarvan de man door oorlogstrauma's achtervolgd wordt. Ingenieur Vartor spiegelt zich aan Leonardo da Vinci en werkt onder de mokerslagen van liefdesverdriet door aan zijn proefschrift over uitvindingen. Elto is een hoogbegaafde violist die een taal zonder woorden ontwerpt. In de conversatie streeft hij de grootste omzwachteling na. Uiteindelijk wordt hij de meest tragische figuur van Wolfstonen. De journaliste Mernin worstelt met haar ex-minnaar en levert strijd met morele vraagstukken, radslagen makend in vicieuze gedachtegangen. Paulice, ten slotte, is vergiftigd door zelfhaat, die zich ophoopt in haar grote borsten. Ze beheersen haar leven zodanig, dat ze elke oprechte mannelijke intentie gaat wantrouwen. Natuurlijk ontstaan er vernuftige verknopingen en interacties tussen de schipbreukelingen, die zich in de bijenkorf als in een perpetuum mobile lijken te bevinden. "Het sociale leven is een ruilmarkt", bedenkt een van de personages. Het heeft er alle schijn van dat ze wel bij elkaar houvast moeten zoeken, wat Franke demonstreert in langzaam in elkaar overvloeiende travellings, waardoor we in het appartement van elke bewoner terechtkomen. Dat het allemaal erg goed opgeschreven wordt, is balsem tegen langdradigheid of al te pathetische spiegels die weleens worden voorgehouden.

Toch verrast de rabiate manier waarop fysieke bedreigingen en animale krachten het heft van het boek in handen nemen. Aanvankelijk bestaat die in Wolfstonen uit geluiden, in de vorm van gebons, veroorzaakt door eerst één werkloze man ("De buurman is zo'n kaalgeschoren klerenkast die een matje aan de muur heeft hangen waar hij tegenaan staat te boksen met de terminale expressiedrift van een ter dood veroordeelde", zegt Ista), later door een heleboel rondschuierende nitwits. Het gebons galmt als in een echoput door het hele gehorige appartementsblok. "Wat waren dit voor plompe, mensonterende klankklonters? Hoorde hij daar het hart der smakeloosheid bonzen?", vraagt Elto zich af. De stellingenoorlog wordt op de spits gedreven, omgang met de buurtbewoners is lopen op een gasbel. Tegen het gajes en de beotiërs is geen kruid gewassen: is dat de onderliggende boodschap van Franke? Finaal gaat zelfs allochtoon en autochtoon buurtrapaille samenspannen tegen de luxepaardjes. Het culmineert in een beeldenstorm waarbij de hele gedoemde constructie eraan geloven moet, een ware Kristallnacht tegen de cultuurminnende klasse, waarbij zelfs het Horst Wessellied wordt aangeheven en de van pedofilie beschuldigde Elto het bijltje erbij neerlegt. En zo wordt de sta-in-de-weg van glas en aluminium opnieuw een kale plek, waar de natuur haar onkruid weer kan laten bloeien. Het is een koud kunstje om Wolfstonen te duiden als de streng-moraliserende uitwerking van een nieuw soort klassenstrijd of van sociaal Darwinisme (zowel Freud, Marx als Darwin mogen in het boek regelmatig een mondje meespreken), zeker indien we Frankes bespiegelingen over het Fortuyn-fenomeen in gedachten houden. Komt nog bij dat de volksbuurtbewoners veel minder stem krijgen en zelfs langdurig decorstuk blijven. Tot ze bruut hun recht opeisen, vanuit de buik: "Mijn ziel voelt, jongen. Te veel glas, te weinig steen, meisjesmannen en kwade vrouwen, wat." Maar Franke wil ook demonstreren dat de tegenwoordige intellectuelen zichzelf te gronde richten door zich zelfgenoegzaam te wentelen in hun eigen obsessies. Te druk met zichzelf doen ze te weinig om hun eigen lot in handen te houden of in de bres te springen voor wat van weerloze waarde is. Net wat hij de culturele 'elite' in zijn essays meermaals aanwrijft. "Schijterig buigen voor de SBS6-wals, bang om er niet bij te horen, bang om elitair te worden bevonden", zo zei Franke het in Vrij Nederland. Ondanks de apocalyptische ontknoping, die niet al te geloofwaardig wordt uitgewerkt, klinkt de meerstemmigheid van Wolfstonen bijzonder overtuigend door. Er is de detaillering van de getourmenteerde personages, de uiterst vaardige afwisseling van vertelstijlen, er zijn de scherpzinnige observaties en een paar ronduit pakkende dialogen, waardoor je beseft welk een formidabel afluisteraar Franke moet zijn. Zijn aforistische geest vermaalt tal van zoutige bedenkingen in de tekst, soms schalkse afsplitsingen van vroegere alter ego's: "De mensen houden niet meer van nadenken en bewijzen, ze willen liever voelen dan weten, behalve als het om voetbaluitslagen gaat, die leren ze uit het hoofd." Op geheimzinnige wijze zijn satire en persiflage alomtegenwoordig en zijn er speelse doorkijkjes op hele happen wereldliteratuur.

Zo zit de schoonheid van deze onbeschaamd zwaarwichtige roman verscholen in allerlei kieren en voegen van het immense, door enige hybris gekenmerkte bouwwerk. Eromheen razen de wolven - geheel volgens de ijzeren logica van filosoof Thomas Hobbes: homo homini lupus, de ene mens is een wolf voor de andere. Dat knagen moet wel schelle tonen voortbrengen. Angst essen Seele auf, dat weten we ook van Rainer Werner Fassbinder.

Dirk Leyman

Wanneer we samen met Franke achter het vensterglas gluren, zien we dat het 'yuppengeluk' een dun laagje vernis is. Ondraaglijk vol trauma's zitten ze en dag in dag uit worstelen ze met de zin van hun bestaan

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234