Woensdag 28/10/2020

De mythe van Eddy de Onaantastbare

Nu het veertig jaar geleden is dat Eddy Merckx zijn fabuleuze eerste Tourzege behaalde, regent het huldigingen alom: boeken, tentoonstellingen, tv-programma’s, podiaverschijningen: het kan niet op. En inderdaad, in 1969 zorgde Merckx voor misschien wel de meest fenomenale wielerprestatie ooit. Maar de focus op die Tour versterkt het beeld van Eddy die won waar en wanneer hij wilde, de renner die meer halfgod was dan mens, tomeloos, ongenaakbaar, onverslaanbaar, onoverwinnelijk. En dat is overdreven, en dus fout. We durven zelfs te stellen: de Tour van 1969 was de uitzondering die de regel bevestigde. Het was een van de weinige rondes dat Merckx niét in de problemen kwam.

Superlatieven te kort

Dat doet geen afbreuk aan de waardering voor zijn erelijst. Zelfs de scherp ingekorte variant blijft indrukwekkend. Voor het rondewerk: vijf keer de Tour, vijf keer de Giro (drié keer won hij in hetzelfde jaar Giro én Tour), één Vuelta, drie keer Parijs-Nice, twee keer de Ronde van België en de Catalaanse Week, verder één Ronde van Zwitserland, Dauphiné Libéré, Midi Libre, Ronde van Romandië, Ronde van Catalonië, enzovoort. In het eendagswerk: drie keer wereldkampioen, zeven keer Milaan-Sanremo, vijf keer Luik-Bastenaken-Luik, drie keer Parijs-Roubaix, twee keer Ronde van Vlaanderen, Ronde van Lombardije en Amstel Gold Race, drie keer Gent-Wevelgem en Waalse Pijl, twee keer ‘Het Volk’, één keer Parijs-Brussel, Henninger Turm en het Belgisch kampioenschap. Nog iemand? Tijdgenoten waren verbijsterd door zoveel overmacht, zo’n suprematie. Jacques Goddet bedacht in 1969 de term ‘Merckxissimo’, toen hij aan het einde van alle gewone superlatieven gekomen was.En toch is de sportieve carrière van Merckx oneindig veel spannender dan die erelijst laat uitschijnen. Het is niet zo dat Merckx won wanneer hij wilde. Zelf zegt hij vaak dat hij niet meer zo krachtig was na een zware val in Blois in 1969, kort na die eerste Tourdeelname. Maar ook daarvòòr al moest Merckx knokken om zijn status te verdienen. En dat wil zeggen: mokerslagen uitdelen, maar natuurlijk ook incasseren.Elk overzicht van de profcarrière van Eddy Merckx begint met het Belgisch kampioenschap van 1965, waar hij - nog een neoprof - om de nationale titel strijdt met die andere neoprof, Walter Godefroot. Godefroot wint, Merckx wordt tweede. Of het beruchte WK op de Duitse Nürburgring, in 1966, waar Rudi Altig voor eigen volk de regenboogtrui omgordt. De jonge Merckx had toen al willen winnen, maar werd geplaagd door krampen. Hij ‘verloor’ en werd 12de. In 1967 won Merckx zijn tweede Milaan-Sanremo, door met enorm veel lef, koelbloedigheid en fysieke superioriteit drie vluchters te kloppen - nota bene: de drie beste Italianen van dat ogenblik, Felice Gimondi, Gianni Motta en Franco Bitossi. Maar in datzelfde jaar legde Merckx de duimen tegen Dino Zandegu in de Ronde van Vlaanderen, tegen Walter Godefroot in Luik-Bastenaken-Luik, en werd hij door zijn eigen ploegmaat Tom Simpson (die later dat jaar zo dramatisch zou sterven op de Mont Ventoux) geflikt in Parijs-Nice. Hij won zijn eerste bergrit in de Giro, op de gevreesde Blockhaus nog wel, maar ging in de slotweek door de knieën. Gimondi won, debutant Merckx werd 9de.

Flirten met de nederlaag

Zelfs tijdens zijn absolute topjaren flirtte Merckx voortdurend met de nederlaag. Hij won de Tour van 1969 inderdaad met overmacht. Hij deed dat ook in 1970, zij het dat hij tijdens de beklimming van de Ventoux (die hij won) zo diep ging dat hij boven aan het zuurstofmasker moest. In 1971 reed Luis Ocaña hem in de rit naar Orcières-Merlette op 8.42, wellicht de zwaarste nederlaag die hij ooit in zijn loopbaan leed (in 1977 zou hij op L’Alpe-d’Huez nog meer minuten verliezen, maar toen was hij op zijn retour en deed hij niet meer echt mee voor de eindzege). Wat de Belgen evenwel uit hun collectieve geheugen hebben geschrapt, is dat Merckx in diezelfde Tour van 1971 al bij twee eerdere gelegenheden stevige nederlagen leed. Eerst moest hij onverwacht Ocaña, Zoetemelk en Agostinho laten gaan in de klim naar de Puy de Dôme. Een paar dagen later reed Joop Zoetemelk hem in Grenoble op 1.38 en uit het geel, met hulp van Luis Ocaña, Gösta Petterson, Cyrille Guimard, Bernard Thévenet en Lucien Van Impe - een van de vele nederlagen die ‘wij Belgen’ ons niet meer (willen) herinneren.Wij herinneren ons uit diezelfde Tour zoveel liever andere ritten: Merckx die terugvocht naar Marseille, Merckx die ook later in de Pyreneeën de nieuwe gele trui Ocaña zo onder druk zettte dat hij faalde (en viel). Maar waarom niet ‘Eddy Eén’ (de man die vocht tegen een nederlaag en die toch moest ondergaan) niet evenveel eren als ‘Eddy Twee’ (de man die met de nederlaag voor ogen toch bleef doorknokken en die omboog in een overwinning)?De echte, de hele Merckx bestaat uit beide helften. Niet alleen uit de almachtige winnaar, ook uit de moedige verliezer. En juist dat maakt hem nog unieker dan vele andere kampioenen: het vermogen om, eens knock-out geslagen, toch op te krabbelen en vervolgens de kamp in zijn voordeel te beslechten, zij het in extremis.

Problemen in de Giro

In de Giro was hij nog vaker de nederlaag, zo niet de complete ineenstorting, nabij. Zowel in 1972 als 1974 maakte de Spaanse klimmer José Manuel Fuente hem het leven ongemeen moeilijk. In 1972 had Fuente Merckx een patat van vele minuten gegeven in de eerste bergrit, naar Blockhaus. De Spanjaard heeft de roze trui en lijkt die te willen en kunnen behouden. Tijdens een overgangsrit staat er wat wind. Merckx zet samen met Gösta Petterson een even onverwachte als harde tegenaanval op. Fuente verliest het roze, maar kraakt niet. In de Alpenrit naar de verschrikkelijke Jafferau zet hij met zijn Kasploegmaats een verwoestend offensief op dat Merck naar de keel grijpt. Merckx wankelt, houdt vol, haalt Fuente tenslotte in, meter per meter, schakelt hem uit en wint de Giro. In 1974 is het weer van dat. Fuente beheerst de eerste helft, wint zelfs een bergrit of drie, maakt Merckx halvelings belachelijk in de cols, tot die op een regenachige dag in het Ligurische achterland eens goed ‘doortrekt’, Fuente murw rijdt en in Pietra Ligure weer de roze trui mag aantrekken. Maar ook ditmaal legt de Spanjaard de wapens niet neer, en met de hulp van de jonge Italiaan Baronchelli bestookt men de vesting Merckx tot de laatste meters van de laatste bergrit. Bovenop Tre Cime Lavaredo lijkt Merckx te kraken, maar na een van die merkwaardige ‘remontes’ waarvan hij alleen het geheim kende, behield hij zijn roze trui met luttele seconden voorsprong. En de dag nadien won Eddy Merckx wél de rit, voor Francesco Moser en Felice Gimondi: noblesse oblige.

Niet afdingen op prestaties

Voor wie denkt dat we hier zitten af te dingen op Merckx’ prestaties: die Giro tussenin, in 1973, won Merckx ook. Toen droeg hij van de allereerste tot de allerlaatste dag de roze trui. Game over nog voor de koers begonnen was. Nogmaals: ook dat is Merckx. Absoluut supreem. Maar zulke walk-overs waren zelfs voor Merckx uitzonderlijk. En eigenlijk maakte hij meer indruk in de dagen dat hij écht vreselijk diep moest gaan. Al dan niet met succes. Merckx won één nationale driekleur, in 1970, maar het land had een veel dikkere kluif aan de andere BK’s in zijn carrière. Zoals in 1973, toen een beresterke Herman Vanspringel ontsnapt was en Merckx zijn Molteniploeg total loss liet rijden om Vanspringel terug te pakken. In de laatste ronde ging Eddy dan zelf - helaas met Frans Verbeeck in zijn wiel. Verbeeck deed geen meter kop en won. De beelden beklijven: Merckx die woedend is, haast wenend de pers te woord staat. Heeft iemand ooit Hinault haast wenend de pers te woord zien staan? Indurain? Armstrong? Neen toch?

Achilleshiel

Want het grote succes en de absolute honger naar steeds nieuwe zeges waren natuurlijk ook de achilleshiel van Merckx. Hij wilde ongeveer overal winnen, en het publiek verwachtte dat ook van hem. Hij reed alle finales, vocht honderden oorlogen uit, meer dan wie ook voor en na hem. Dat maakte dat hij meer won en vaker overheerste dan welke andere renner ook. Maar dat maakte tegelijk dat hij meer en spectaculairder verloor dan de andere kampioenen die wel eens met hem vergeleken worden. Merckx won drie keer Parijs-Roubaix en ‘verloor’ een keer of tien. Hinault won één keer Parijs-Roubaix, op indrukwekkende wijze, dat klopt. Maar het is ongeveer de enige Parijs-Roubaix die hij ooit wilde rijden in zijn carrière. Na die ene winst kwam hij er nooit meer aan de start.Na Hinault werden de nieuwe toppers nog voorzichtiger, gingen ze zich nog meer specialiseren. Versta: ze namen niet meer een kwart van de risico’s waaraan Merckx zich blootstelde. Als Indurain en Armstrong ergens startten, was dat eigenlijk haast altijd om te winnen. Indurain had graag het WK in 1995 in Duitona in Colombia gewonnen, dat wel (zijn ploegmaat Abraham Olano was hem evenwel te slim af), en Armstrong heeft in een Amstel Gold Race waar hij voor de zege ging wel eens een Michael Boogerd moeten laten voorgaan. Daarbij werd geen traan gepinkt. Maar toen Indurain in 1996 voor het eerst de Tour verloor (van Bjarne Riis), en vervolgens ook de Vuelta niet won, hing hij meteen de fiets aan de haak. Hij vocht niet tegen nederlagen, hij vermeed ze gewoon. Liever stoppen dan echt verliezen. En Armstrong specialiseerde zich in 2004 en 2005 zodanig dat hij alles zette op de Tour, en die wedstrijd oppermachtig maar ook haast voorgeprogrammeerd won. En vervolgens stopte hij. Nog voor hij verloren had.

Geen godenzoon

Eddy Merckx was geen godenzoon. Hij was een mens, en dus kwetsbaar, een sporter die zichzelf voortdurend moest opjagen om boven zichzelf uit te stijgen, en dat ook deed. En héél af toen deed hij nog beter dan wat pers en publiek al van hem gewoon waren. Zoals, inderdaad, in de Tour van 1969. Collega Tony Landuyt heeft uitgerekend dat hij in die ronde in niet minder dan élf (!) ritten uitliep op de concurrentie, en eigenlijk in niet één etappe tijd verloor. Dat was inderdaad absolute suprematie. Zelfs naar normen van Merckx: ongehoord knap. En nadien dus ook nooit meer geëvenaard. Ook niet echt door Eddy Merckx zelf.Wellicht vocht geen renner in de geschiedenis zo hard tegen zijn verlies als Eddy Merckx. Juist dat maakte (maakt) hem nog altijd de grootste ooit: de voortdurende strijd tegen de grens van zijn eigen kunnen. En dus tegen zijn limieten. Eddy Merckx zelf beschreef zijn noodlot ooit erg accuraat. In Mijn wegjournaal (1971) liet hij optekenen: “Te velen dachten altijd dat het voor mij zou volstaan om te komen om te winnen. Maar ik ben geen Caesar. Ik geef me er heel goed rekenschap van dat het, integendeel, zeer hard zal worden. Ik zal moeten vechten. Misschien tot het uiterste.”Dat heeft hij gedaan, in voor- en tegenspoed. En prcies dat maakt tot vandaag zijn onvergelijkbare grootheid.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234