Maandag 10/05/2021

De mythe van de textielbaas doorprikt

Er verschijnen tegenwoordig talrijke ernstige historische studies over 'lichte' onderwerpen. Die spreken de mensen aan en vertellen bovendien inderdaad veel over samenleving of tijdsgeest. Bart De Wilde, wetenschappelijk medewerker van het Archief en Museum van de Socialistische Arbeidersbeweging, ziet echter tegelijk een achteruitgang van de sociaal-economische thema's in het historisch onderzoek. Aan hem zal het alvast niet gelegen hebben. Hij kreeg zopas de Camille Huysmansprijs voor zijn werk Witte Boorden, blauwe kielen, waarin hij de geschiedenis van de textielsector in België schetst aan de hand van de relaties tussen 'patroons en arbeiders'.

Josse Abrahams

De evolutie van sinterklaasfeesten, stripverhalen of de 1-aprilgrappen tussen 1950 en 1970. Je kan het zo gek niet bedenken of er is al een ernstige historische studie over gemaakt. Het heeft blijkbaar iets met de tijdsgeest te maken. Lichtere onderwerpen spreken mensen meer aan en zelfs thesisstudenten hebben graag dat hun werk gelezen wordt. Bovendien vertellen dergelijke onderzoeken, als ze goed gemaakt zijn, veel over een samenleving of een bepaalde tijdsgeest. Bart De Wilde, wetenschappelijk medewerker van het Archief en Museum van de Socialistische Arbeidersbeweging (AMSAB) ziet het met lede ogen aan. Niet dat hij deze onderwerpen minacht, maar de trend gaat gepaard met een achteruitgang van de sociaal-economische thema's in het historisch onderzoek. Aan hem zal het alvast niet gelegen hebben. Hij kreeg zopas de sociaal-economische Camille Huysmansprijs voor zijn werk Witte Boorden, blauwe kielen, waarin hij de geschiedenis van de textielsector in België schetst aan de hand van de relaties tussen werkgevers en werknemers, of zoals hij het zelf uitdrukt: tussen "patroons en arbeiders". Vooral het feit dat De Wilde de onderlinge verhoudingen tussen beide groepen in een historische context plaatst, geeft de studie een aparte invalshoek die tot nu toe niet vertoond werd.

Over een gebrek aan aandacht van historici heeft de textielindustrie in België niet te klagen gehad. De Wilde kreeg naar eigen zeggen dan ook geregeld de opmerking: 'Alweer een werk over de textiel'. Vooral aan de universiteit werd het onderwerp duchtig heen en weer gedraaid tegen allerlei lichtinvallen. Zo was het een veel gebruikt thema door studenten die in de jaren '70 en het begin van de jaren '80 de techniek van mondelinge geschiedenis ontdekten. In het verlengde van de aandacht van Franse historici in de jaren '60 bekeken zij de geschiedenis van onderuit en werden onderwerpen benaderd met de vraag 'hoe zou de man in de straat dit ervaren hebben?'. Textielarbeiders, vrouwen, uit de Spaanse burgeroorlog gevluchte migranten, ze kregen allemaal een opnameapparaat onder de neus geduwd om hun relaas te doen.

Op het eerste gezicht lijken de hoogdagen van dergelijke onderwerpen nu voorbij. 'Lijken' inderdaad, want bij nader onderzoek ziet de auteur de thema's nog steeds sterk aanslaan. Het succes van recente films als Brassed Off of The Full Monty, die over een mijnstaking respectievelijk werkloosheid in Groot-Brittannië gaan, moeten dat aantonen. Alles draait rond een goed verhaal, meent De Wilde. Goed verteld en met de nodige wetenschappelijke onderbouw doen historische monografieën het nog steeds goed bij een breed publiek.

Aan een goed verhaal ontbrak het de Gentse historicus alvast niet. Witte boorden, blauwe kielen telt vier grote hoofdstukken. Eerst komt de sociaal economische omgeving tussen 1800 en 1975 aan bod. Daarna volgt een typologie van de textielbaron in de 19de en 20ste eeuw. Vervolgens worden de werknemers doorgelicht en als laatste hoofdstuk wordt gekeken hoe beide groepen met elkaar omgingen.

Vooral het tweede hoofdstuk 'Katoenbaronnen, vlasbazen en wolmarchands' verdient meer aandacht. Voor het eerst wordt namelijk een beeld geschetst van de textielbazen. Wie waren zij, uit welke milieus kwamen ze en hoe leefden ze? De Wilde verwerkte een vijfhonderdtal biografieën van textielwerkgevers. Hij slaagde er in het traditionele beeld van de corpulente, sigaren rokende en arbeiders uitbuitende werkgever te nuanceren. Dat beeld werd in de hand gewerkt door de arbeidersbeweging en zal in sommige gevallen ook wel juist zijn geweest. De textielpatroon heeft altijd een sterke familiale band gehad en had zijn positie doorheen de tijd aan zijn ouders te danken. In 1825 was 48 pct. van de textielbazen in het vak terechtgekomen omdat de ouders een bedrijf leiden of hun geld er in staken. Bijna 150 jaar later, in 1970, blijkt dat nog steeds 40 pct. van de werkgevers van vader op zoon in de sector terechtkwamen. Vrouwen speelden blijkbaar altijd een ondergeschikte rol in het bedrijf van hun ouders. De kritiek van de jury van de Camille Huysmansprijs was trouwens dat er geen apart hoofdstuk aan de vrouw doorheen de textielgeschiedenis is gewijd.

Als de helft van vader op zoon in het bedrijf terechtkomt, dan valt ook het groot aantal werknemers op dat erin slaagde om door te groeien naar een eigen onderneming. Doorheen de geschiedenis bleef dat ongeveer gelijk aan een vierde van het totaal aantal werkgevers. Het bewijst dat er in de samenleving plaats was voor de opgang van zelfstandige ondernemers. De selfmade man die zonder hulp een succesvol ondernemer werd, was nogal zeldzaam. De hulp was dikwijls te vinden in een huwelijk. Voet tussen de deur krijgen van een textielbaas door te trouwen met zijn dochter, was een techniek die resultaat opleverde. In de 20ste eeuw was dat al veel minder het geval. Men geraakte verder met een aangepaste opleiding en niet door de hand van de dochter van de baas te vragen.

In het algemeen komt De Wilde tot het besluit dat de textielsector erg gesloten was. In de loop der jaren raakten steeds minder buitenstaanders als werkgever bij de productie betrokken. Bepaalde patronen zijn verschillend per regio. In Gent, de textielstad bij uitstek, kon je maar beter tot de juiste familie behoren als je ambitie had. Dat was ook het geval in Verviers. Maar als het in die steden niet lukte, had een ondernemend iemand meer kansen in West-Vlaanderen. Daar was er minder sprake van dynastieën. Was de ondernemersgeest in die streek toen al sterker dan elders in Vlaanderen?

Een gelijkaardige scheidingslijn is terug te vinden in de opleiding van textielpatroons. Lange tijd werd een algemene opleiding als voldoende ervaren. En specifieke vaardigheden leerde men wel uit ervaring, was de redenering. Pas veel later deze eeuw ging men een hogere gespecialiseerde opleiding promoten. Maar in Gent bleef de weerstand blijkbaar het langst bestaan. Emile-Jean Braun, bestuurder van UCO, liep niet hoog op met ingenieurs. Een grap maakte duidelijk hoe hij het zag: "Faillissementen hebben vier oorzaken: vrouwen, het spel, drank en ingenieurs: en versta onder dat laatste alle universitairen". De Wilde verbergt zijn opleiding aan de UG Gent niet als hij ook een hoofdstuk aan het leven en werken van de patroons besteedt. Mentaliteitsgeschiedenis neemt in Gent een belangrijke plaats in de opleiding in. Textielbazen stelden zichzelf graag voor als hardwerkende zenuwleiders met een grote verantwoordelijkheidszin. De arbeidersbeweging zag hen veeleer als onbezorgde individuen die teerden op het zweet van de arbeiders. De waarheid ligt volgens de auteur ergens in het midden. In de 19de eeuw bemoeiden ze zich meer met de dagelijkse gang van zaken op de werkvloer. Later lieten ze die taak aan meestergasten over terwijl ze zelf superviseerden, de correspondentie en de verslagen doornamen en zich met het vertegenwoordigen van de sector in de politieke wereld bezighielden. De manier van leven van de textielbazen stond vooral in de 19de eeuw in het teken van het verwerven van een adellijke titel. Het was bijgevolg belangrijk zijn rijkdom te tonen. Dat droeg dan weer bij tot een verzieken van de relaties met de vakbonden die zich geprovoceerd voelden. Later gingen de werkgevers discreter om met hun rijkdom. Ideologische invloeden en een veranderende moraal beïnvloedden het gedrag van de bazen. Maar het rijkelijk leven en het feesten werden niet opgegeven. Alleen gebeurde het minder opvallend en werd het privé-leven gescheiden gehouden van het beroepsleven. Het boek toont vooral aan dat homogeniteit in de textielwereld ver te zoeken was. De werelden van arbeiders en werkgevers lagen mijlenver van elkaar. Maar ook binnen de eigen groep waren de verschillen erg groot. De eigenaar van een grote onderneming distantieerde zich van een bedrijfsleider van een klein bedrijf. De Wilde slaagde erin de grote diversiteit aan te tonen in een boek dat ook qua vormgeving niet de grote luxe uitstraalt (waardoor men het bijna niet durft ter hand nemen), maar erg aangenaam is opgemaakt met veel treffend fotomateriaal.

Bart De Wilde, Witte boorden, blauwe kielen, patroons en arbeiders in de Belgische textielnijverheid in de 19de en 20ste eeuw, Ludion, 404 p.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234